Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
201204927/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoewel de vreemdeling de bewaringsgronden in beroep feitelijk niet heeft weersproken en deze derhalve op zichzelf terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, heeft hij wel aangevoerd dat hij zich niet aan uitzetting zal onttrekken en dat zijn gebrek aan voldoende middelen van bestaan inherent is aan zijn hoedanigheid van asielzoeker. Door aan dit laatste voorbij te gaan, heeft de Rb. niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 in zaak nr. 201202147/1/V3 (LJN: BW4359) volgt dat de gronden dat de vreemdeling niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan beschikt, niet van dien aard zijn dat hieruit op zichzelf dan wel in samenhang bezien reeds volgt dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Een nadere op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende toelichting is dan ook vereist. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval, een vreemdeling asielzoeker is en de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in zijn algemeenheid voor veel asielzoekers zullen gelden, aangezien de minister het beleid hanteert dat bewaring bij vreemdelingen die een asielaanvraag willen indienen of hebben ingediend zo beperkt mogelijk dient te geschieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204927/1/V3.

Datum uitspraak: 20 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 3 mei 2012 in zaak nr. 12/12989 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is opgelegd. De vreemdeling heeft zich weliswaar zelf gemeld bij het politiebureau in Goes om asiel aan te vragen en is in het bezit van documenten, maar op het moment van inbewaringstelling waren deze nog niet echt bevonden. Dat het onderzoek naar de echtheid van de documenten twee dagen in beslag heeft genomen is niet onredelijk lang. De bewaring van de vreemdeling heeft dus een aantal dagen onrechtmatig voortgeduurd, maar niet eerder dan vanaf 20 april 2012, aldus de rechtbank.

In de eerste en derde grief, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze gronden ten onrechte niet, althans niet gemotiveerd, getoetst en ten onrechte zelf een grond toegevoegd. Het onderzoek naar de echtheid van de overgelegde documenten kan niet als grondslag voor de bewaring dienen, aldus de vreemdeling.

1.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, omdat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan.

In de toelichting op deze maatregel heeft de minister, samengevat weergegeven, vermeld dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven dakloos te zijn en niet te beschikken over geld. De vreemdeling wil asiel aanvragen terwijl hij al sinds 2009 in Europa verblijft. Hij wil niet terugkeren naar Spanje, alwaar hij een verblijfsvergunning heeft. Volgens de minister kan derhalve worden gesteld dat de vreemdeling niet in staat is om op eigen gelegenheid en middelen terug te keren naar Ghana.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de minister de voormelde bewaringsgronden ter zitting van de rechtbank nog nader heeft toegelicht.

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

2 juli 2012 in zaak nr. 201205969/1/V3; www.raadvanstate.nl), dient bij de beoordeling van de bewaringsgronden te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld, maar doet dit er niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling of, voor zover thans van belang, er een risico bestaat dat de betrokken vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2012 in zaak nr. 201204991/1/V3; www.raadvanstate.nl), mag een door de minister bij de rechtbank gegeven toelichting geen nieuwe bewaringsgronden behelzen die niet in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld en moet een zodanige toelichting bovendien zijn te relateren aan de in de maatregel vermelde gronden.

1.3. Gelet op de voormelde uitspraak van 2 juli 2012, had de rechtbank, naar aanleiding van hetgeen in beroep door de vreemdeling naar voren was gebracht en aan de hand van de door de minister op de bewaringsgronden gegeven toelichting, dienen te beoordelen of uit de bewaringsgronden volgt dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank dit niet heeft gedaan.

De rechtbank heeft haar oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd gemotiveerd door te verwijzen naar de omstandigheid dat de door de vreemdeling overgelegde documenten op het moment van de inbewaringstelling nog niet echt waren bevonden. Voor zover zij daarmee heeft beoogd deze omstandigheid aan te merken als grond voor de inbewaringstelling, heeft zij niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2002 in zaak nr. 200106166/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat het niet aan de rechtbank is om ambtshalve de bewaringsgronden aan te vullen. Voor zover de rechtbank met de bestreden overweging de verklaringen van de minister ter zitting over het onderzoek naar de authenticiteit van de documenten heeft opgevat als een toelichting op de bewaringsgronden, heeft zij niet onderkend dat deze toelichting niet is gerelateerd aan de in de maatregel vermelde gronden en derhalve niet als toelichting daarop kan dienen.

Hoewel de vreemdeling de bewaringsgronden in beroep feitelijk niet heeft weersproken en deze derhalve op zichzelf terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, heeft hij wel aangevoerd dat hij zich niet aan uitzetting zal onttrekken en dat zijn gebrek aan voldoende middelen van bestaan inherent is aan zijn hoedanigheid van asielzoeker. Door aan dit laatste voorbij te gaan, heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 in zaak nr. 201202147/1/V3 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de gronden dat de vreemdeling niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan beschikt, niet van dien aard zijn dat hieruit op zichzelf dan wel in samenhang bezien reeds volgt dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Een nadere op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende toelichting is dan ook vereist. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval, een vreemdeling asielzoeker is en de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in zijn algemeenheid voor veel asielzoekers zullen gelden, aangezien de minister het beleid hanteert dat bewaring bij vreemdelingen die een asielaanvraag willen indienen of hebben ingediend zo beperkt mogelijk dient te geschieden.

In dit geval is de door de minister in de maatregel van bewaring gegeven toelichting algemeen van aard en derhalve onvoldoende om aan te nemen dat de vreemdeling zich, louter wegens het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan, aan zijn uitzetting zal onttrekken. Dat de minister heeft gesteld dat de vreemdeling in Nederland een verblijfsvergunning asiel wil aanvragen en niet naar Spanje wil vertrekken, laat onverlet dat uit het proces-verbaal van gehoor van 18 april 2012, dat zich onder de op de zaak betrekking hebbende stukken bevindt, blijkt dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling ook heeft verklaard dat hij zal terugkeren naar Ghana, indien zijn asielaanvraag wordt afgewezen.

De vreemdeling klaagt derhalve terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is opgelegd.

De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift naar voren is gebracht, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 1.3., het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 april 2012 van de minister alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 april 2012 tot 25 april 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 3 mei 2012 in zaak nr. 12/12989;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 610,00 (zegge: zeshonderdtien euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2012

551.

Verzonden: 20 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser