Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201207698/1/A1 en 201207698/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkels op het perceel [locatie] te Vlagtwedde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207698/1/A1 en 201207698/2/A1.

Datum uitspraak: 27 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Vlagtwedde (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 juni 2012 in zaken nrs. 11/1300, 12/38 en 13/39 in het geding tussen:

[appellant] en [persoon]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkels op het perceel [locatie] te Vlagtwedde.

Bij uitspraak van 19 juni 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief hoger beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door A.G. Reijns en W.H. Boekelo, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vlagtwedde Dorp" rust op het perceel de bestemming "Dorpsgebied - D -".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a en c, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden in de vorm van eengezinshuizen en appartementen alsmede detailhandel en andere vormen van dienstverlening.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, dient de op het moment van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan bestaande voorgevel als de naar de weg toegekeerde bouwgrens te worden beschouwd. Alleen achter deze bouwgrens mogen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, bedraagt de goothoogte van een hoofdgebouw binnen het op de kaart aangegeven dorpscentrum maximaal 7,5, m.

3. Het perceel is gelegen binnen het op de plankaart aangegeven "dorpscentrum". Het bouwplan voorziet in de bouw van een gebouw waarin op de begane grond commerciële ruimte voor winkels en andere vormen van dienstverlening is voorzien en daarboven twee bouwlagen met in totaal twaalf appartementen. Het te realiseren gebouw is voorzien van een plat dak en heeft een goothoogte van 9,8 m. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de maximaal toegestane goothoogte van 7,5 m wordt overschreden en het gebouw 4 m voor de bouwgrens zal worden gerealiseerd. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegde rapport "Ruimtelijke onderbouwing Appartementen en commerciële ruimten [locatie] te Vlagtwedde" van 8 november 2011 een toereikende ruimtelijke onderbouwing bevat. Hiertoe voert hij aan dat het bouwplan grote afwijkingen van het bestemmingsplan meebrengt en de ruimtelijke onderbouwing hier onvoldoende op in gaat. Voorts voert hij aan dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4.5 van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 en geen inzicht biedt in de op het perceel aanwezige archeologische waarden en de verstoring daarvan.

4.1. De ruimtelijke onderbouwing geeft een omschrijving van het project en geeft daarbij een toereikende uiteenzetting over de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Tevens is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de ruimtelijke effecten van het bouwplan die te verwachten zijn voor de omgeving, waarbij aandacht is besteed aan de te verwachten archeologische waarden op het perceel. In de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat het bouwplan weliswaar voldoet aan de in artikel 3, aanhef en onder E, van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, maar wat betreft de goothoogte en overschrijding van de bouwgrens afwijkt van het bestemmingsplan. Deze afwijkingen worden in de ruimtelijke onderbouwing vanwege de markante plek in het hart van het dorp aanvaardbaar geacht, waarbij tevens belang wordt gehecht aan de gunstige effecten van het bouwplan voor de beeldkwaliteit van het dorp en de impuls die het zal betekenen voor de leefbaarheid in het dorp. In aanmerking nemende dat het project niet in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Dorpsgebied" en binnen het op de plankaart aangegeven "dorpscentrum" wordt gestreefd naar concentratie van centrumvoorzieningen, alsmede dat overschrijding van de bouwgrens ertoe zal leiden dat de bebouwing in de oorspronkelijke rooilijn zal komen te liggen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd waarom de afwijkingen van het bestemmingsplan aanvaardbaar zijn.

Nu in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen grond wordt gezien voor het oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende aandacht is geschonken aan de gevolgen voor de archeologische waarden op het perceel en de in artikel 4.5 van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 vermelde opsomming van aspecten van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing toereikend is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies van de welstandscommissie van 27 juni 2011 aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft mogen leggen, omdat [appellant] geen tegenadvies heeft overgelegd en evenmin is gebleken dat het welstandsadvies gebreken vertoont. Hiertoe voert hij aan dat het bouwplan niet voldoet aan het in de "Welstandsnota Vlagtwedde" van 19 mei 2008 vermelde welstandscriterium "eenvoudige niet samengestelde hoofdvorm overwegend met kap", nu het bouwplan is voorzien van een plat dak. Eveneens is het bouwplan strijdig met de overige welstandscriteria, die uitgaan van niet meer dan een of twee bouwlagen met een kap, aldus [appellant].

5.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is een kap niet dwingend voorgeschreven in de welstandsnota. De welstandsnota bevat, anders dan [appellant] stelt, evenmin welstandscriteria op grond waarvan uitsluitend een of twee bouwlagen met een kap zijn toegestaan. De omstandigheid dat het te realiseren gebouw drie bouwlagen heeft en is voorzien van een plat dak, betekent derhalve niet zonder meer dat het bouwplan in strijd is met de welstandsnota. Uit het welstandsadvies van 27 juni 2011, gelezen in samenhang met het eerder uitgebrachte gemotiveerde negatieve welstandsadvies van 8 april 2010, heeft de rechtbank terecht afgeleid dat de welstandscommissie het bouwplan integraal heeft getoetst aan de voor het plangebied geldende welstandscriteria en de dakvorm van het voorgelegde bouwplan akkoord heeft bevonden. Voorts blijkt uit de welstandsadviezen dat de welstandscommissie geen probleem zag in de gekozen vorm van het gebouw, die afwijkt van de thans in de omgeving veel voorkomende bestaande bebouwing van een of twee bouwlagen met kap. Nu niet is gebleken dat het welstandsadvies van 27 juni 2011 onjuistheden bevat, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat dit advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college deze niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan. Hiertoe voert [appellant] aan dat zijn woongenot onevenredig zal worden aangetast door de vermindering van privacy, de beperking van het uitzicht en de schaduwwerking. Voorts voert hij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat zij beiden ernstige longklachten hebben en daardoor extra getroffen worden door de verslechtering van de luchtkwaliteit.

6.1. Weliswaar is de afstand tussen de woning van [appellant] en het voorziene appartementencomplex groter dan de afstand tussen het voormalige bankgebouw en de woning, maar niet in geschil is dat realisering van het bouwplan negatieve gevolgen zal hebben voor de privacy, het uitzicht vanuit het raam in de zijgevel en de schaduwwerking op de woning van [appellant]. De rechtbank heeft daarin evenwel terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de gevolgen van het bouwplan dusdanig zullen zijn, dat het college om die reden niet in redelijkheid de aangevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daarbij moet worden vooropgesteld, dat het college bij de afweging van de betrokken belangen beslissingsruimte toekomt en de bestuursrechter het resultaat van die afweging derhalve terughoudend toetst. Het college heeft bij de afweging in aanmerking kunnen nemen dat het bouwplan is voorzien op een centrumlocatie in het dorp en geen blijvend recht op uitzicht bestaat. Ook in de periode dat het bankgebouw nog op het perceel was gelegen, beschikte [appellant] niet over vrij uitzicht. In aanmerking voorts nemende dat de gevolgen voor de privacy en zonlichttoetreding niet groter zullen zijn dan waarvan sprake zou zijn in geval van benutting van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsmogelijkheden, zoals het college onweersproken heeft gesteld, en deze belangen door de gemeenteraad reeds zijn afgewogen, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbaar verlies van zonlichttoetreding en privacy. Voorts heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vermindering van de luchtkwaliteit binnen de daarvoor geldende normen blijft en derhalve geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat [appellant] hierdoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Gelet op vorenstaande heeft het college het belang van de opwaardering van deze centrumlocatie in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven de belangen van [appellant], die door de realisering van het bouwplan worden geschaad. Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2012

604.