Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY0358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
201200801/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 7 januari 2010 heeft het college [appellanten] op straffe van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te Zelhem als hoofdwoonverblijf binnen zes maanden te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/1033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200801/1/A1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Zelhem, gemeente Bronckhorst,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 december 2011 in zaak nr. 11/16 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 januari 2010 heeft het college [appellanten] op straffe van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te Zelhem als hoofdwoonverblijf binnen zes maanden te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluiten van 16 november 2010 heeft het het de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2011, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2012, waar [appellanten], bijgestaan door mr. R. Bennink, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.P. Scheek en A.J. IJsseldijk, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 2-1988 Gemeente Zelhem" op de desbetreffende gronden rustende recreatieve bestemming.

2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de last onduidelijk is.

2.1. Dat betoog faalt. [appellanten] zijn aangezegd het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Daarbij is te kennen gegeven dat dit inhoudt dat de recreatiewoning niet als hoofdwoonverblijf mag worden gebruikt. Dat in de door het college bij besluit van 15 mei 2007 vastgestelde "Beleidsnota onrechtmatige bewoning recreatiewoonverblijven gemeente Bronckhorst" (hierna: de Beleidsnota) is vermeld dat onder hoofdwoonverblijf "het adres dat iemand kiest als het centrum van zijn sociale en maatschappelijke activiteiten" dient te worden begrepen, brengt niet met zich dat het college in de last ten onrechte niet heeft uitgelegd, welke sociale en maatschappelijke activiteiten in de recreatiewoning zijn toegestaan. Dat in de Beleidsnota is vermeld dat recreatief gebruik van de recreatiewoning het hele jaar door is toegestaan, zoals [appellanten] stellen, ziet voorts op recreatief gebruik en heeft de rechtbank derhalve evenmin tot de conclusie geleid dat de last, die op het gebruik als hoofdverblijf ziet, onduidelijk is.

3. Ten tijde van de besluiten van 16 november 2012 stond [appellant A] op het adres [locatie 2]] te Zelhem bij zijn vader in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) ingeschreven en [appellante B] op het adres [locatie 3] te Mariënvelde bij haar oom en tante.

4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet handhavend kon optreden, nu de recreatiewoning niet permanent werd bewoond, maar slechts recreatief gebruikt.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 oktober 2004 in zaak 200401923/1), ligt het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan om de voor het vermoeden dat de planvoorschriften worden overtreden vereiste feiten vast te stellen. Het is vervolgens aan de aangeschrevenen om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2006 in zaak nr. 200505705/1), is het, indien de betrokkene blijkens de GBA op een ander adres dan de recreatiewoning is ingeschreven, aan het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat hij niettemin hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200807369/1), is het feit dat betrokkenen op een ander adres dan dat van de recreatiewoning staan ingeschreven en op het adres, waar zij staan ingeschreven, niet over zelfstandige woonruimte beschikken, een aanwijzing dat zij hun recreatiewoning als hoofdverblijf gebruiken.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200901851/1/H1), draagt het feit een recreatiewoning in aanmerking is gebracht voor hypotheekrenteaftrek bij aan het vermoeden dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.

4.2. Het college stelt dat uit wekelijkse controles die het op het adres [locatie 1] te Zelhem in de periode van oktober 2007 tot en met december 2009 op verschillende dagen en tijdstippen heeft uitgevoerd, blijkt dat [appellanten] in die periode met grote regelmaat in de recreatiewoning verbleven, ook gedurende de herfst en winter, hun auto regelmatig bij de recreatiewoning werd gesignaleerd en de recreatiewoning volledig was ingericht. Voorts heeft het in aanmerking genomen dat [appellanten], hoewel gehuwd, op verschillende adressen staan ingeschreven in de GBA, zij op die adressen niet over zelfstandige woonruimte beschikken, de recreatiewoning voor de jaren 2008 tot en met 2010 in aanmerking hebben gebracht voor hypotheekrenteaftrek en de recreatiewoning een vaste telefoonaansluiting heeft.

4.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de bevindingen van het college het vermoeden rechtvaardigen dat de recreatiewoning door [appellanten] als hoofdverblijf wordt gebruikt.

