Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201112541/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college de aanvraag van de vennootschap om subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112541/1/A2.

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Adaptive and Mobile B.V., gevestigd te Breda,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2011 in zaak nr. 11/39 in het geding tussen:

de vennootschap

en

de leden van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gezamenlijk, in hun hoedanigheid van de managementautoriteit (thans: de beheersautoriteit) van het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college de aanvraag van de vennootschap om subsidie afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft het college het door de vennootschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank het door de vennootschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.M. Schothuis en V.M.C. Ketelaars, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Brabant, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De aanvraag om subsidie is ingediend in het kader van het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (OP-Zuid). Dit is een gezamenlijk subsidieprogramma van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland samen met een aantal steden uit die provincies voor activiteiten die medegefinancierd worden uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (hierna: het EFRO).

1.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit EFRO programmaperiode 2007-2013 (Stb. 2007, 387; hierna: het Besluit EFRO) wordt de managementautoriteit voor het Europees programma dat zich richt op het grondgebied van de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland gevormd door de leden van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gezamenlijk. Deze managementautoriteit is een bestuursorgaan van de provincie Noord-Brabant.

Ingevolge artikel 6 is de managementautoriteit het bestuursorgaan dat voor uitvoering van door de minister aangewezen Europese programma's op aanvraag kan besluiten tot subsidieverlening ten laste van het EFRO.

 

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007-2013 wordt als Europees Programma, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 4, van het Besluit EFRO, aangewezen het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)2604), op 27 juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van deze regeling gedelegeerd aan de managementautoriteit van het desbetreffende programma, genoemd in artikel 1.

Ingevolge het tweede lid kan de managementautoriteit van het programma, genoemd in artikel 1, op aanvraag subsidie verlenen aan degene die een project tot stand brengt dat past in dat programma.

1.2. Ingevolge artikel 1.3, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling operationeel programma Zuid-Nederland kan subsidie worden verleend voor activiteiten gericht op het versterken van de innovativiteit van de Zuid-Nederlandse economie in het algemeen en de positie van Zuid-Nederland als toptechnologische regio in het bijzonder.

Ingevolge artikel 1.5, tweede lid, aanhef en onder d, wordt onverminderd het eerste lid, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.3, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de subsidiabele activiteit is gericht op het stimuleren van innovatie.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de OP-Zuid Innovatieregeling 2007-2013 (OPZ-IR) (hierna: de OPZ-IR) wordt onder de Deskundigencommissie verstaan: een groep van vertegenwoordigers van kennis-/researchinstellingen, bedrijfsleven (MKB en groot) en banken, eventueel aangevuld met auditoren vanuit de financierende instanties, die de aanvragen inhoudelijk beoordeelt. De beoordeling van de Deskundigencommissie is kwalitatief en derhalve niet onderworpen aan kwantitatieve of afdwingbare normstellingen. De aspecten waarop de leden toetsen zijn mate van innovativiteit, marktperspectief, 'bewezen' ondernemerschap, de beschermbaarheid van de ontwikkelde kennis, de technische en commerciële haalbaarheid, het economisch perspectief (de te verwachten effecten op de concurrentiepositie en continuïteit van de onderneming) en (indien daarvan sprake is) het (strategisch) belang van een samenwerkingsverband. Tevens toetst de Deskundigencommissie op aanvaardbaarheid van de begroting, onder andere op onderbouwing van bedragen en verhoudingen tussen kostensoorten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft de regeling tot doel: versterking economische structuur in Zuid Nederland door bedrijven in staat te stellen innovatieve en risicovolle ontwikkelingsprojecten door te voeren die leiden tot een betere concurrentiepositie, versterking van het innovatiepotentieel en een structurele toename van de bedrijfsactiviteit. Dergelijke projecten moeten leiden tot nieuwe, breed vermarktbare producten, diensten, processen, welke tevens leiden tot (productie-) werkgelegenheid in de regio, dus primair zijn gericht op experimentele ontwikkeling. Hierbij is een deel industrieel onderzoek mogelijk, mits van ondergeschikt belang. Fundamenteel onderzoek is uitgesloten van deze regeling.

