Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201201088/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een reeds bestaand bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201088/1/A1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 december 2011 in zaak nr. 11/4878 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een reeds bestaand bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 20 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2012, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. ten Bruin, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

1. Deze procedure heeft uitsluitend betrekking op de vraag, of het college terecht aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning heeft verleend. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd over de bij besluit van 1 april 2004 aan stichting De Parels verleende bouwvergunning is thans niet aan de orde en dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Van spoorbrug tot Sluis", omdat op het perceel de bestemming "Erven" rust en ingevolge de bij die bestemming behorende planvoorschriften geen gebouwen als het onderhavige zijn toegestaan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wabo omgevingsvergunning verleend.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat het college de door hen tegen het ontwerp van het besluit van 11 augustus 2011 ingebrachte zienswijzen onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte niet op alle zienswijzen is ingegaan.

3.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de reactie van het college op de door [appellanten] tegen het ontwerp van het besluit van 11 augustus 2011 ingebrachte zienswijzen onvolledig dan wel onjuist is. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de zienswijzen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 11 augustus 2011 niet voldoende is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

4. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verleende omgevingsvergunning afwijkt van de ingediende aanvraag. Hiertoe voeren zij aan dat uit de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen blijkt dat deze ook de naast de bedrijfsruimte gelegen houten berging met aanbouwsels betreft.

4.1. [appellanten] hebben, gezien de ter zitting bestudeerde tekeningen, weliswaar terecht aangevoerd dat uit de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen blijkt dat deze betrekking heeft op de naast de bedrijfsruimte gelegen houten berging met aanbouwsels (hierna: het bedrijfsgebouw), maar dat kan niet leiden tot het door hen daarmee beoogde doel. Ter zitting is niet gebleken dat de verleende omgevingsvergunning afwijkt van de door [vergunninghouder] ingediende aanvraag. De omstandigheid dat, naar [appellanten] stellen, de werkelijke situatie afwijkt van de situatie zoals weergegeven in de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen, doet aan het vorenstaande niet af. Dat betreft een kwestie van handhaving, waaraan in deze procedure voorbij moet worden gegaan.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen, omdat het bedrijfsgebouw in een slechte bouwkundige staat verkeert. Hiertoe voeren zij aan dat uit het rapport van een op 4 november 2011 uitgevoerde bouwkundige inspectie blijkt dat het bedrijfsgebouw niet in overeenstemming is met de brandveiligheidsvoorschriften. Voorts voeren zij aan dat een constructeur van de gemeente niet akkoord is gegaan met de bij de omgevingsvergunning behorende constructietekeningen.

5.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat tijdens de op 4 november 2011 uitgevoerde bouwkundige inspectie is geconstateerd dat het bedrijfsgebouw niet in overeenstemming is met de bij de omgevingsvergunning behorende brandweertekeningen, onder meer omdat de nooduitgangen niet door middel van bordjes waren aangegeven. De vraag of het bedrijfsgebouw aan de gestelde brandveiligheidseisen voldoet, betreft een kwestie van handhaving die in deze procedure niet ter beoordeling staat. Indien de houten berging, naar [appellanten] stellen, niet aan de brandveiligheidsvoorschriften en bouwtechnische voorschriften voldoet, kunnen zij het college verzoeken terzake handhavend op te treden. Voorts is niet gebleken dat een constructeur van de gemeente niet akkoord is gegaan met de bij de omgevingsvergunning behorende constructietekeningen.

Het betoog faalt.

6. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 11 augustus 2011 geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Hiertoe voeren zij aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt gemotiveerd waarom een grote bouwmassa op korte afstand van omliggende bebouwing aanvaardbaar is.

6.1. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wabo voor het legaliseren van een bedrijfsgebouw voor een medische functie en bijbehorende kantoorruimte op het perceel [locatie] te [plaats]" van december 2011.

Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de bedrijfsruimte gelegen op de voormalige erven van een aantal aan de Oosteinde gelegen woningen, waar de aanwezige bebouwing in de loop der jaren is samengevoegd tot een grote ruimte met een bouwlaag en plat dak. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfsruimte kleinschalige bedrijvigheid betreft, die past binnen het karakter van de omgeving. Hierbij is in aanmerking genomen dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing en dat de bedrijfsruimte een op zichzelf staande functie heeft, nu deze is losgekoppeld van de bebouwing aan de [locaties a en b] en de hoofdingang zich op het perceel bevindt. Bovendien betreft het een functie met beperkte parkeerbehoefte en geluidsoverlast, terwijl de groei van medische diensten in een woonwijk wordt gestimuleerd.

Gelet op het voorgaande, heeft het college voldoende gemotiveerd dat het bouwplan ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar is en heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de eisen voldoet die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Dat, naar [appellanten] stellen, in afwijking van de verleende omgevingsvergunning is gebouwd, doet hieraan niet af. Ook dat betreft een kwestie van handhaving, die in onderhavige procedure niet aan de orde is. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met het bouwplan dan aan de niet nader toegelichte belangen van [appellanten] .

Het betoog faalt.

7. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank, anders dan [appellanten] betogen, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel, dat het besluit van 11 augustus 2011 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

374-593.