Voor het oordeel dat, zoals [appellanten] betogen, het college in strijd met de door het college bij besluiten van 15 mei 2007 vastgestelde "Beleidsnota onrechtmatige bewoning recreatiewoonverblijven gemeente Bronckhorst" (hierna: de Beleidsnota) en het "Uitvoeringsplan handhaving onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven gemeente Bronckhorst" (hierna: het Uitvoeringsplan) onvoldoende gegevens heeft vergaard, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden. Uit de Beleidsnota, noch het Uitvoeringsplan vloeit voort dat het college gegevens omtrent de registratie van het aanbieden van huisvuil en foto's van het recreatieverblijf vergaart, alvorens het aannemelijk kan maken dat een recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Hetgeen [appellanten] aanvoeren over de volgens het Uitvoeringsplan aan te houden controlefrequentie, heeft voorts betrekking op de controle tijdens de begunstigingstermijn en niet op de periode, voorafgaand aan de last.

Het door [appellanten] in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht evenmin grond gegeven voor het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de recreatiewoning in de wintermaanden werd gebruikt. Dat de woning in de periode van 16 januari 2009 tot 5 maart 2009 acht keer door een controleur is bezocht en daarbij niemand werd aangetroffen en in de periode van 5 november 2009 tot en met 20 januari 2010 bij controles niemand bij de woning werd aangetroffen, heeft haar terecht niet tot dat oordeel gebracht. Het college heeft in aanmerking mogen nemen dat tegenover de gestelde afwezigheid van [appellanten] in die periodes staat dat [appellante B] tussen 5 en 23 december 2008 twee maal in de recreatiewoning is aangetroffen, [appellant A] tussen 11 maart 2009 en 7 mei 2009 bij zes controles is aangetroffen, in de periode van 18 december 2009 tot 22 februari 2010 verse autobandsporen, een sneeuwvrije plek, waar normaal de auto staat, voetstappen en [appellante B] zijn aangetroffen en dat begin 2010 voorts kratjes bier, een volle afvalbak, een fiets, een bromfiets en een poes bij de recreatiewoning werden aangetroffen.

Dat, zoals [appellanten] stellen, geen foto's van de door de controleurs aangetroffen situaties zijn genomen, heeft de rechtbank voorts terecht niet tot het oordeel geleid dat het college zich niet op de bevindingen van de controles heeft mogen baseren.

Voor het oordeel dat controle van het gebruik van de adressen, waarop [appellanten] in de GBA stonden ingeschreven, noodzakelijk was om aannemelijk te maken dat de recreatiewoning permanent werd bewoond heeft de rechtbank, gelet op de overige bevindingen van het college, terecht evenmin grond gevonden. Bovendien hebben [appellanten] niet gemotiveerd betwist dat zij op deze adressen niet over zelfstandige woonruimte beschikten.

4.4. De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat [appellanten] het vermoeden van permanente bewoning van de recreatiewoning niet hebben ontkracht.

Dat [appellanten], naar zij stellen, bijdroegen in de vaste lasten van het gebruik van de woningen op de adressen, waarop zij in de GBA stonden ingeschreven en zij op deze adressen post ontvingen, geeft geen grond voor dat oordeel.

Ook de gestelde omstandigheid dat de recreatiewoning in eigendom aan [appellant A] is en daaruit volgt dat de belastingaangifte geen aanwijzing is met betrekking tot de permanente bewoning door [appellante B], is niet voldoende om te oordelen dat het college uit de overige indicaties niet mocht afleiden dat [appellante B] de recreatiewoning permanent bewoonde.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college een te korte begunstigingstermijn heeft toegepast.

5.1. Dat betoog slaagt. Volgens de Beleidsnota wordt in een geval als dit een begunstigingstermijn van 12 maanden gehanteerd. De bij de besluiten van 7 januari 2010 toegepaste begunstigingstermijn bedraagt zes maanden. Dat in het Uitvoeringsplan is vermeld dat een begunstigingstermijn van zes maanden wordt gehanteerd en het college heeft gesteld dat het, wat daar verder van zij, in de praktijk altijd een termijn van zes maanden hanteert, levert geen bijzondere omstandigheid op, die afwijking van de volgens de Beleidsnota gehanteerde termijn van 12 maanden rechtvaardigt.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de besluiten van 16 november 2010 gegrond verklaren. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. Het college dient nieuwe besluiten op de door [appellanten] gemaakte bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 december 2011 in zaak nr. 11/16 voor zover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaken tegen de besluiten van 16 november 2010 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 16 november 2010, kenmerken Z16907/UIT10-48002 en Z16909/UIT10-48007;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2012

580.