Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX9292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
201111807/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hetgeen is aangevoerd zijn echter geen op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen in het kader van art. 3.109, lid 5 van het Vb 2000. Voor toetsing van het besluit van 6 oktober 2011 aan voormelde bepaling is dan ook geen plaats. Niet kan derhalve worden toegekomen aan de vraag of de vreemdeling gelet op art. 3.109, lid 5 van het Vb 2000 een medisch onderzoek aangeboden had moeten worden. Omdat deze vraag daarom niet ter beoordeling van de voorzieningenrechter stond, heeft deze in het niet aanbieden daarvan dan ook ten onrechte aanleiding gezien het besluit te vernietigen, zoals de minister, zij het op andere gronden, terecht betoogt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111807/1/V2.

Datum uitspraak: 28 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 7 november 2011 in zaak nrs. 11/31190 en 11/31187 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, alsmede geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 november 2011 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de grief betoogt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bepaalde in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) onverkort geldt, indien een opvolgende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend. Hij voert daartoe aan dat het medisch onderzoek deel uitmaakt van de rust- en voorbereidingstermijn en dat hij, nu deze termijn niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die eerder een asielaanvraag hebben ingediend, niet gehouden was voormeld onderzoek aan te bieden.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 8 augustus 2009, een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 28 oktober 2010 is deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is van gelijke strekking als het besluit van 26 september 2011, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.4. Aan de thans voorliggende aanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat hij uit angst voor de Taliban tijdens de vorige procedure niet heeft durven verklaren dat hij door hen in Afghanistan is ontvoerd en vastgehouden. Nadat zijn moeder is overleden, had hij niets meer te verliezen en durfde hij over de ontvoering te verklaren. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de veiligheidssituatie in zijn land van herkomst is verslechterd vanwege spanningen tussen soennieten en sjiieten. Tot slot heeft hij gesteld dat hij, omdat hij behoort tot de Hazara-bevolkingsgroep, een verhoogd risico loopt.

2.5. Daargelaten dat zijn moeder reeds ten tijde van de vorige procedure is overleden, valt niet in te zien dat de vreemdeling, die in Nederland asiel heeft aangevraagd en van wie aangenomen mag worden dat hij voldoende vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten stelt om hun de medewerking te verlenen die nodig is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de ontvoering en vasthouding niet bij zijn eerdere aanvraag naar voren had kunnen en derhalve had behoren te brengen. De door de vreemdeling gestelde vrees voor de Taliban is reeds daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als hiervoor onder 2.2 bedoeld.

2.6. Bij zijn aanvraag heeft de vreemdeling, ter staving van zijn betoog dat de algemene situatie in Afghanistan zodanig is verslechterd dat hij thans recht heeft op een verblijfsvergunning asiel, verwezen naar passages uit het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van 17 december 2010 "UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan", het rapport van het Afghanistan NGO Safety Office (hierna: ANSO) van 30 juni 2010, het bericht van ANSO van 1 april 2011, het rapport van

D-A-CH Kooperation Asylwesen Deutschland Österreich Schweiz van maart 2011 "Sicherheitslage in Afghanistan", het Human Rights Watch World Report 2011 van 24 januari 2011, het rapport van het Congressional Research Service van 3 februari 2011 "Afghanistan Casualties: Military Forces and Civilians", het raport van het US Department of Defense van april 2011 en het rapport van de International Crisis Group van 27 juni 2011.

2.7. Uit de door de vreemdeling overgelegde en aangehaalde stukken blijkt dat in Afghanistan sprake is van een zodanig verslechterde algemene veiligheidssituatie ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 6 oktober 2010, dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze situatie kan afdoen aan dat eerdere besluit. Het besluit van 26 september 2011 kan worden getoetst, voor zover deze veranderde veiligheidssituatie daartoe noopt.

2.8. In hetgeen is aangevoerd zijn echter geen op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen in het kader van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000. Voor toetsing van het besluit van 6 oktober 2011 aan voormelde bepaling is dan ook geen plaats. Niet kan derhalve worden toegekomen aan de vraag of de vreemdeling gelet op artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000 een medisch onderzoek aangeboden had moeten worden. Omdat deze vraag daarom niet ter beoordeling van de voorzieningenrechter stond, heeft deze in het niet aanbieden daarvan dan ook ten onrechte aanleiding gezien het besluit te vernietigen, zoals de minister, zij het op andere gronden, terecht betoogt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 6 oktober 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.7 is overwogen.

3.1. De Afdeling heeft eerder (bij uitspraak van 14 februari 2012, zaak nr. 201112260/1/V1, www.raadvanstate.nl) overwogen dat de minister in het in die zaak aan de orde zijnde besluit deugdelijk had gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Ghazni ten tijde van belang voor de betrokken vreemdeling niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat die vreemdeling, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, bedoeld in artikel 29, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000.

3.2. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat de situatie in Ghazni ten tijde voor hem van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de hiervoor vermelde uitspraak van 14 februari 2012 aan de orde was. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling overgelegde stukken geen grond bieden voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de provincie Ghazni, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico liep op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 bedoelde ernstige en individuele bedreiging. De beroepsgrond faalt.

3.3. Voor zover de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij, omdat hij tot de Hazara-bevolkingsgroep behoort in de provincie Ghazni, door de verslechterde algemene veiligheidssituatie aldaar een verhoogd risico loopt, blijkt uit de door hem overgelegde en aangehaalde stukken niet dat die verslechtering in het bijzonder de positie van Hazara's in Ghazni raakt. De beroepsgrond faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 7 november 2011 in zaak nr. 11/31187;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012

284-664.

Verzonden: 28 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser