Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY0975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
24-10-2012
Zaaknummer
201208803/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Zegge VII" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208803/2/R1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Amsterdam onderscheidenlijk Heeten, gemeente Raalte,

verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Raalte,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Zegge VII" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 oktober 2012, waar [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in uitbreiding van bedrijventerrein "De Zegge" met het bedrijventerrein "De Zegge VII". De uitbreiding omvat een brutovloeroppervlak van ongeveer 31 ha en een nettovloeroppervlak van ongeveer 21 ha.

3. [verzoeker] is mede-eigenaresse van Landgoed Schoonheten met een ligging ten zuiden van het plangebied. Zij voert als bezwaar van formele aard aan dat het onderzoeksrapport "Vraag naar bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak van De Zegge VII" van 25 april 2012 van Stogo Onderzoek+Advies niet aan het plan ten grondslag mag worden gelegd, omdat het na de terinzagelegging van het ontwerpplan is opgesteld en daarmee aan belanghebbenden de mogelijkheid is ontnomen zich daartegen te richten in de zienswijzenfase.

3.1. Dit betoog faalt. Vaststaat dat het onderzoek "Bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak Zegge VII & Blankenfoort-Oost" van september 2008 van Stogo Onderzoek+Advies met het ontwerpplan ter inzage is gelegd en dat belanghebbenden zich in de zienswijzenfase naar aanleiding van dit onderzoeksrapport hebben kunnen richten tegen het aspect behoefte. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid heeft de raad, onder meer in de zienswijze van [verzoeker], aanleiding gezien het onderzoek "Vraag naar bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak van De Zegge VII" van 25 april 2012 van Stogo Onderzoek+Advies te laten opstellen. Dit onderzoek is bij het vastgestelde plan ter inzage gelegd en betreft een actualisatie van het onderzoek van september 2008. Naar het oordeel van de voorzitter valt niet in te zien waarom belanghebbenden door deze handelwijze zouden zijn benadeeld.

4. [verzoeker] betoogt dat de behoefte voor de realisering van bedrijventerrein "De Zegge VII" ontbreekt. Zij voert onder meer aan dat de raad zich niet heeft kunnen baseren op de meest actuele ramingen van de vraag naar bedrijventerrein in Raalte in het onderzoek "Vraag naar bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak van De Zegge VII" van Stogo Onderzoek+Advies van 25 april 2012. Volgens haar moeten die ramingen neerwaarts worden bijgesteld, gelet op de beperkte uitgifte van bedrijventerrein in Raalte in de afgelopen jaren.

4.1. In het onderzoek "Vraag naar bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak van De Zegge VII" van 25 april 2012 is geconcludeerd dat voldoende vraag bestaat naar bedrijventerrein in Raalte voor de realisering van "De Zegge VII". [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat het onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan zich niet daarop heeft mogen baseren. De enkele stelling dat de jaarlijkse uitgifte van bedrijventerrein in Raalte sinds 2001 slechts 1 ha bedroeg, is hiervoor naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van de raad ter zitting dat dit is te wijten aan de omstandigheid dat in de periode 2001 tot 2006 geen bedrijventerrein beschikbaar was om uit te geven. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de vraag naar bedrijventerrein kan fluctueren.

5. [verzoeker] voert voorts aan dat ten onrechte geen prioriteit is gegeven aan herstructurering van bedrijventerrein ten opzichte van de aanleg van nieuw bedrijventerrein. Zij acht dit in strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2009.

5.1. Uit het onderzoek "Vraag naar bedrijventerreinen in Raalte, Nut en noodzaak van De Zegge VII" van 25 april 2012 blijkt dat is onderzocht wat de herstructureringsmogelijkheden zijn van bestaand bedrijventerrein in Raalte. Hieruit blijkt dat op De Zegge I tot en met VI niet of nauwelijks mogelijkheden bestaan om aan ruimte te winnen door herstructurering. Op de locatie Spoorzone-Oost kan wel ruimte ontstaan door herstructurering. Hier ontstaat de komende jaren een maximale ruimtewinst van 5 ha. In de zienswijzennota staat hierover dat desondanks een tekort aan bedrijventerrein in de periode 2012-2020 resteert dat 11,9 ha nettovloeroppervlak bedraagt, uitgaande van een conservatieve raming en 19,4 ha nettovloeroppervlak als rekening wordt gehouden met de extra vraag uit de regio. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2009 onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheden voor herstructurering.

6. [verzoeker] betoogt dat het plan leidt tot een ernstige en onherstelbare aantasting van de te beschermen gebiedswaarden van Landgoed Schoonheten.

