Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY1000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2012
Datum publicatie
24-10-2012
Zaaknummer
201110823/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BU4315, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van een verzoek van [appellant] een aantal documenten verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110823/1/A3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 augustus 2011 in de zaken nrs. 10/3573 en 11/1758 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, voorheen: Hulpverlening Gelderland Midden.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van een verzoek van [appellant] een aantal documenten verstrekt.

Het dagelijks bestuur heeft ingestemd met het verzoek van [appellant] om het door hem daartegen gemaakte bezwaar door te sturen naar de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep, als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij mondeling uitspraak van 31 augustus 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep in zaak nr. 10/3573 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door A.J. [appellant], is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. In verweer heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het te laat is ingesteld. Daartoe voert het aan dat in het hogerberoepschrift is vermeld dat het hoger beroep zich richt tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem in zaak nr. 10/3678, welke uitspraak is gedaan op 25 februari 2011.

De Afdeling volgt het dagelijks bestuur niet in dat standpunt, aangezien het door [appellant] in zijn hogerberoepschrift vermelde zaaknummer een kennelijke verschrijving is. [appellant] noemt als datum van de uitspraak waar zijn beroep zich tegen richt 31 augustus 2011. Voorts heeft hij als bijlage de uitspraak van de rechtbank Arnhem van die datum in de zaken nrs. 10/3573 en 11/1758 bijgevoegd. Zijn gronden richten zich onmiskenbaar tegen de uitspraak in zaak nr. 10/3573. Gelet hierop was reeds ten tijde van de ontvangst van het hogerberoepschrift duidelijk dat [appellant] kennelijk beoogde tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen, hetgeen hij tijdig heeft gedaan.

3. [appellant] heeft bij e-mail van 27 augustus 2010 het dagelijks bestuur verzocht om "het afschrift te verstrekken van het document of de documenten waarin criteria zijn beschreven waarover de GGD-arts in 2006 kon beschikken om in de zin van de toewijzingsregels de zo belangrijke diagnose te kunnen vaststellen of er wel of niet sprake is van een 'zeer bijzonder medisch geval'."

Bij het besluit van 14 september 2010 heeft het dagelijks bestuur medegedeeld dat verzoek in te willigen en de volgende documenten verstrekt:

- de werkinstructie huisvestingsurgentie;

- het voorbeeldvragenformulier huisvestingsurgenties;

- de toelichting huisvestingsurgentie regiogemeenten West.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur deze documenten in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als betrekking hebbend op zijn verzoek. Daartoe voert hij aan dat zijn verzoek nadrukkelijk betrekking had op informatie over de privaatrechtelijke toewijzingsregels voor koopwoningen en niet op informatie over de huisvestingsurgenties voor huurwoningen. Nu het dagelijks bestuur niet over de door hem gewenste informatie beschikte, had het zijn verzoek moeten afwijzen, aldus [appellant].

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn verzoek op 30 augustus 2010 is ontvangen in plaats van op 27 augustus 2010.

4.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

Voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep is vereist dat [appellant] daarbij een actueel en reëel belang heeft. Hiervoor geldt dat het doel dat [appellant] voor ogen staat, met het instellen van het hoger beroep moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn.

Het dagelijks bestuur heeft in de loop van de procedure meermalen medegedeeld dat het niet beschikt over andere informatie dan de informatie die reeds aan [appellant] is toegezonden. Het stelt derhalve niet te beschikken over de door [appellant] gewenste informatie over de criteria die worden gehanteerd in het kader van het toewijzen van koopwoningen bij een zeer bijzonder medisch geval. [appellant] heeft die mededeling in hoger beroep niet betwist. Tussen partijen is derhalve niet (langer) in geschil dat de door [appellant] gevraagde informatie niet bij het dagelijks bestuur berust. [appellant] kan met het hoger beroep dan ook niet bereiken dat die informatie alsnog aan hem wordt verstrekt. Gelet hierop heeft [appellant] geen belang bij het hoger beroep.

Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij daarbij belang heeft, omdat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur zijn verzoek ten onrechte niet heeft afgewezen en een onjuiste ontvangstdatum heeft vermeld, wordt overwogen dat van de rechter geen uitspraak kan worden gevraagd uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan.

5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2012

611.