Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201111946/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning voor het kappen van maximaal 145 bomen.

Ingevolge art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in verbinding met art. 20, lid 3, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, is voor het rooien van bomen, waarbij stobben worden verwijderd, een omgevingsvergunning (voorheen: aanlegvergunning) vereist. Mede in aanmerking nemend het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan het besluit van 10 mei 2011 ten grondslag is gelegd, moet worden geoordeeld dat daarvoor echter geen vergunning is verleend. Daaruit volgt dat de verleende vergunning slechts ziet op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in samenhang met art. 2, lid 1 van de Verordening.

Het kappen van kruinen en stammen, inclusief het verwijderen van de stobben, is zowel een in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, als een in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g, van de Wabo bedoelde activiteit. De desbetreffende activiteiten hangen onlosmakelijk samen, zodat de aanvraag ingevolge art. 2.7, lid 1 van de Wabo ook betrekking zou moeten hebben op de activiteit, als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b. De aanvraag ziet echter alleen op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g. Het college had de gemeente met toepassing van art. 4:5 van de Awb daarom de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met art. 2.7, lid 1, buiten behandeling dienen te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2012/156 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5060
JBO 2012/147 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111946/1/A1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Leiden en [appellant B], wonend te Maassluis, appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/5165 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2010 heeft het college aan de gemeente Leiden omgevingsvergunning verleend voor het kappen van maximaal 145 bomen op het perceel, plaatselijk bekend Joop Vervoornpad, Tuin van Noord.

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en dat van 20 december 2010 herroepen, voor zover daarbij vergunning is verleend voor het kappen van de 45 bomen die niet in de tekeningen 10-397 en 10-IB-412 zijn opgenomen, bepaald dat de aanvraag wat betreft die bomen buiten behandeling wordt gesteld en de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en C. Bengoua en ing. S. van den Berg, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover thans van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die tot verschillende categorieën activiteiten, als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, behoort, er onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Bomenverordening 1996 van de gemeente Leiden (hierna: de Verordening) wordt daarin onder vellen verstaan: het rooien met inbegrip van het verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige (vorm-)beschadiging of ernstige ontsiering van een boom, een boomgroep of een houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een boom of houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren, dan wel onder voorschriften verlenen, in het belang van:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stadsschoon;

e. waarden voor recreatie en leefbaarheid;

f. dendrologische waarden en

g. kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte door het verplaatsen of verwijderen van bomen of houtopstanden.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leiden Noord" (hierna: het bestemmingsplan) zijn de gronden, waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft, aangewezen als "gebied met een middelhoge archeologische verwachting".

Ingevolge artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verboden die gronden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders bomen te rooien, waarbij stobben worden verwijderd.

2. Met betrekking tot het betoog van het college dat het belang van [appellant A] en [appellant B] bij het hoger beroep is komen te vervallen, wordt overwogen dat niet in geschil is dat elf van de op de tekeningen 10-397 en 10-IB-412 ingetekende bomen nog niet gekapt zijn en bovendien in de Verordening een terugplantplicht, dan wel de verplichting een financiële vergoeding te betalen, is geregeld. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B] geen belang hebben bij het hoger beroep.

3. [appellant A] en [appellant B] hebben de hogerberoepsgrond ten aanzien van de bepaling van het aantal in de vergunning vermelde bomen ter zitting ingetrokken.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning niet tevens betrekking heeft op het uitvoeren van werk of werkzaamheden, voor het uitvoeren waarvan ingevolge artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan aanlegvergunning is vereist.

4.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, is voor het rooien van bomen, waarbij stobben worden verwijderd, een omgevingsvergunning (voorheen: aanlegvergunning) vereist. Mede in aanmerking nemend het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Leiden van 9 mei 2011 dat aan het besluit van 10 mei 2011 ten grondslag is gelegd, moet worden geoordeeld dat daarvoor echter geen vergunning is verleend. Daaruit volgt dat de verleende vergunning slechts ziet op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

4.2. Het kappen van kruinen en stammen, inclusief het verwijderen van de stobben, is zowel een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, als een in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo bedoelde activiteit. De desbetreffende activiteiten hangen onlosmakelijk samen, zodat de aanvraag ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo ook betrekking zou moeten hebben op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b. De aanvraag ziet echter alleen op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g. Het college had de gemeente met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht daarom de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, buiten behandeling dienen te stellen.

4.3. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Verordening omvat vellen ook het verrichten van ondergrondse handelingen die de dood van de boom tot gevolg kunnen hebben. Daaronder wordt aldus ook het verwijderen van de stobben begrepen. Volgens het aanvraagformulier heeft de gemeente om toestemming voor het vellen van de 145 bomen gevraagd. [appellant A] en [appellant B] betogen derhalve terecht dat tevens vergunning is verleend voor het verwijderen van de stobben. Dat het college te kennen heeft gegeven dat de stobben niet zullen worden verwijderd, dan nadat alsnog toestemming voor deze activiteit is verleend, doet daaraan niet af, omdat uit de aanvraag niet blijkt dat bedoeld is alleen omgevingsvergunning aan te vragen voor het kappen van de bomen, zonder dat daarbij de stobben worden verwijderd en in de bij besluit van 20 december 2010 verleende omgevingsvergunning het verwijderen van de stobben niet is uitgesloten.

Het betoog slaagt.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen evenzeer terecht dat de rechtbank hun ten onrechte geen vergoeding van de in bezwaar bij hen opgekomen kosten van rechtsbijstand ten laste van het college heeft toegekend, nu het beroep gedeeltelijk gegrond is verklaard, het besluit van 20 december 2010 is herroepen en [appellant A] en [appellant B] in bezwaar om vergoeding van die kosten hadden verzocht. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

6. Aan de behandeling van de overige gronden van [appellant A] en [appellant B] wordt, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen, niet toegekomen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van het college van 10 mei 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de in bezwaar en in hoger beroep bij [appellant A] en [appellant B] opgekomen proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 oktober 2011 in zaak nr. 11/5165;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 10 mei 2011, kenmerk 2011-1356;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leiden tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthondervierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leiden tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthondervierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Leiden aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, waarbij betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

357-724.