Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY0144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
201111865/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201207627/1/V3) kan een visum niet worden aangemerkt als een terugkeerbesluit als bedoeld in art. 62a, lid 2 Vw 2000. Dit is niet anders bij een visum dat is verstrekt vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn in de Vw 2000, omdat ook daarin niet de volgens art. 3, aanhef en onder 4, gelezen in samenhang met art. 12, lid 1, en art. 7 van de Terugkeerrichtlijn vereiste schriftelijke administratieve beslissing is vervat dat de vreemdeling na afloop van de geldigheidsduur een terugkeerverplichting wordt opgelegd noch een mededeling van de termijn waarbinnen hij aan deze verplichting moet voldoen. De door de minister gestelde gelijkstelling tussen vrije termijn en vertrektermijn miskent bovendien dat, voordat tot het opleggen van een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig art. 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn kan worden overgegaan, wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en dat deze vaststelling eerst kan plaatsvinden indien het legaal verblijf - in dit geval de vrije termijn - is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111865/1/V3.

Datum uitspraak: 4 oktober 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 13 oktober 2011 in zaak nr. 11/31740 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft de minister de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Bij besluit van 29 september 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 oktober 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het terugkeerbesluit herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Volgens artikel 3, aanhef en onder 4, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder een 'terugkeerbesluit' verstaan: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

Volgens artikel 6, eerste lid, voor zover thans van belang, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied verblijft.

Volgens artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen vastgesteld, onverminderd de in de leden 2 en 4 bedoelde uitzonderingen.

Volgens het tweede lid, voor zover thans van belang, verlengen de lidstaten zo nodig de termijn voor het vrijwillig vertrek met een passende periode, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval.

Volgens het vierde lid kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus is afgewezen, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Volgens artikel 12, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het terugkeerbesluit schriftelijk uitgevaardigd.

3. De vreemdeling is op 27 september 2010 in het bezit van een visum voor kort verblijf, met een geldigheidsduur van 26 september 2010 tot 10 november 2010, Nederland binnengekomen. Hij heeft na afloop van deze termijn (hierna: de vrije termijn) Nederland niet verlaten.

4. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling vanaf 10 november 2010 geen rechtmatig verblijf had, zodat de minister eerst vanaf die datum een vertrektermijn had dienen te geven. Hiertoe voert de minister aan dat de vrije termijn een vertrektermijn is en dat de verplichting tot terugkeer van de vreemdeling na het verstrijken van de vrije termijn is ontstaan.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201207627/1/V3, www.raadvanstate.nl) kan een visum niet worden aangemerkt als een terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 62a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de

Vw 2000). Dit is niet anders bij een visum dat is verstrekt vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn in de Vw 2000, omdat ook daarin niet de volgens artikel 3, aanhef en onder 4, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, en artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn vereiste schriftelijke administratieve beslissing is vervat dat de vreemdeling na afloop van de geldigheidsduur een terugkeerverplichting wordt opgelegd noch een mededeling van de termijn waarbinnen hij aan deze verplichting moet voldoen.

De door de minister gestelde gelijkstelling tussen vrije termijn en vertrektermijn miskent bovendien dat, voordat tot het opleggen van een terugkeerverplichting binnen een daartoe, overeenkomstig artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn, gestelde termijn kan worden overgegaan, wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en dat deze vaststelling eerst kan plaatsvinden indien het legaal verblijf - in dit geval de vrije termijn - is geëindigd.

Grief 1 faalt.

5. De in grief 2 opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 19 januari 2012 in zaak nr. 201111031/1/V2, www.raadvanstate.nl) beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het terugkeerbesluit heeft herroepen en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. De minister dient een nieuw besluit op het door de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit gemaakte bezwaar te nemen.

7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 oktober 2011 in zaak nr. 11/31740, voor zover de rechtbank daarbij het terugkeerbesluit heeft herroepen en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2012

347-654.

Verzonden: 4 oktober 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser