Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY0847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
201207958/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ASIEL. Weigeringsgronden. Een ander Dublinland is verantwoordelijk. Medische omstandigheden in Polen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207958/1/V4.

Datum uitspraak: 8 oktober 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 juli 2012 in zaak nr. 11/40850 in het geding tussen:

(de vreemdeling), mede voor haar drie minderjarige kinderen,

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar en haar kinderen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juli 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling heeft op 9 december 2011 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat zij eerder asielaanvragen in Polen heeft ingediend. Niet in geschil is dat Polen op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan de lidstaat, indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Daarbij is de enkele aanwezigheid van medische aspecten niet voldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden, omdat de medische voorzieningen in de lidstaten in beginsel worden verondersteld vergelijkbaar te zijn en het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich brengt dat er vanuit moet worden gegaan dat de voorzieningen in de lidstaten ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de vreemdeling met concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat, aldus de Vc 2000.

4. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het asielverzoek van de vreemdeling aan zich had dienen te trekken. De rechtbank heeft zijns inziens door aldus te overwegen een eigen oordeel gegeven en de door haar te betrachten terughoudendheid bij de toetsing van de aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening gegeven toepassing niet onderkend.

4.1. Aan de minister komt bij de gebruikmaking van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 3, tweede lid, van de Verordening een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Het is aan de minister om te beoordelen of in het geval van de vreemdeling sprake is van zodanig bijzondere individuele omstandigheden dat het behandelen van haar asielverzoek in de rede ligt. De rechter zal die beoordeling terughoudend dienen te toetsen. Deze terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel van de minister heeft geleid, moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van de minister. Door te overwegen zoals zij heeft gedaan, waarbij de rechtbank haar eigen oordeel over het gewicht van de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden heeft gegeven en niet slechts heeft overwogen dat het besluit van 19 december 2011 niet met de nodige zorgvuldigheid is genomen en niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust, heeft de rechtbank dit niet onderkend. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 19 december 2011 getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

6. De vreemdeling heeft betoogd, onder verwijzing naar een brief van A. Colmans, GGZ-arts, van 20 juni 2012 en de rapporten "The situation of Chechen asylum seekers and refugees in Poland and effects of the EU Dublin II Regulation" van B. Eßer, B. Gladysch en B. Suwelack van februari 2005, "Consideration of reports submitted by States parties under article 40 of the Convenant; Concluding observations of the Human Rights Committee [CCPR/C/POL/CO/6]" van de Mensenrechtencommissie Verenigde Naties van 15 november 2010 en "The situation of Chechen asylum seekers and refugees in Poland" van de Gesellschaft für bedrohte Völker van januari 2011, dat zij en haar oudste zoon medische hulp nodig hebben die in Polen ontbreekt. De minister had volgens haar derhalve gebruik dienen te maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.

6.1. Bij brief van 20 juni 2012 heeft A. Colmans, GGZ-arts, geschreven dat sprake is van een klinisch beeld van een langdurig ernstig getraumatiseerde vrouw tengevolge van traumata van verschillende aard met daarbij een depressieve stoornis. Voorts is er geestelijke en lichamelijke uitputting waardoor de vreemdeling zich zeer moeilijk staande kan houden. Volgens A. Colmans is het gezien de zeer fragiele geestelijke gezondheid en gezien de met de jonge leeftijd van de kinderen samenhangende afhankelijke situatie van de kinderen af te raden om het gezin op dit moment te verplaatsen dan wel terug te laten gaan naar de plaats waar de toestandsbeelden tengevolge van traumata zijn ontstaan. Behandeling is medisch geïndiceerd en moet bestaan uit een individueel psychotherapeutisch traject en systeemtherapie op termijn, aldus A. Colmans.

6.2. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar oudste zoon medische problemen heeft. Hetgeen zij daarover heeft aangevoerd, leidt reeds daarom niet tot het daarmee beoogde doel.

De door de vreemdeling aangehaalde passage uit het rapport "Consideration of reports submitted by States parties under article 40 of the Convenant; Concluding observations of the Human Rights Committee [CCPR/C/POL/CO/6]" van de Mensenrechtencommissie Verenigde Naties van 15 november 2010 heeft betrekking op medische hulp in sommige detentiecentra in Polen. Niet blijkt echter dat vreemdelingen die in het kader van de Verordening aan Polen worden overgedragen bij aankomst in Polen worden gedetineerd. In hetgeen over dat rapport is aangevoerd, is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat dit aan overdracht aan Polen in de weg staat.

In de door de vreemdeling aangehaalde passage uit het rapport van de Gesellschaft für bedrohte Völker, met de titel "The situation of Chechen asylum seekers and refugees in Poland", van januari 2011 is vermeld dat slechts vijf psychologen beschikbaar zijn voor twintig opvangcentra. Hieruit volgt dat de in het rapport "The situation of Chechen asylum seekers and refugees in Poland and effects of the EU Dublin II Regulation" van B. Eßer, B. Gladysch en B. Suwelack van februari 2005 aangehaalde brief van Caritas Warsaw van 22 december 2004, voor zover daarin staat dat er geen psychologen werken in Poolse centra voor asielzoekers en dat er geen echte mogelijkheid is voor asielzoekers om psychologische steun en juiste therapie te verkrijgen, is achterhaald. Uit voormeld rapport van januari 2011 blijkt niet dat, indien nodig, specialistische zorg niet beschikbaar is voor asielzoekers in Polen. Derhalve mocht de minister vasthouden aan zijn uitgangspunt dat de medische voorzieningen in Polen moeten worden geacht vergelijkbaar te zijn met die in Nederland en dat deze voorzieningen, indien nodig, ter beschikking staan voor de vreemdeling. Voor het oordeel dat het standpunt van de minister, dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid het asielverzoek van de vreemdeling aan zich te trekken, de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan, bestaat dan ook geen grond. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen aanleiding bestaat gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening toekomende bevoegdheid de asielaanvraag van de vreemdeling aan zich te trekken. De beroepsgrond faalt.

7. Aan de beoordeling van de andere beroepsgrond die in eerste aanleg naar voren is gebracht, wordt niet toegekomen. Over die beroepsgrond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgrond, dan wel onderdelen van het besluit van 19 december 2011 waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Dientengevolge valt die beroepsgrond thans buiten het geschil.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 juli 2012 in zaak nr. 11/40850;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en N. Verheij en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Sloots

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2012

499.

Verzonden: 8 oktober 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser