Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
201111238/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2011:BT6247, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college het Tillefonnepaed, noordelijk van Workum met ingang van 13 april 2010 aangewezen als pad waar het de eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/10 met annotatie van H.D. Tolsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111238/1/A3.

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 september 2011 in zaak nr. 11/167 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, thans Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college het Tillefonnepaed, noordelijk van Workum met ingang van 13 april 2010 aangewezen als pad waar het de eigenaar of houder van een hond verboden is die hond te laten verblijven of te laten lopen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Bij besluit van 8 december 2010 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2010 vernietigd en het door [appellanten] gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2012, waar [appellanten], bijgestaan door J.M. Kerkhoven, en het college, vertegenwoordigd door H.J. Jansen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.    Het college heeft aan zijn aanwijzingsbesluit ten grondslag gelegd dat via hondenuitwerpselen de dierziekte neospora op koeien kan worden overgebracht. Die ziekte kan leiden tot vruchtafdrijving. Het heeft in dit verband overwogen dat aanwijzing wenselijk is met het oog op de bescherming van de gezondheid van dieren en het belang van de eigenaren van het aan het Tillefonnepaed liggende grasland om beschermd te worden tegen de grote bedrijfseconomische gevolgen die de besmetting van koeien met de parasiet voor hen heeft.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangen van [appellanten] niet rechtstreeks bij het aanwijzingsbesluit zijn betrokken en dat zij daarom geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4.    [appellanten] komen op tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij betogen dat de rechtbank door het zogenoemde zichtcriterium te hanteren een te eng criterium heeft toegepast, daar aan het Tillefonnepaed geen mensen woonachtig zijn. [appellanten] wonen slechts op een geringe afstand van het begin van het pad aan de [locatie] in Workum. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij geen belanghebbende zijn bij het aanwijzingsbesluit. Bovendien is volgens [appellanten] van belang dat zij in het dagelijks leven direct, persoonlijk en objectief zijn geraakt door de gevolgen van het besluit, omdat de dagelijkse wandeling met de hond over het pad tot het verleden behoort en geen alternatief voorhanden is. Het betreft een pad waarvan toeristen of andere bezoekers nauwelijks of geen gebruik maken, aldus [appellanten].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201109266/1/A3, blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:2 van de Awb (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 32 e.v.) dat met de woorden 'wiens belang rechtstreeks is betrokken' een zekere begrenzing wordt beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Maar ook een persoon die wellicht enig belang heeft, doch zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet beschouwd worden als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat het belang van [appellanten] niet rechtstreeks bij het aanwijzingsbesluit is betrokken. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het enkele feit dat [appellanten] ter plaatse hun honden uitlaten of hebben uitgelaten en wensen dat te blijven doen, omdat zij in de nabijheid van het Tillefonnepaed woonachtig zijn, ontoereikend is voor het oordeel dat zij zich voldoende onderscheiden van anderen die zich met een hond op het pad wensen te begeven. Hoewel [appellanten] enig belang niet kan worden ontzegd, onderscheiden zij zich met dat belang niet van grote aantallen anderen. Het door [appellanten] gedane beroep op rechtspraak van de Afdeling inzake het zicht- en nabijheidscriterium baat hen niet. Dat [appellanten] in de nabijheid van het Tillefonnepaed woonachtig zijn en dat zij zicht hebben op dat pad, zijn belangen die in dit verband onvoldoende onderscheidend zijn. Ten aanzien van het door hen aangevoerde nadeel geldt bovendien dat het pad weliswaar wordt afgesloten voor honden, maar toegankelijk blijft voor wandelingen. De stelling dat voor [appellanten] geen alternatieven voor het uitlaten van honden zouden bestaan, acht de Afdeling niet aannemelijk.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Grimbergen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

581.