Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201011920/1/T1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/143 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011920/1/T1/R3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Oirschot,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], gemeente Oirschot,

3. [appellant sub 3], wonend te Oirschot,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

5. [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellante sub 6], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 8]),

9. [appellant sub 9], wonend te Oirschot,

10. [appellant sub 10], wonend te Oirschot,

11. [appellant sub 11], wonend te Oirschot,

12. [appellant sub 12], wonend te Oirschot,

13. [appellanten sub 13], wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 13]),

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

15. [appellant sub 15]), wonend te Oirschot,

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Petrochemical Pipeline Services B.V., gevestigd te Beek (Limburg),

17. [appellanten sub 17], beiden wonend te Oirschot (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 17]),

18. [appellante sub 18], gevestigd te Oirschot,

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

21. [appellanten sub 21], wonend te Oirschot,

22. de stichting Stichting Behoud Erfgoed Oirschot, gevestigd te Oirschot,

23. [appellant sub 23], wonend te Oirschot,

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

26. [appellante sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], wonend te Oirschot,

28. [appellant sub 28], wonend te Oirschot,

29. [appellanten sub 29], wonend te [woonplaats],

30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

31. [appellant sub 31], wonend te Oirschot,

32. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats], gemeente Oirschot,

33. [appellant sub 33], wonend te Oirschot,

34. [appellant sub 34], wonend te Oirschot,

en

de raad van de gemeente Oirschot,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010, kenmerk 2010/61, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], Petrochemical Pipeline Services, [appellant sub 17], [appellante sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellanten sub 21], Stichting Behoud Erfgoed Oirschot, [appellant sub 23], [appellante sub 26], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 27], [appellant sub 28], [appellanten sub 29], [appellant sub 30], [appellant sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33] en [appellant sub 34] tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Een aantal partijen heeft hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24, 25 en 26 april 2012, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding.

Buiten bezwaren van betrokken partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

De Afdeling heeft de behandeling van andere beroepen tegen het besluit van 29 september 2010 afgesplitst en de behandeling hiervan voortgezet onder zaak nr. 201011920/8/R3.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.2. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor haar melkveehouderij en boomteeltactiviteiten, welke bedrijvigheid plaatsvindt op haar perceel [locatie 1] te [plaats]. Bovendien zijn vergunde teeltondersteunende voorzieningen thans ten onrechte niet toegestaan, zo voert [appellante sub 2] aan.

2.2.1. De raad stelt dat weliswaar is verzocht om uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 2], maar dat dit verzoek niet is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, zodat de planologische haalbaarheid niet is aangetoond. Om die reden is het verzoek niet meegenomen in het plan, aldus de raad. Ten behoeve van de gewenste uitbreiding van [appellante sub 2] is weliswaar een milieuvergunning verleend, maar dat is geen garantie voor planologische medewerking, zo stelt de raad.

2.2.2. De gronden van [appellante sub 2] aan de [locatie 1] zijn bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden".

2.2.3. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht beslaat het bouwvlak van [appellante sub 2] een oppervlakte van ongeveer 1,3 ha. [appellante sub 2] wenst een uitbreiding van het bouwvlak met 0,5 ha, ten behoeve van het bestaande containerveld, nieuwe mestopslag, te plaatsen sleufsilo’s en verlenging van de mestopslag/sleufsilo. De thans aanwezige ruimte binnen het bouwvlak, een strook van ongeveer 100 m breed en 10 m tot 20 m diep, is niet voldoende om de gewenste uitbreiding binnen het bouwvlak te realiseren.

Wat betreft de gewenste uitbreiding, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 2] de ruimtelijke gevolgen van de door haar gewenste uitbreiding van haar bouwvlak ten tijde van de vaststelling van het plan niet zodanig concreet had onderbouwd dat de raad, ondanks het conserverende karakter van het plan, was gehouden om nader te onderzoeken of daaraan tegemoet had kunnen worden gekomen in het voorliggende plan.

Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van de verlening van de milieuvergunning op 16 juni 2009, bevat voorts geen plicht tot afwijzing van de aanvraag indien de verlening tot strijd met het bestemmingsplan zou leiden, maar slechts een bevoegdheid daartoe. Uit de omstandigheid dat ten behoeve van de gewenste uitbreiding een milieuvergunning is verleend, kan dan ook niet zonder meer het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat aan die uitbreiding ook planologische medewerking zal worden verleend.