6.1. Uit de plantoelichting blijkt dat onderzoek is gedaan naar de aanwezige gebiedswaarden in de omgeving van het plangebied en dat is geconcludeerd dat van een aantasting daarvan geen sprake is. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aangevoerd om dit in twijfel te trekken.

7. [verzoeker] voert aan dat de voorziene bebouwing en de weg langs de buitenrand van het industrieterrein ertoe leiden dat geluidhinder en lichtverstoring optreden voor de vleermuizen die zich bevinden in de havezate en de ijskelder op het landgoed. Verder betoogt zij dat daardoor verstoring optreedt voor rode-lijstsoorten in het gebied De Twieg gelegen op 40 m afstand van het plangebied.

7.1. In de zienswijzennota en de plantoelichting staat dat onderzoek is verricht naar de flora en fauna. In 2007 heeft een uitgebreide veldinventarisatie plaatsgevonden en is onder meer onderzoek verricht naar het voorkomen van vleermuizen, vogels en steenmarters in en rondom het plangebied van "De Zegge VII". Op 6 februari 2009 is voor de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de kerkuil in het plangebied een ontheffing verleend op grond van de Flora- en faunawet. In maart 2010 is nogmaals een veldinventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in en rondom het plangebied. De raad heeft ter zitting verklaard dat op grond van voornoemd onderzoek duidelijk is dat de Flora- en faunawet vanwege eventuele lichtverstoring of geluidsoverlast in de omgeving van het plangebied niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Voorts heeft de raad erop gewezen dat de havezate en de ijskelder zich bevinden op een afstand van ongeveer 2 km van het plangebied. De voorzitter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Flora- en faunawet desondanks aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8. [verzoeker] betoogt dat de aanleg van een houtwal niet op de verbeelding is ingetekend. Zij acht dit in strijd met een gedane toezegging in de zienswijzennota.

8.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen de bepaling dat gebouwen niet eerder worden gebouwd dan nadat een houtwal is aangelegd ter plaatse van de aanduiding "houtwal", met dien verstande dat de aard van de beplanting van de houtwal zodanig is dat:

1. de hoogte van de houtwal binnen vijf jaar na aanplant minimaal 6 m zal bedragen;

2. de breedte van de kruin van de houtopstanden binnen vijf jaar na aanplant minimaal 1,5 m zal bedragen.

8.2. Blijkens de verbeelding is aan gronden met de bestemming "Groen" aan de buitenrand van het bedrijventerrein de aanduiding "houtwal" toegekend. Gelet hierop en artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels is de aanleg van een houtwal - anders dan [verzoeker] betoogt - in het plan verzekerd. Derhalve is geen sprake van strijd met de toezegging hierover in de zienswijzennota.

9. [verzoeker] voert aan dat ten behoeve van het plan ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is opgesteld. In dit verband stelt zij dat de drempelwaarden als genoemd in het

Besluit milieu-effectrapportage worden overschreden als rekening wordt gehouden met het bestaande gedeelte van bedrijventerrein "De Zegge".

9.1. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een MER-plicht moet volgens vaste jurisprudentie worden uitgegaan van hetgeen het plan mogelijk maakt. De gronden met een bedrijfsbestemming, voor zover toegekend aan bestaande bedrijven, dienen daarbij buiten beschouwing te blijven. Vaststaat dat het plan niet voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein met een oppervlakte van 75 hectare of meer. De raad stelt daarom terecht dat de oppervlakte van het aan te leggen bedrijventerrein de drempelwaarden als genoemd in de bijlagen C en D behorend bij het Besluit milieu-effectrapportage niet overschrijdt, zodat op die grond geen MER hoefde te worden gemaakt. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat desondanks een MER had moeten worden gemaakt.

10. [verzoeker] betoogt dat de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding ten onrechte niet inzichtelijk zijn gemaakt.

10.1. Dit betoog faalt. Blijkens de memo "Begrenzing en compenseren waterberging" van DHV Ruimte en Mobiliteit van 5 juli 2005 is onderzoek uitgevoerd naar de waterhuishoudkundige aspecten. [verzoeker] heeft niet aangegeven waarom of dat deze beschrijving ontoereikend is.

11. [verzoeker] betoogt dat de financiƫle uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd.

11.1. In de plantoelichting staat dat het saldo van de kosten en opbrengsten in de exploitatieopzet negatief is, zodat niet alle kosten kunnen worden verhaald. Echter, tevens is vermeld dat het geconstateerde tekort wordt gedekt door een door de raad getroffen voorziening. De voorziening komt ten laste van de algemene reserve grondexploitaties. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervoor onvoldoende financiƫle middelen voorhanden zijn.

12. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Priem

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012

646.