Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX9721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
201201329/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bunderhof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201329/1/R4.

Datum uitspraak: 10 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichtingen Stichting Wijkteam Plaswijck en Stichting Behoud Leefomgeving Wervenbuurt, beide gevestigd te Gouda (hierna tezamen en in enkelvoud: de Stichting),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Bunderhof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. M.V.A. Pohlkamp, bijgestaan door H.G. van der Weijden en ir. R.P.J.H. Struijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Th. L. van Deursen, ir. J. Tijssen, en J. Oosterbaan, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de oprichting van 35 woningen in het gebied gelegen tussen de bebouwde percelen aan de Zoutmansweg en de woonwijk Bloemendaal in Gouda.

De Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is van toepassing op het bestreden besluit.

2. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroepschrift, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2012, niet voldoet aan artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat het geen beroepsgronden bevat. Artikel 1.6a van de Chw staat er volgens de raad aan in de weg om na afloop van de beroepstermijn nog beroepsgronden aan te voeren, zodat volgens hem het aanvullend beroepschrift van 2 maart 2012 buiten beschouwing moet worden gelaten en het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 1.6a kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

2.2. In het beroepschrift, bij de Raad van State tijdig ingekomen op 2 februari 2012, is onder andere vermeld dat volgens de Stichting in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met compenserende en mitigerende maatregelen inzake natuurvriendelijke oevers aan de Omloopkade en inzake bescherming van de ringslang. Daarnaast is volgens het beroepschrift geen rekening gehouden met de gevolgen van en aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het opheffen van de onderbemalingen. Verder is in het beroepschrift vermeld dat volgens de Stichting het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat het in strijd is met een zorgvuldige voorbereiding van een besluit en een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt verwezen naar artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Naar het oordeel van de Afdeling bevat het beroepschrift de gronden van het beroep en voldoet het beroepschrift hiermee aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.

Hetgeen bij brief van 2 maart 2012 is aangevoerd, betreft, anders dan de raad meent, een nadere uitwerking en onderbouwing van de hiervoor vermelde door de Stichting ingediende beroepsgronden. Artikel 1.6a van de Chw verzet zich er niet tegen dat een nadere uitwerking en onderbouwing van een tijdig ingediende beroepsgrond bij de behandeling van het beroep wordt betrokken. De Afdeling ziet in zoverre dan ook geen aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

3. De Stichting betoogt dat het plan de natuurhistorische verbindingszone van de Reeuwijkse plassen naar het Groene Hart aantast, waardoor het leefgebied van de ringslang onevenredig wordt ingeperkt. Volgens de Stichting is de aan het plan ten grondslag gelegde door Groenteam opgestelde "Natuurtoets bouwlocatie De Bunderhof te Reeuwijk-Brug" van 22 juli 2008 ondeugdelijk. Zij voert daartoe aan dat het onderzoek te summier is geweest en dat niet duidelijk is wanneer het veldonderzoek heeft plaatsgevonden. Verder betwist zij de conclusie in de natuurtoets dat het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de ringslang, maar alleen wordt gebruikt door ringslangen om te zonnen. Volgens haar is deze conclusie onvoldoende onderbouwd en blijkt uit waarnemingen van ringslangen ter plaatse dat het plangebied wel degelijk deel uitmaakt van het leefgebied van de ringslang. De Stichting voert in dat kader aan dat het plangebied met de daaromheen liggende watergangen ook geschikt is als leefgebied voor de ringslang.

Verder voert de Stichting aan dat de biotoop van de ringslang in Gouda en Reeuwijk stelselmatig afneemt, doordat steeds een klein deel van het leefgebied van de ringslang verloren gaat door diverse ontheffingsaanvragen. Volgens haar heeft de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) aanbevolen om kerngebieden aan te wijzen waarin de ringslang duurzaam wordt beschermd. Zolang deze gebieden nog niet zijn aangewezen, is het volgens de Stichting van belang dat zorgvuldig onderzoek wordt verricht naar de gevolgen van een project voor de ringslang.

Voorts voert de Stichting aan dat het aantal voorziene woningen ten opzichte van het plan dat in 2008 als basis heeft gediend voor de verleende ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor de ringslang, is verdubbeld. Volgens haar is het daarom extra van belang dat wordt voldaan aan de voorwaarde in het ontheffingsbesluit van 4 november 2008 dat natuurlijke oevers moeten worden gerealiseerd om het gebied toegankelijk te houden voor ringslangen. Zij wijzen erop dat er begin 2012 is begonnen met het bouwrijp maken van het plangebied, waardoor het gebied grotendeels is bedolven met zand. Daarbij is geen rekening gehouden met de winterslaap van de ringslang, aldus de Stichting.

3.1. Bij besluit van 4 november 2008 heeft de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onder voorwaarden ontheffing verleend op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 voor zover het de ringslang betreft.

3.2. De raad dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan te onderzoeken of op voorhand in redelijkheid te verwachten is dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was een onherroepelijke ontheffing op grond van de Flora- en faunawet verleend voor de periode van 1 november 2008 tot en met 1 maart 2012.

Naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen over de gevolgen van het plan voor de ringslag, het waterpeil en de bomen op de Omloopkade heeft de raad opdracht gegeven aan Groenteam om dit te onderzoeken en te reageren op deze zienswijzen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie van 8 november 2011, die als bijlage 3 is gevoegd bij de Nota van beantwoording zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan "De Bunderhof". In de notitie is vermeld dat de ecologische functionaliteit van het plangebied voor de ringslang uiterst beperkt is. De Omloopkade is volgens de notitie de laatste jaren minder aantrekkelijk geworden voor ringslangen. Verder beschikt de ringslang volgens de notitie over voldoende aanpassingsvermogen om alternatieven voor de opwarmfunctie te vinden. Volgens de notitie kan het plangebied dan ook niet worden aangemerkt als een vaste rust- of verblijfplaats van de ringslang. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de resultaten in deze notitie.

3.3. Onder voornoemde omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand geen grond is om aan te nemen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Overigens staat in de overwegingen bij het besluit van 14 maart 2012, waarin een besluit is genomen op het handhavingsverzoek met betrekking tot mogelijke overtreding van de Flora- en faunawet inzake het project "De Bunderhof en het biotoop van de ringslang" van Stichting Wijkteam Plaswijck, vermeld dat een nieuwe ontheffingsaanvraag niet aan de orde is. Dit, omdat er geen verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet worden overtreden en het plangebied op het moment van het nemen van het besluit van 14 maart 2012 niet toegankelijk is voor ringslangen.

3.4. Het aangevoerde met betrekking tot het niet naleven van de aan de ontheffing verbonden voorwaarde dat natuurvriendelijke oevers met extensief beheerde taluds aangelegd dienen te worden in het zuidelijk openbare deel van het plangebied, kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu de ontheffing geen onderwerp vormt van deze procedure over het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor hetgeen is aangevoerd over het niet naleven van de aan de ontheffing verbonden voorwaarden ten aanzien van de uitvoering van het project.

4. De Stichting voert aan dat door de beëindiging van de onderbemaling in het plangebied en de toename van het te verharden oppervlak door de realisering van 35 woningen het waterpeil zal stijgen. Volgens de Stichting wordt niet voldaan aan het creëren van 15 procent waterberging, zoals wordt voorgeschreven door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Door de verhoging van het waterpeil zal volgens de Stichting schade worden aangericht aan de begroeiing van de Omloopkade. Daarnaast zal de verhoging van het waterpeil leiden tot verzakkingen en veenrot in de bodem van deze kade. Om de schade te compenseren moet de kade worden opgehoogd en moeten natuurvriendelijke oevers worden aangelegd, aldus de Stichting. Volgens de Stichting is niet duidelijk wie de kosten van deze werkzaamheden zal betalen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan 15 procent oppervlaktewater wordt gecreëerd ten behoeve van de waterberging. Verder stelt de raad dat het waterpeil in het plangebied gelijk is aan het waterpeil aan de westzijde van de Omloopkade. Mogelijke schade door stijging van het waterpeil vanwege het stopzetten van de onderbemaling wordt volgens de raad niet veroorzaakt door het plan, zodat een ophoging van de Omloopkade vanwege het plan niet aan de orde is. De verhoging van het waterpeil leidt volgens de raad niet tot verzakking. Daarbij verwijst de raad naar de eerder genoemde notitie van Groenteam van 8 november 2011, waarin is vermeld dat de onderbemaling is gestopt en dat daarom de stijging van het waterpeil reeds is ingetreden. Wat betreft het effect van de stijging van het waterpeil op de bomen op de Omloopkade stelt de raad dat in de notitie wordt opgemerkt dat de meeste aanwezige bomen vochtminnende bomen zijn en daarom wellicht weinig effect ondervinden van een stijging van het waterpeil.

4.2. In hoofdstuk 5 van de plantoelichting wordt ingegaan op het ten behoeve van het plan door Geofox-Lexmond B.V. verrichte waterhuishoudkundig onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Waterhuishoudkundig Plan Reeuwijk, perceel B2827 (De Bunderhof)" van 12 november 2010. In de toelichting is vermeld dat als gevolg van het plan de verharde oppervlakte zal toenemen met 6.274 m2. Op basis van de door het Hoogheemraadschap van Rijnland gehanteerde regel dat 15 procent van het toegenomen verharde oppervlak ter compensatie dient te worden aangelegd als oppervlaktewater, dient in dit geval 941 m2 oppervlaktewater te worden aangelegd. Daartoe is volgens de toelichting in het plan opgenomen dat de bestaande watergang aan de westzijde wordt verbreed en wordt aangesloten op het oppervlaktewatersysteem. Volgens de toelichting wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de 15 procent regel van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

4.3. Op de verbeelding is de verbrede watergang weergegeven. In het deskundigenbericht wordt bevestigd dat wordt voldaan aan de eis om 15 procent te compenseren door de aanleg van het oppervlaktewater. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het plangebied onvoldoende watercompensatie wordt gerealiseerd. Overigens heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland op 27 december 2011 ten behoeve van de uitvoering van het plan een vergunning op grond van de Waterwet verleend.

4.4. Ten aanzien van de gestelde schade als gevolg van de stijging van het waterpeil en de in dat kader volgens de Stichting te treffen maatregelen, wat daar ook verder van zij, overweegt de Afdeling dat deze gronden geen betrekking hebben op het plan zelf, maar op uitvoeringswerkzaamheden. Uitvoeringsaspecten kunnen in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen.

5. De Stichting heeft haar betoog dat geen rekening is gehouden met de relatie met andere projecten in de omgeving, de bebouwingsoppervlakte en cultuurhistorische aspecten niet nader onderbouwd. Het betoog faalt reeds daarom.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012

590.