2.2.4. Wat betreft de bestaande containervelden op de gronden van [appellante sub 2], die een oppervlakte beslaan van ongeveer 1.350 m², heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat hij van mening is dat het bestreden besluit op dit punt heroverweging behoeft. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit voor dit standpunt aanleiding hebben gegeven, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 1] waar containervelden zijn gesitueerd.

2.3. [appellante sub 2] voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is toegekend aan haar gronden. De gronden van het bedrijf die zijn aangeduid als "bouwvlak" zijn volgens [appellante sub 2] al geroerd en bevatten dan ook geen archeologische waarden. Ook ter plaatse van de gewenste uitbreiding van het bouwvlak zou deze dubbelbestemming niet moeten gelden, zo betoogt [appellante sub 2]

2.3.1. De ligging van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" komt volgens het deskundigenbericht overeen met het gebied dat op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als "Archeologisch monument". Dit archeologisch monument staat bekend onder de naam "De Aalborst" en is op de Archeologische Monumentenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgenomen onder AMK-3005, zodat het standpunt van [appellante sub 2] dat voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" geen noodzaak bestaat, volgens het deskundigenbericht niet kan worden gedeeld. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in weerwil van het deskundigenbericht, geen reden bestaat om archeologische waarden te beschermen.

2.4. [appellante sub 2] voert aan dat ten onrechte aan haar gronden en gronden in de omgeving daarvan de gebiedsaanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie" is toegekend. Zij vreest als gevolg hiervan in haar bedrijfsvoering te worden beperkt.

2.4.1. De raad stelt dat de geboden mogelijkheden voor het ontwikkelen van recreatieve nevenactiviteiten is gebaseerd op de zogenoemde "Integrale Visie voor Toerisme en Recreatie". Volgens de raad is in de planregels duidelijk bepaald wanneer ontheffing (lees: een omgevingsvergunning voor afwijking van bij het plan aan te geven regels) kan worden verleend voor (dag)recreatieve nevenactiviteiten, waarbij wordt getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en bedrijven.

2.4.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.4 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders, met inachtneming van de procedureregels in artikel 37, een omgevingsvergunning voor afwijking van het bepaalde in artikelen 4, leden 4.1.1, 4.5.1 onder e en 4.5.2 verlenen en recreatieve nevenactiviteiten op een agrarisch bouwvlak toestaan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels dan wel vergelijkbare recreatieve activiteiten.

Aan de mogelijkheid tot het aanwenden van deze bevoegdheid is een groot aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de nevenactiviteit ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsvoering en mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische) bedrijven. Voor een aantal vormen van recreatie gelden aanvullende voorwaarden ter plaatse van gronden met de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie".

Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, biedt het toekennen van de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie" aan gronden van [appellante sub 2] ter plaatse extra mogelijkheden en vloeien er geen beperkingen aan de bestaande bedrijfsvoering uit voort. Gelet hierop en op de voorwaarden die het plan stelt aan aanwending van de bestreden bevoegdheid voor gronden met de aanduiding "extensieve natuurgerichte recreatie", geeft de enkele door [appellante sub 2] geuite vrees dat als gevolg hiervan afbreuk kan worden gedaan aan haar belangen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante sub 2] op dit punt niet onevenredig in haar belangen wordt getroffen.

2.5. Wat betreft het betoog van [appellante sub 2] dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de dubbelbestemmingen "Waterstaat-Inundatiegebied", "Waterstaat-Waterbergingsgebied" en de gebiedsaanduiding "openheid" aan haar gronden zijn toegekend, stelt de Afdeling vast dat deze bestemmingen en aanduiding blijkens de verbeelding niet van toepassing zijn op de gronden van [appellante sub 2] In zoverre mist het beroep van [appellante sub 2] dan ook feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.6. [appellant sub 3] betoogt dat onduidelijk is of het gebruik van de voormalige kippenschuur op zijn perceel [locatie 2] te Oirschot voor de opslag van tuinbouwmaterialen en -producten ten behoeve van zijn hoveniersbedrijf is toegestaan. In het kader van een procedure omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2000 is van gemeentelijke zijde gesteld dat dit het geval is, terwijl dit nu niet bevestigd wordt ten aanzien van dit - ongewijzigde - gebruik, zo voert [appellant sub 3] aan.

2.6.1. Het perceel [locatie 2] heeft de bestemming "Wonen". Deze bestemming maakt het door [appellant sub 3] bedoelde gebruik van de voormalige kippenschuur op het perceel niet mogelijk.

Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij geen bezwaren heeft tegen het huidige gebruik van de schuur van [appellant sub 3] voor de opslag van tuinbouwmaterialen, indien dit gebruik niet wordt uitgebreid. Dit standpunt wijkt af van het door de raad bij de vaststelling van het plan ingenomen standpunt met betrekking tot dit gebruik. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit voor het ter zitting door de raad geuite standpunt aanleiding hebben gegeven, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.7. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 2] dat is bebouwd met een voormalige kippenschuur.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.8. [appellant sub 4] betoogt dat volgens het plan ten onrechte niet het legaal opgerichte bedrijfsgebouw en een paardenrijbak op haar perceel [locatie 3] te [plaats] zijn toegelaten.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 4] gewenste ontwikkeling neerkomt op nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, hetgeen niet mogelijk is in het buitengebied. Bovendien is de locatie gelegen binnen een landbouwontwikkelingsgebied, waar het beleid is gericht op versterking van de intensieve veehouderij, zo stelt de raad.

2.8.2. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht bevinden zich aan de [locatie 3] op gronden met de bestemming "Agrarisch" een paardenstal en een paardenrijbak ten behoeve van een paardenhouderij. Vaststaat dat de bestemming "Agrarisch" het bestaande gebruik van de gronden als paardenhouderij mogelijk maakt, maar dat de paardenstal en paardenrijbak ter plaatse niet bij recht zijn toegestaan.

Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij zijn keuze om de paardenstal en de paardenrijbak niet mogelijk te maken, wil heroverwegen. Nu niet gebleken is dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit aanleiding hebben gegeven voor dit standpunt, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.9. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 3].

Het beroep van [appellant sub 5]

2.10. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - toeristenpoort" en bijbehorende horeca-activiteiten, die zijn toegekend aan het perceel [locatie 4] te Oirschot. Verder kan hij zich niet verenigen met de mogelijkheid die het plan biedt om drie trekkershutten te realiseren. Volgens hem brengen de horeca-activiteiten en het gebruik van de trekkershutten onaanvaardbare geluidhinder met zich. Hij voert in dit verband aan dat de raad ten onrechte ervan is uitgegaan dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit, te weten een educatieve viskwekerij. Voorts is niet duidelijk wat in het plan wordt verstaan onder ondergeschikte horeca. Volgens [appellant sub 5] kunnen horeca-activiteiten ook ten behoeve van de nevenactiviteiten worden ontplooid.

[appellant sub 5] stelt in dit verband dat het perceel feitelijk niet agrarisch wordt gebruikt, maar veeleer het karakter heeft van een horecagelegenheid. Zo worden de ontvangstruimte, die op ongeveer 8 m van zijn woning ligt, en het daaraan grenzende terras gebruikt voor feesten en bedrijfsuitjes en andere horeca-activiteiten en wordt de loods waarin de visverwerking en opslag plaatsvindt, deels als feestzaal gebruikt. Ook zijn volgens hem ten onrechte vier bed & breakfastkamers mogelijk gemaakt terwijl op het perceel geen woning aanwezig is. Hij betoogt verder dat onduidelijk is welk type horeca is toegestaan, wat de openingstijden zijn en dat van een te laag bezoekersaantal is uitgegaan bij het bepalen van de gevolgen voor de omgeving. Daarnaast betoogt hij dat de viskwekerij in strijd met de bestemming wordt gebruikt als kinderopvangcentrum en standplaats voor caravans. Voorts wordt niet voldaan aan de afstanden die in de VNG-brochure zijn aanbevolen. Tot slot voert hij aan dat geen noodzaak bestaat voor een toeristenpoort op het perceel, nu het plan reeds voorziet in zeven toeristenpoorten in de omgeving.

2.10.1. De raad stelt dat de horeca-activiteiten uitsluitend ondersteunend mogen zijn aan de hoofdactiviteit, die in dit geval bestaat uit de educatieve viskwekerij. Indien bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd die niet overeenstemmen met het plan, kan hiertegen handhavend worden opgetreden. Verder betoogt de raad dat de openingstijden in de Algemene Plaatselijke Verordening zijn geregeld. Planologisch is het volgens hem niet mogelijk om openingstijden te reguleren. Voorts betoogt de raad dat de bed & breakfastkamers en de trekkershutten passen in het door hem gehanteerde beleid, dat is neergelegd in de Visie toerisme en recreatie.

2.10.2. Aan het betreffende perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden " en zijn de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - educatieve viskwekerij" en "specifieke vorm van recreatie - toeristische poort" toegekend.

In artikel 5, lid 5.1.2 van de planregels is bepaald dat de gronden met deze bestemming tevens bestemd zijn voor nevenactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage 3 in de tabel "nevenactiviteiten".

In bijlage 3 behorende bij de planregels zijn in de tabel met nevenactiviteiten voor het perceel [locatie 4] een toeristenpoort met bed & breakfast, trekkershutten, horecavoorziening/educatieruimte en een terras opgenomen. In de tabel zijn geen maximaal toegestane oppervlaktes ten behoeve van deze gebouwen en functies opgenomen.

In artikel 1, lid 21, is een bed & breakfast als volgt omschreven: "een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie die zich met name richt op de trekkende toeristen, die voor één of enkele nachten een onderkomen zoeken. Typerend voor bed & breakfast is dat deze gekoppeld is aan een woonfunctie, dat betekent dat mede gebruik wordt gemaakt van keuken en eventueel sanitair van de woning en dat deze binnen de bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw gerealiseerd moet worden, mits de daartoe maximale m2 niet wordt overschreden."

In artikel 1, lid 131, is een toeristenpoort omschreven, voor zover hier van belang, als een transferium waar kleinschalige, overwegend dagrecreatieve, activiteiten worden ontplooid over het Oirschotse toeristisch-recreatieve product, waar ondergeschikte horeca deel van uitmaakt.

In artikel 1, lid 108, is ondergeschikte horeca omschreven als een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

2.10.3. De Afdeling stelt voorop dat de vraag of de bedrijfsgebouwen van de viskwekerij in overeenstemming met het bestemmingsplan zullen worden gebruikt ziet op de naleving van het bestemmingsplan, en om die reden niet in de onderhavige procedure aan de orde is. Voorts blijkt uit de definitie van ondergeschikte horeca in artikel 1, onder 108, van de planregels duidelijk dat dergelijke horeca-activiteiten uitsluitend kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de hoofdfunctie en niet ten behoeve van eventuele nevenactiviteiten. Dit betekent dat in het voorliggende geval uitsluitend ondergeschikte horeca mogelijk is ten behoeve van de educatieve viskwekerij. Het betoog dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de horeca-activiteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit kan derhalve niet slagen.

Met betrekking tot de nevenactiviteiten overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is door de raad erkend dat abusievelijk in bijlage 3 van de planregels voor het perceel [locatie 4] geen maximale oppervlaktes zijn opgenomen voor de verschillende nevenactiviteiten en niet een maximaal aantal personen dat binnen de bed & breakfast mag verblijven, is voorgeschreven. Verder is door de raad erkend dat op het perceel geen woning of woonfunctie aanwezig is, zodat in afwijking van artikel 1, lid 21, van de planregels de bed & breakfast niet is gekoppeld aan een woonfunctie. Voorts geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat is onderzocht welke geluidbelasting vanwege de verschillende nevenfuncties en de ondergeschikte horeca-activiteiten op het perceel zal optreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is.

Het beroep van [appellante sub 6]

2.11. [appellante sub 6] exploiteert een kampeerboerderij op het perceel [locatie 5] te [plaats]. Zij stelt dat in het plan ten onrechte slechts één bedrijfswoning op haar perceel is toegestaan.

Zij heeft hiertoe aangevoerd dat op het perceel sinds 2002 twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Volgens [appellante sub 6] is dit noodzakelijk voor de bedrijfsvoering en is van gemeentewege de mededeling gedaan dat de twee bedrijfswoningen als zodanig zullen worden bestemd. [appellante sub 6] stelt verder dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij hierover geen advies heeft gevraagd aan de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie, nu de raad pas in de reactie op de zienswijzen heeft aangegeven dat hij een advies ter zake nodig acht.

2.11.1. Aan het perceel [locatie 5] is, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie (R)" met de nadere aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'kampeerboerderij' toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1.1, onder i, en lid 14.2.2, onder b, van de planregels is op het perceel één bedrijfswoning toegestaan.

2.11.2. De raad stelt dat het gemeentelijke beleid is gericht op het tegengaan van verstening in het buitengebied en op het weren van functies die niet in het buitengebied thuishoren. Volgens de raad kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties medewerking worden verleend aan een tweede bedrijfswoning. De raad stelt dat bij brief van 23 juni 2009 door het college van burgemeester en wethouders is aangegeven dat in principe medewerking kan worden verleend aan een tweede bedrijfswoning, mits de noodzaak daarvan wordt aangetoond. Volgens de raad had [appellante sub 6] dit kunnen aantonen door middel van een advies van de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie. Nu [appellante sub 6] een dergelijk advies niet heeft overgelegd, acht de raad de noodzaak van de tweede bedrijfswoning niet voldoende aangetoond.

2.11.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het in geding zijnde perceel een totale oppervlakte heeft van ongeveer 6 hectare. Op het terrein zijn drie gebouwen aanwezig met vijf groepsaccommodaties voor in totaal 218 personen. De accommodaties beschikken over verblijfsruimten, keukens, slaapzalen en sanitair. Ook bevinden zich op het terrein een midgetgolfbaan, een bos, een vis- en speelvijver, kampvuurplaatsen, speelvelden en een minicamping. Verder zijn op het perceel twee afzonderlijke volwaardige woningen aanwezig, namelijk een woning uit 1948 en een woning die is gebouwd in 2002, aldus het deskundigenbericht.

2.11.4. Bij besluit van 2 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders een vergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 5]. Op dat moment was op dat perceel, zoals blijkt uit het vorenstaande, reeds een woning uit 1948 aanwezig.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Correctieve herziening 2003" slechts één bedrijfswoning op het perceel was toegestaan.

Bij brief van 23 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders, onder het kopje "Besluit", medegedeeld dat wordt besloten medewerking te verlenen aan het legaliseren van de vergunde bedrijfswoning en dat het bestemmingsplan wordt aangepast om de tweede bedrijfswoning te legaliseren conform de vergunde situatie. Daarbij is aangegeven dat in de vergunning van de tweede bedrijfswoning niet als voorwaarde is opgenomen dat de eerste woning van zijn functie moet worden ontdaan. In die brief is verder, onder het kopje "Beoordeling rob", vermeld dat de ruimtelijke onderbouwing is beoordeeld en dat de noodzaak van een tweede bedrijfswoning onvoldoende is onderbouwd.

2.11.5. De Afdeling overweegt dat zij op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet heeft kunnen vaststellen of bij de verlening van de bouwvergunning van 2 april 2002 de voorwaarde is gesteld dat de eerste bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] van zijn functie moest worden ontdaan. De raad heeft ter zitting verklaard dat een dergelijke voorwaarde, anders dan lijkt te volgen uit de brief van 23 juni 2009, destijds wel is gesteld. De raad heeft deze verklaring echter niet nader onderbouwd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Uit de stukken blijkt verder dat [appellante sub 6] op 1 december 2009 een nieuwe ruimtelijke onderbouwing bij de raad heeft ingediend, waarin de noodzaak van een tweede bedrijfswoning op het perceel nader is onderbouwd. De raad heeft zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de tweede bedrijfswoning niet voldoende aangetoond, aangezien daarover geen advies is ontvangen van de provinciale adviescommissie Toerisme en Recreatie.

De raad heeft ter zitting verklaard dat een advies van deze commissie niet ongebruikelijk is bij grootschalige uitbreidingen van recreatievoorzieningen, maar dat een dergelijk advies niet in alle gevallen is vereist. Gelet hierop en nu de raad niet inhoudelijk is ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2009, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt evenmin berust op een deugdelijke motivering.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Recreatie", wat betreft het perceel [locatie 5], voor zover op dit perceel één bedrijfswoning is toegestaan, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.12. [appellant sub 7] exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 6] te [plaats]. In de omgeving van zijn bedrijf heeft hij gronden in gebruik als weidegrond en voor de teelt van mais. [appellant sub 7] stelt dat in het plan ten onrechte een natuurbestemming is toegekend aan de oevers van de nabijgelegen watergang Beerzeloop. Hij vreest dat dit beperkingen oplevert voor zijn bedrijfsvoering.