In bijlage B bij de OPZ-IR is een procedurebeschrijving OPZ IR opgenomen. Daarin is onder meer beschreven dat de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en Syntens ondersteuning verlenen bij het ontwikkelen en complementeren van de aanvraag en het projectplan. Tevens beoordelen zij wanneer een aanvraag gereed is voor de Deskundigencommissie en zetten zij de aanvraag op de agenda van deze commissie. Voorts is in de procedurebeschrijving vermeld dat de beoordeling en het advies van de Deskundigencommissie wordt vastgelegd in een verslag en dat het college vervolgens op de aanvraag beslist.

2. De vennootschap heeft op 21 maart 2009 in het kader van het subsidieprogramma OP-Zuid een aanvraag om een subsidie voor het project "Digitalen dienstencheques" ingediend. Zij heeft deze aanvraag aangepast en daarbij onder meer de naam van het project gewijzigd in "Projectplan Innovatie ICT in de productie, fieldservices en logistieke bedrijfssectoren". De aanvraag is ter advisering voorgelegd aan de externe Deskundigencommissie Zuidwest. Deze commissie heeft op

25 augustus 2009 en 8 december 2009 een negatief advies uitgebracht. Vervolgens heeft op verzoek van de vennootschap op 12 maart 2010 een gesprek plaatsgevonden met twee leden van de commissie. Dit gesprek heeft niet geleid tot een ander advies.

Het college heeft de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag gebaseerd op het negatieve advies van de Deskundigencommissie. De commissie heeft geconcludeerd dat de kernontwikkeling van het product reeds is afgerond. Een aanmerkelijk deel van de opgevoerde activiteiten valt onder de reguliere bedrijfsvoering en komt niet in aanmerking voor subsidie. Het overige deel van het project betreft met name implementatietrajecten. Het betreft een heel generieke, toepasbare softwarecomponent, aldus de commissie.

3. Het betoog van de vennootschap dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor de conclusie dat bij een of meerdere leden van de Deskundigencommissie sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling, faalt. De wijze van invulling van de commissie en de advisering door de commissie is erop gericht belangenverstrengeling te voorkomen. Zo wordt de commissie in overleg en samenwerking met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en Syntens samengesteld. Daarbij wordt gekeken naar kennis van sectoren waarop de regeling zich richt, kennis van de regio en van het bedrijfsleven in het algemeen, ervaring, maatschappelijke betrokkenheid en de territoriale verdeling binnen het OP-Zuidgebied. Verder komen de adviezen bij meerderheid van stemmen tot stand. Voorts heeft de rechtbank bij de door de vennootschap gestelde belangenverstrengeling bij het commissielid J. Keustermans terecht van belang geacht dat de vennootschap op de hoorzitting van het college heeft verklaard niets te hebben gevonden over dit commissielid dat de schijn wekt van belangenverstrengeling. Ook thans heeft de vennootschap niets aangevoerd waaruit die gestelde belangenverstrengeling blijkt. De rechtbank heeft voorts terecht in de opmerking van de vennootschap dat het commissielid G. van Liere directeur is bij het bedrijf Unitron dat voor het project Brainport 2009 subsidie heeft gekregen in het kader van de OP-Zuid 1-regeling om bedrijven die door de crisis in ernstige problemen waren geraakt te ondersteunen, geen reden gezien voor het oordeel dat sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling. Het project Brainport zit in een ander segment en is daarom geen concurrentie voor het project van de vennootschap. Voorts bestond de in het kader van dat project aan noodlijdende bedrijven verstrekte subsidie niet uit geld, maar uit adviezen. De stelling van de vennootschap dat er bij de leden van de Deskundigencommissie dwarsverbanden aanwezig zijn en dat bepaalde technieken en producenten worden voorgetrokken, had voor de rechtbank evenmin reden moeten zijn voor het oordeel dat sprake is van belangenverstrengeling, aangezien de vennootschap haar stelling op generlei wijze heeft onderbouwd.

4. De vennootschap betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen grond gezien heeft voor het oordeel dat het advies van de Deskundigencommissie onzorgvuldig tot stand gekomen is. Bij de behandeling van de door de vennootschap ingediende aanvraag om subsidie is de procedurebeschrijving gevolgd, zoals die is opgenomen in bijlage B bij de OPZ-IR. De aanvraag is in ontvangst genomen door de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij en door Syntens. Uit de procedurebeschrijving bij de OPZ-IR volgt dat zij belast zijn met ondersteuning bij het ontwikkelen en complementeren van de aanvraag en het projectplan. In deze fase is de aanvraag aangepast door de vennootschap en is de naam gewijzigd in "Projectplan Innovatie ICT in de productie, fieldservices en logistieke bedrijfssectoren". Deze aangepaste aanvraag is ter advisering aan de Deskundigencommissie voorgelegd en ter besluitvorming aan het college. Anders dan de vennootschap stelt, is haar aanvraag niet beoordeeld door slechts twee leden van de commissie. De aanvraag is beoordeeld door de voltallige commissie en dat heeft geleid tot haar voor de vennootschap negatieve adviezen van 25 augustus 2009 en 8 december 2009. Vervolgens heeft op verzoek van de vennootschap op 12 maart 2010 een gesprek plaatsgevonden met twee leden van de Deskundigencommissie, te weten Keustermans en Van Liere. Hiermee is in aanvulling op de in bijlage B bij de OPZ-IR voorziene procedure de vennootschap een extra gelegenheid geboden haar projectplan toe te lichten. Deze twee commissieleden hebben geconcludeerd dat het gesprek niet heeft geleid tot nieuwe inzichten en de commissie heeft hun voorstel om een definitief negatief advies over de subsidieaanvraag van de vennootschap te geven, gevolgd. Gelet op deze gevolgde procedure, kan niet worden gezegd dat het negatieve advies van de Deskundigencommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat het advies positief had moeten zijn volgens de vennootschap, is geen grond om te oordelen dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

5. De vennootschap kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de adviezen onjuist zijn en dat het project wel innovatief is. De Deskundigencommissie heeft in haar advies geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat het project innovatief is. Volgens de commissie is de kernontwikkeling van het product reeds afgerond en valt een aanmerkelijk deel van de opgevoerde activiteiten onder de reguliere bedrijfsvoering en komen deze niet in aanmerking voor subsidie. Het overige deel van het project betreft met name implementatietrajecten. Het betreft een heel generieke, toepasbare softwarecomponent, aldus de commissie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de door de vennootschap gegeven toelichting op het project kan worden afgeleid dat de ontwikkeling van het product reeds is afgerond en verder dient te worden geïmplementeerd en dat de brief van dr. Farhad Arbab, verbonden aan het Centrum Wiskunde & Informatica, van 25 maart 2010 het advies van de Deskundigencommissie niet weerspreekt. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het advies van de Deskundigencommissie onjuist is.

6. Anders dan de vennootschap betoogt, was de Deskundigencommissie niet gehouden het verslag van het gesprek van

12 maart 2010, zoals vervat in de desbetreffende e-mail van Keustermans, aan de vennootschap voor te leggen voor het maken van opmerkingen. Nu de inhoud daarvan valt onder de deskundigheid van de Deskundigencommissie, heeft de rechtbank terecht in de inhoud van die e-mail geen aanknopingspunt gezien om te twijfelen aan de juistheid van het advies.

7. Het betoog van de vennootschap dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, omdat de OPZ-IR is gebruikt voor bedrijven die in de problemen kwamen tijdens de financiële crisis in 2008, faalt. Aangezien de vennootschap in beroep zijn stelling dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun niet heeft onderbouwd, heeft de rechtbank aan die stelling voorbij kunnen gaan. De vennootschap heeft haar stelling ook in hoger beroep niet onderbouwd.

8. Tot slot kan de door de vennootschap in hoger beroep gegeven toelichting op de schade die zij stelt te lijden, niet tot het oordeel leiden dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Aangezien de vennootschap ermee rekening had moeten houden dat haar aanvraag zou kunnen worden afgewezen en uit het vorenoverwogene volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de afwijzing van de subsidieaanvraag van de vennootschap niet in stand kan blijven, kan de door de vennootschap gestelde schade niet worden toegerekend aan het college. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

609.