Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8322

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201107026/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft de korpschef de aan [appellant] verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107026/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 mei 2011 in zaak nr. 11/167 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de politieregio Gelderland-Midden.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft de korpschef de aan [appellant] verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie ingetrokken.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. Y.C. van der Meulen, werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr), stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke vergunning is verleend geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, wordt de toestemming onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ingevolge het zesde lid kan de toestemming worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Het bij de uitoefening van de in artikel 7, zesde lid, van de Wpbr, neergelegde bevoegdheid te voeren beleid is neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Circulaire). Volgens paragraaf 2.1, voor zover thans van belang, wordt de toestemming aan personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, onthouden, indien:

[…]

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten, en om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In die paragraaf is verder vermeld dat het er bij de toetsing aan punt c om gaat of de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak zal schaden. Aan die maatstaf zal in het algemeen voldaan zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

2. De korpschef heeft aan het besluit van 8 december 2010 ten grondslag gelegd dat uit een uittreksel van het strafregister van de Justitiële Documentatie te Almelo is gebleken dat [appellant] is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 op 5 september 2009 (hierna: rijden onder invloed). Voorts is uit een registratie in het systeem Basis Voorziening Handhaving van de politie Gelderland-Midden gebleken dat [appellant] op 30 april 2010 is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: mishandeling) alsmede van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Ten slotte heeft de korpschef bij zijn besluit betrokken dat [appellant] na het besluit van 16 juni 2010, derhalve nadat zijn toestemming daarvoor was ingetrokken, beveiligingswerkzaamheden heeft verricht. Gelet op deze omstandigheden heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten, als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Circulaire.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van [appellant] niet boven elke twijfel verheven is. De korpschef was volgens de rechtbank ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Wpbr, bevoegd de aan [appellant] verleende toestemming in te trekken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het krediet dat hij in het verleden heeft opgebouwd en zijn economische belangen, heeft de korpschef geen aanleiding behoeven te zien om niet van zijn bevoegdheid gebruik te maken, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Met betrekking tot de verdenking van mishandeling op 30 april 2010 voert hij, onder verwijzing naar door hem in hoger beroep overgelegde verklaringen van vijf personen, aan dat de door de aangever en getuigen afgelegde verklaringen de mogelijkheid openlaten dat hij is aangezien voor een ander persoon. Ten onrechte heeft de rechtbank voorts in de door de collega-portier afgelegde verklaring geen grond gezien te twijfelen aan de getuigenverklaringen afgelegd na de confrontatie op 30 april 2010. De overweging van de rechtbank dat de werk- en gezagsrelatie tussen de collega-portier en [appellant] op voorhand afbreuk doet aan de objectiviteit van de door hem afgelegde verklaring is volgens [appellant] ontoelaatbaar speculatief. De rechtbank heeft dan ook volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de korpschef op grond van de door aangever en getuigen afgelegde verklaringen over het gebeurde op 30 april 2010 tot de conclusie heeft mogen komen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling.

Voorts voert [appellant] aan dat de conclusie van de rechtbank dat de bij hem op die zelfde dag gevonden stoffen cocaïne bevatten, prematuur is. In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) wordt immers een zogenoemd Sporen Identificatienummer gebruikt, dat echter niet in de kennisgeving van inbeslagneming wordt genoemd. Voorshands kan derhalve niet worden uitgesloten dat het NFI rapporteert over een ander middel dan het middel dat bij hem is aangetroffen. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat zich op 30 april 2010 in de horecagelegenheid waar hij als beveiligingsmedewerker werkte een hectische situatie voordeed, waardoor het niet van hem kon worden verwacht dat hij een door hem op een toilet aangetroffen pakketje dat mogelijk verboden middelen bevatte, onmiddellijk bij de politie afleverde.

Ter motivering van haar oordeel over het rijden onder invloed op 5 september 2009 heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200901369/1/H3, omdat die zaak niet vergelijkbaar is met zijn zaak. Het oordeel van de rechtbank dat dit eenmalige functioneren in de privésfeer een indicatie mocht zijn voor zijn algehele functioneren, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, aldus [appellant].

Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat hij na 16 juni 2010 beveiligingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. Hiervoor verwijst [appellant] naar een in hoger beroep overgelegde verklaring van de algemeen directeur van het [bedrijf], waarin staat dat hij bij wijze van vriendendienst als mystery guest aan dat bedrijf heeft gerapporteerd over de wijze waarop andere beveiligingsmedewerkers hun werkzaamheden verrichtten.

4.1. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 oktober 2004 in zaak nr. 200400867/1), heeft overwogen, komt de korpschef beoordelingsvrijheid toe om te bepalen of betrokkene voldoende betrouwbaar is en gaat de invulling die in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire aan de term betrouwbaarheid is gegeven de grenzen van redelijke wetsuitleg niet te buiten. Voorts mogen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 december 2003 in zaak nr. 200305092/1), aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van de werkzaamheden in deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere branches. Dit betekent dat de korpschef mag eisen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de korpschef ten onrechte de mishandeling aan het besluit van 8 december 2010 ten grondslag heeft gelegd. Het proces-verbaal van aangifte van 2 mei 2010 en de processen-verbaal van verhoor van vier getuigen van de mishandeling op 30 april 2010, komen inhoudelijk niet overeen met de door [appellant] in hoger beroep overgelegde getuigenverklaringen. Nu op voorhand niet kan worden vastgesteld welke getuigenverklaringen betrouwbaar en niet betrouwbaar zijn, bestaat naar het oordeel van de Afdeling gerede twijfel over de rol van [appellant] bij de mishandeling.

Het voorgaande leidt evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de korpschef de omstandigheid dat bij [appellant] bij een insluitingsfouillering op 30 april 2010 wikkels met daarin vermoedelijk cocaïne zijn aangetroffen, bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het betoog van [appellant] dat voor hem geen reële mogelijkheid bestond de wikkels eerder aan de politie te overhandigen, geen doel treft. Uit het proces-verbaal van verhoor van 3 mei 2010 blijkt het volgende. Op 30 april 2010 is het toilet van de horecagelegenheid vernield voor dan wel nadat [appellant] daar wikkels heeft aangetroffen met ook naar zijn vermoeden cocaïne. Degene die het toilet had vernield is door de politie aangehouden bij de horecagelegenheid. Tijdens deze aanhouding heeft ook [appellant] met de politie gesproken. Het had dan ook op de weg van [appellant] gelegen de vondst van de wikkels aan de politie te melden dan wel deze te overhandigen. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn stelling dat dat van hem niet kon worden verwacht gelet op de hectische situatie in de horecagelegenheid. De korpschef heeft zich op het standpunt mogen stellen dat juist van een beveiliger ook in hectische situaties een alerte en zorgvuldige handelwijze mag worden verwacht. Ook op een later moment heeft [appellant] de wikkels niet uit eigen beweging aan de politie overhandigd. De omstandigheid dat in de kennisgeving van inbeslagneming geen kenmerk van het bij [appellant] aangetroffen middel staat vermeld, doet niet af aan het oordeel dat de korpschef het aantreffen van de wikkels met daarin vermoedelijk cocaïne bij [appellant], mocht betrekken in zijn besluitvorming. Nu [appellant] heeft verklaard dat hij vermoedde dat de wikkels cocaïne bevatten, lag het op zijn weg de wikkels aan de politie te overhandigen, daargelaten of zijn vermoeden juist was.

Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de korpschef op basis van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2010 heeft mogen aannemen dat [appellant] na 16 juni 2010 beveiligingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. De in hoger beroep overgelegde verklaring van [bedrijf] geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling acht hierbij van belang dat de minister van Veiligheid en Justitie bij brief van 31 maart 2011 aan [bedrijf] het voornemen kenbaar heeft gemaakt om haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens het tewerkstellen van drie beveiligers, onder andere [appellant], zonder toestemming van de korpschef. [bedrijf] heeft er dan ook belang bij in deze procedure een ontlastende verklaring af te leggen.

4.4. Op grond van bovengenoemde omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij [appellant] is gebleken van feiten en omstandigheden die, zouden zij bekend zijn geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend, aan het verlenen hiervan in de weg zou hebben gestaan. Aan een oordeel over de betekenis van de veroordeling ter zake van rijden onder invloed komt de Afdeling derhalve niet toe.

4.5. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de korpschef in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aan [appellant] verleende toestemming in te trekken.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

97-591.