2.12.1. Aan de gronden langs de beide oevers van de watergang Beerzeloop is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden, voor sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen, alsmede voor daaraan ondergeschikt agrarisch medegebruik in de vorm van natuurbeheer.

2.12.2. De raad stelt dat hij op grond van de provinciale algemene regels ter zake gehouden was een natuurbestemming vast te stellen voor de oevers van de Beerzeloop. Daarbij heeft de raad overwogen dat het gaat om een ecologische verbindingszone die ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds was gerealiseerd. [appellant sub 7] heeft dit standpunt van de raad niet bestreden.

Blijkens de zienswijzennota en het verweerschrift stelt de raad zich verder op het standpunt dat het plan in zoverre geen nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 7].

In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Daarbij is van belang dat [appellant sub 7] geen gronden heeft langs de Beerzeloop. Blijkens de verbeelding en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de gronden van [appellant sub 7] en de gronden met een natuurbestemming minimaal 37 m en ligt het bouwvlak op het perceel [locatie 6] op een afstand van ongeveer 150 m van de gronden met een natuurbestemming. Gelet hierop en nu [appellant sub 7] niet concreet heeft aangegeven welke beperkingen hij vreest te zullen ondervinden van de natuurbestemming die is toegekend aan de oevers van de Beerzeloop, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het betoog faalt.

2.13. [appellant sub 7] is tevens pachter van een perceel aan de Meierijse Baan te Oirschot. Hij stelt dat in het plan ten onrechte een natuurbestemming is toegekend aan dit perceel, dat hij in gebruik heeft als weidegrond. Verder stelt hij dat aan dit perceel ten onrechte een dubbelbestemming, gericht op de bescherming van de zogenoemde natte natuurparel, is toegekend.

Hij vreest dat het plan in zoverre beperkingen oplevert voor het huidige agrarische gebruik.

2.13.1. Aan het in geding zijnde perceel is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend. Tevens is aan dit perceel de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel (WR-NN)" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1.1, van de planregels zijn de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones.

Ingevolge lid 28.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in het artikellid omschreven werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren.

2.13.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij geen natuurbestemming heeft willen toekennen aan gronden die agrarisch worden gebruikt. Aangezien [appellant sub 7] het door hem gepachte perceel aan de Meierijse Baan agrarisch gebruikt, had aan dit perceel bij nader inzien de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" moeten worden toegekend, zo stelt de raad.

Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de dubbelbestemming voor de natte natuurparel, gezien de regels die daarvoor in het plan zijn gesteld, een te grote beperking oplevert voor het bestaande agrarische gebruik van de gronden. Volgens de raad mogen deze regels niet in de weg staan aan de voortzetting van het normale agrarische gebruik. De raad stelt zich bij nader inzien dan ook op het standpunt dat de regels voor deze dubbelbestemming moeten worden gewijzigd.

Nu de raad zich op bovengenoemde punten op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.14. Het beroep van [appellant sub 8] is gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Natuur" en "Wonen" die betrekking hebben op zijn perceel aan de [locatie 7] te [plaats] (hierna ook: [het perceel]). Hij betoogt onder meer dat de raad zijn gronden ten onrechte niet heeft aangemerkt als landgoed en wijst hiertoe op de omstandigheid dat [het perceel] als landgoed is aangewezen in het kader van de Natuurschoonwet 1929. [appellant sub 8] vreest aldus niet te kunnen voldoen aan de instandhoudingsplicht die volgt uit de rangschikking in het kader van de Natuurschoonwet 1929.

[appellant sub 8] beoogt met zijn beroep voorts vergroting van het bouwblok ten behoeve van de daarbuiten gelegen gebouwtjes en ten behoeve van herbouw van zijn woning. De raad heeft bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening gehouden met het specifieke karakter en de bijzondere historie van het landgoed met de daarbij behorende bestaande gebouwtjes, paden en wegen. Ook heeft de raad niet gemotiveerd waarom bij omliggende percelen wel grotere bouwvlakken zijn toegekend en aan zijn perceel niet. Door het niet toekennen van een groter bouwvlak zijn ten onrechte de vanouds aanwezige garage, de houtopslag en de stenen garage/kantoor opnieuw onder het overgangsrecht gebracht.

Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, onzorgvuldig voorbereid en strijdig met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant sub 8].

2.14.1. Volgens de raad is voor de bestaande landgoederen binnen de gemeente gekozen voor de bestemming "Natuur" in combinatie met "Wonen" en in drie specifieke gevallen voor de bestemming "Maatschappelijk-Buitenplaats". Het plan heeft een conserverend karakter, hetgeen betekent dat geen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. De gebouwen op het terrein die buiten het bouwvlak staan zijn in het verleden gerealiseerd zonder bouwvergunning, zodat deze planologisch als een nieuwe ontwikkeling moeten worden beschouwd. De bestaande wegen en paden hoeven voorts volgens de raad niet in het plan geregeld te worden omdat deze geen openbare verkeersfunctie hebben. Het verzoek om uitbreiding van het bouwvlak is terecht niet meegenomen in het voorliggende plan omdat het verzoek pas in de zienswijze kenbaar is gemaakt, voor de uitbreiding geen ruimtelijke onderbouwing was ingediend en de planologische haalbaarheid dan ook niet is aangetoond. Het verzoek kan, indien voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, worden meegenomen in het kader van fase 2 van het plan, aldus de raad.

2.14.2. De gronden van [appellant sub 8] hebben een oppervlakte van ongeveer 9,1 hectare en bestaan voornamelijk uit bebossing. Op de gronden staan volgens het deskundigenbericht een woonhuis met garage, een houtopslag, een garage/opslag en enkele vervallen kippenschuurtjes.

2.14.3. Uit de stukken blijkt dat de gronden van het landgoed, met uitzondering van de woning, liggen binnen de bestemming "Natuur".

Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels, zijn deze gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden.

Volgens het deskundigenbericht bestaan de gronden in kwestie, behoudens de bebouwing en de paden, volledig uit bos.

2.14.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bestemming "Natuur" niet in de weg staat aan instandhouding van de gronden. In de plantoelichting staat dat de bestemming "Natuur", voor zover hier van belang, is bedoeld voor gronden waar het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke, de landschappelijke en ecologische waarden van bos, bosgrond en heidevelden voorop staan. Het behoud, herstel en/of ontwikkeling van bos, bosgrond en heide is echter niet in artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels opgenomen, maar is opgenomen onder de doeleinden van de bestemming "Bos". Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.14.5. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat de bestaande gebouwtjes op zijn terrein als zodanig in het plan hadden moeten worden bestemd, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat voor de oprichting daarvan bouwvergunningen zijn verleend, waarmee bij het vaststellen van het plan rekening had moeten worden gehouden.

2.14.6. Ingevolge artikel 42, lid 42.2.1 van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 42, lid 42.2.4 is lid 42.2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.14.7. Ingevolge artikel 42, lid 42.1.1, van de planregels, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het tenietgaan van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

Ingevolge artikel 42, lid 42.1.3. is het bepaalde in lid 42.1.1 niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.14.8. Ingevolge artikel 32, onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", mag een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning ingevolge artikel 40 van de Woningwet of krachtens een voor dat tijdstip gedane melding ingevolge artikel 42 van de Woningwet en die afwijkt van het plan, behoudens onteigening overeenkomstig de wet mits de planafwijking naar aard niet wordt vergroot en overigens geen andere afwijking van het plan ontstaat:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd;

2. uitgebreid worden met ten hoogste 10% van de oppervlakte, die bestond op het moment dat het plan ter visie werd gelegd;

3. na calamiteit geheel worden herbouwd, mits de bouwaanvraag binnen twee jaar na de calamiteit is ingediend.

2.14.9. Ingevolge artikel 32, onder b, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", mag het gebruik van gronden en/of opstallen dat strijdig is met het plan, worden gehandhaafd; dit geldt echter niet indien het betreft een gebruik dat strijdig met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming was en welk strijdige gebruik een aanvang heeft genomen, nadat dit vorige bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

2.14.10. Het plan dat gold voorafgaand aan het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", is in 1976 in werking getreden, terwijl aannemelijk is gemaakt dat de bouw en het gebruik van de gebouwtjes al rond 1940 is aangevangen, zodat bouw en gebruik onder de werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" vielen en daarmee, gelet op de onder 2.14.7 en verder weergegeven planregels, ook onder de werking van het overgangsrecht van het thans voorliggende plan.

