Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201111464/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111464/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 september 2011 in zaak nr. 11/908 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Bij besluit van 28 januari 2011 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. Y.C. van der Meulen, werkzaam bij de politie Gelderland-Midden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau, dan wel een onderdeel daarvan, is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid onthouden, indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ter uitvoering van de Wpbr heeft de minister van Justitie criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Circulaire).

Volgens paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire, wordt de toestemming aan personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, onthouden, indien op grond van omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Volgens die paragraaf gaat het er bij de toetsing van het onder c opgenomen criterium om dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn, indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen, waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken, aldus die passage.

Volgens paragraaf 2.1.1, voor zover thans van belang, kan de korpschef van het ervoor vermelde afwijken, indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2. De korpschef heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] blijk heeft gegeven van zodanig gedrag, dat daaruit voortvloeit dat zijn betrouwbaarheid, geschiktheid en integriteit om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren niet meer buiten twijfel staan.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef zijn standpunt, dat de twee jegens [appellant] uitgebrachte dagvaardingen ernstige verdenkingen betreffen van feiten die als een vrij ernstige aantasting van de rechtsorde kunnen worden beschouwd, onvoldoende heeft onderbouwd. De korpschef had aan de hand van - strafrechtelijke - stukken inzichtelijk moeten maken uit welke feiten en omstandigheden blijkt dat [appellant] rechtsregels naast zich neerlegt en dat de overtreding daarvan kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Het vorenstaande klemt te meer, nu, zoals blijkt uit het Justitieel Documentatiesysteem van 3 mei 2011, één van de feiten, waarvoor [appellant] is gedagvaard, te weten straatroof, is geseponeerd wegens het ontbreken van wettig bewijs, aldus de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank had de korpschef daarnaast nader moeten motiveren waarom de door [appellant] begane overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Venray wordt gezien als een voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden relevant feit en als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

De rechtbank heeft ten aanzien van de lijst van registraties in de Basis Voorziening Handhaving geoordeeld dat de korpschef niet heeft onderbouwd in hoeverre en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden daaruit volgt, dat [appellant] ervan blijk heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

De rechtbank heeft het beroep evenwel niet gegrond verklaard, nu de korpschef eveneens aan het bij haar bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] het inlichtingenformulier van 11 mei 2010 niet naar waarheid heeft ingevuld. [appellant] heeft daarop niet vermeld dat tegen hem processen-verbaal zijn opgemaakt en dat hij een transactie heeft aanvaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde en dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar is als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, gelet op de door haar geconstateerde motiveringsgebreken, het bij haar ingestelde beroep ten onrechte niet gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit van 28 januari 2011 ten onrechte niet heeft vernietigd. Hieraan doet niet af dat de rechtbank tevens heeft geoordeeld dat de korpschef aan dat besluit eveneens ten grondslag heeft gelegd dat hij het inlichtingenformulier niet naar waarheid heeft ingevuld, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 20 oktober 2004 in zaak nr. 200400867/1), komt de korpschef vrijheid toe bij de beoordeling of betrokkene voldoende betrouwbaar is en dat de invulling die in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire aan de term 'betrouwbaarheid' is gegeven niet rechtens onjuist is. Voorts mogen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 december 2003 in zaak nr. 200305092/1), aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

4.2. De korpschef heeft aan het besluit van 28 januari 2011 mede ten grondslag gelegd dat [appellant] het inlichtingenformulier ter verkrijging van de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr niet geheel naar waarheid heeft ingevuld, aangezien hij daarop heeft gemeld dat hij nimmer een transactie van justitie heeft aanvaard en dat tegen hem nimmer een proces-verbaal was opgemaakt, terwijl dit wel het geval was. Het niet naar waarheid invullen van het inlichtingenformulier, is op zichzelf al voldoende reden om de toestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden te onthouden, aldus de korpschef.

4.3 [appellant] heeft het inlichtingenformulier niet naar waarheid ingevuld op een onderdeel dat cruciaal is voor de beoordeling. Het onjuist invullen van het inlichtingenformulier kan hem worden aangerekend. Dat [appellant] het inlichtingenformulier, zoals hij stelt, op aanwijzing van zijn stagebegeleider onjuist heeft ingevuld, doet daaraan, mede gelet op de duidelijk geformuleerde vragen, niet af. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Het onjuist invullen van het inlichtingenformulier biedt daarmee voldoende grondslag om het besluit tot het onthouden van de gevraagde toestemming te kunnen dragen.

Voor zover [appellant] ter zitting heeft betoogd dat de korpschef het onjuist invullen van het inlichtingenformulier niet aan het besluit van 28 januari 2011 ten grondslag mocht leggen, nu het besluit van 25 augustus 2010 niet op dat feit was gestoeld, wordt hij hierin niet gevolgd. De volledige heroverweging in het kader van een bezwaarprocedure brengt mee dat handhaving van het in bezwaar bestreden besluit op (deels) andere gronden dan die waarop het oorspronkelijke besluit steunde, tot de mogelijkheden behoort. De door de rechtbank geconstateerde, en hiervoor in rechtsoverweging 3 uiteengezette, motiveringsgebreken leiden niet tot de conclusie dat de rechtbank het besluit op bezwaar niet in stand had mogen laten. Het feit dat [appellant] inmiddels is vrijgesproken van een van de feiten waarvan hij werd verdacht, kan buiten beschouwing blijven.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestreden besluit van 28 januari 2011 in strijd met de zorgvuldigheid is genomen en dat hij door dat besluit onevenredig in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft in dit verband volgens [appellant] onvoldoende in de beoordeling betrokken dat hij niet aan de slag kan bij een werkgever bij wie hij met succes zijn stage heeft afgerond, dat hij niet het werk kan verrichten waarvoor hij is opgeleid, dat deze opleiding voor [appellant] de nodige kosten en inspanning heeft meegebracht en dat de kans klein is dat hij na het verstrijken van de terugkijktermijn beveiligingswerkzaamheden kan verrichten.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (de uitspraak van 29 april 2008 (in zaak nr. 200707172/1, www.raadvanstate.nl) dienen bij de beantwoording van de vraag of betrokkene niet voldoende betrouwbaar is als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Niet valt in te zien dat de omstandigheden waarop [appellant] zich beroept relevant zijn voor het oordeel over de betrouwbaarheid als bedoeld in die passage. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar is als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire. Het betoog kan dan ook niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

6. [appellant] betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de toepassing van de hardheidsclausule geen ruimte is.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld vorenbedoelde uitspraak van 29 april 2008), met juistheid overwogen dat de toepassing van voormelde paragraaf er ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr niet toe mag leiden dat iemand die niet aan de eisen van betrouwbaarheid voldoet, toch te werk mag worden gesteld. Dit brengt mee dat deze niet mag worden toegepast, als betrokkene in verband met bepaalde feiten niet voldoende betrouwbaar is, als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de Circulaire. Nu de weigering in dit geval op zulke feiten is gebaseerd, heeft de rechtbank terecht voor de korpschef geen ruimte aanwezig geacht voor toepassing van de door [appellant] bedoelde passage.

7. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de korpschef [appellant] de voor het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie benodigde toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr terecht heeft onthouden.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

97-748.