Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201207014/1/A1 en 201207014/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de door hem geconstateerde overtredingen op het perceel [locatie 1] te Oostzaan te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/168 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207014/1/A1 en 201207014/2/A1.

Datum uitspraak: 27 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oostzaan,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 juni 2012 in zaak nr. 12/484 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de door hem geconstateerde overtredingen op het perceel [locatie 1] te Oostzaan te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft het de opgelegde last voor een deel ingetrokken en voor het overige, met verbetering van de motivering, in stand gelaten.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsom ter hoogte van € 15.000,00.

Bij uitspraak van 5 juni 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 20 december 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover aan [appellant] geen proceskostenvergoeding is toegekend. Voorts heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 7 februari 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief hoger beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij, en het college, vertegenwoordigd E. Kluijskens en mr. C.M.T. Ekel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Woningwet is het verboden een open erf of terrein te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b dan wel in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onderdeel b, bevat de Bouwverordening voorschriften omtrent het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden.

Ingevolge artikel 5.1.1, tweede lid, van de Bouwverordening Oostzaan, mogen open erven en terreinen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:

a drassigheid;

b stank;

c verontreiniging;

d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;

e aanwezigheid van begroeiing.

3. Nadat er bij verschillende inspecties op het perceel meerdere overtredingen waren geconstateerd door toezichthouders van de gemeente, heeft het college [appellant] bij besluit van 23 augustus 2011, verzonden op 24 augustus 2011, gelast deze overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden. In het besluit van 20 december 2011 is aan [appellant] medegedeeld dat deze last inhoudt dat hij binnen twee weken na verzending van de aanschrijving het gehele perceel definitief en blijvend diende op te ruimen en alle losse bouw- en afvalmaterialen, alsmede afzetlinten, poppen en dergelijke diende te verwijderen en verwijderd te houden, en de drassigheid en aanwezigheid van begroeiing op het perceel blijvend diende te beëindigen door het treffen van maatregelen, zoals het ophogen en het egaliseren met schone grond en/of het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van een deugdelijke afwatering van het perceel met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving. De tweetal stoelen op het dakvlak van de dakkapel van de woning dienden eveneens definitief en blijvend verwijderd te worden.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich op het perceel geen situatie voordoet die in strijd is met artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening. Hij voert hiertoe aan dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie op het perceel gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen oplevert.

4.1. Op grond van de door toezichthouders van de gemeente opgestelde inspectierapporten en foto's van het perceel heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat daar veel los bouw- en afvalmateriaal op onordelijke wijze was opgeslagen. Tevens is op de foto's te zien, voor zover thans van belang, dat er op het perceel overmatige begroeiing aanwezig was en afzetlinten waren gespannen. Niet in geschil is verder dat het perceel drassig was. Het college heeft gelet op de situatie ter plaatse, zoals uit de foto's, opnamerapporten en uitgebreide omschrijving volgt, terecht de conclusie getrokken dat deze situatie kan leiden tot nadeel voor de gezondheid van of hinder voor omwonenden op naburige percelen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening is overtreden, nu aan die bepaling reeds is voldaan, wanneer een of meerdere van de onder a tot en met e genoemde omstandigheden nadeel voor de gezondheid of hinder voor gebruikers of anderen, waaronder ook omwonenden zijn te verstaan, kan opleveren. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de begunstigingstermijn van twee weken in dit geval niet te kort is. Hiertoe voert hij aan dat het college bij de vaststelling van de begunstigingstermijn ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat aan [appellant] in 2008 reeds een gelijkluidende last was opgelegd. Voorts voert [appellant] aan dat het geen eenvoudige werkzaamheden betreft, die hij moet uitvoeren om aan de last te voldoen. Bovendien blijkt uit het door hem overgelegde rapport van adviesbureau ir. T. List dat de drassigheid mede wordt veroorzaakt door de ophoging van het naburige perceel op [locatie 2], aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 201004235/1/H1) strekt een begunstigingstermijn ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dat noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een termijn van twee weken toereikend is om aan de last te kunnen voldoen, omdat het in de last vermelde materiaal op relatief eenvoudige wijze van het perceel kan worden verwijderd en ook ophoging van het perceel dan wel het aanbrengen van een deugdelijke afwatering van het perceel binnen deze termijn mogelijk is. Dat aan de last feitelijk binnen twee weken kan worden voldaan, heeft [appellant] op zichzelf niet gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college redelijkerwijs een langere begunstigingstermijn had moeten vaststellen. Voor zover [appellant] in dit kader heeft gewezen op het rapport van adviesbureau ir. T. List, overweegt de voorzitter dat hierin geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de drassigheid niet kan worden verholpen door het uitvoeren van de in de last voorgestelde maatregelen. Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] met verwijzing naar het rapport van adviesbureau ir. T. List een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, faalt dit eveneens. Op grond van het verhandelde ter zitting bij de Afdeling staat vast dat de naburige percelen [locatie 3 en 2] niet drassig zijn. Nu evenmin is gesteld en gebleken dat op die percelen overtreding van artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening plaats vindt, faalt reeds daarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

7. [appellant] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de last, voor zover die ziet op het verhelpen van de drassigheid, onvoldoende duidelijk is. De last houdt in dat [appellant] een eind dient te maken aan de drassigheid op zijn perceel. Het college heeft daarbij twee alleszins begrijpelijke mogelijke opties vermeld op welke wijze aan de last zou kunnen worden voldaan. Daarmee is voldoende duidelijk wat van [appellant] werd verwacht om verbeurte van dwangsommen te voorkomen.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2012

604.