2.14.11. Uit de omstandigheid dat bouw en gebruik al langere tijd onder de werking van het overgangsrecht vallen, volgt niet dat aan de gebouwtjes een positieve bestemming moet worden toegekend. In beginsel doen bouw en gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel bouw en gebruik die onder het overgangsrecht vallen geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan op een positieve bestemming. Ook het feit dat de gebouwtjes er al jaren staan en dat daaraan, naar [appellant sub 8] betoogt, een bijzondere geschiedenis is verbonden, kan niet tot dergelijke rechten en verwachtingen leiden. Dit betoog slaagt niet.

2.14.12. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de planvaststelling voorts geen rekening hoeven te houden met de wens van [appellant sub 8] om zijn bouwblok uit te breiden, nu - naar door hem niet is weersproken - ten tijde van de vaststelling van het plan van concrete bouwplannen geen sprake was. Indien [appellant sub 8] beschikt over een concreet plan voor de uitbreiding van zijn bouwblok en de daarin door hem beoogde bebouwing, kan hij zich wenden tot het gemeentebestuur met een verzoek dit planologisch mogelijk te maken. Het beroep dat [appellant sub 8] doet op de mogelijk gemaakte uitbreiding van bouwpercelen in de omgeving - wat daarvan ook zij - behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.15. [appellant sub 9] betoogt onder meer dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreiding van het bouwvlak voor zijn melkgeitenhouderij aan de [locatie 8] te Oirschot en dat aan een deel van zijn perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" had moeten worden toegekend in plaats van de bestemming "Natuur", zodat ruimte bestaat om het bouwvlak in de toekomst alsnog uit te breiden. Dat een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd staat volgens [appellant sub 9] niet in de weg aan de mogelijkheid van aanpassing van het plan in de door hem gewenste zin.

[appellant sub 9] voert daarnaast aan dat ten onrechte de gebiedsaanduiding "robuuste ecologische verbinding" is toegekend aan het perceel [locatie 8], nu deze zone reeds is gerealiseerd.

2.15.1. De raad stelt dat voor de ontwikkelingen voor de intensieve veehouderijbedrijven een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd. De uitkomsten hiervan en dus ook de ontwikkelingen worden volgens de raad meegenomen in een volgende fase. In afwachting hiervan past de raad het plan niet aan.

Daarnaast is volgens de raad van belang dat in de Verordening Ruimte fase 1 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening Ruimte) vanwege de Q-koorts een bouwstop is opgenomen voor alle schapen- en geitenhouderijen, waardoor tot 1 juni 2012 niet mag worden meegewerkt aan schapen- en geitenhouderijen.

De raad stelt zich op het standpunt dat niet van belang is dat de ecologische verbindingszone al is gerealiseerd, nu de opgenomen gebiedsaanduiding niet alleen realisatie van de verbindingszone mogelijk maakt, maar ook de instandhouding daarvan.

2.15.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.7., aanhef en onder a, van de Verordening Ruimte geldt tot 1 juni 2012 de regel dat uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een intensieve geiten- of schapenhouderij niet zijn toegestaan.

2.15.3. Het standpunt van [appellant sub 9] dat de noodzaak om een milieueffectrapportage uit te voeren niet in de weg staat aan vaststelling van een bestemmingsplan dat reeds in deze ontwikkeling voorziet voordat de milieueffectrapportage is afgerond, kan niet worden gevolgd. Voorts heeft de raad terecht belang toegekend aan de uit de Verordening Ruimte volgende beperkingen voor uitbreiding van geitenhouderijen.

Gelet hierop en gezien de omstandigheid dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog onvoldoende duidelijkheid bestond over het antwoord op de vraag of, en zo ja op welke wijze de door [appellant sub 9] gewenste uitbreiding van het bouwvlak van de geitenhouderij aan de [locatie 8] mogelijk kan worden gemaakt, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om deze vooralsnog niet toe te staan.

2.15.4. Wat betreft de bestemming "Natuur" heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat de gronden aan de [locatie 8] met deze bestemming in gebruik zijn voor agrarische bedrijvigheid en dat het plan op dit punt moet worden aangepast. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit aanleiding hebben gegeven voor dit standpunt, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.15.5. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" bestemd voor de realisatie van een robuust duurzaam ecologisch netwerk.

Artikel 5, lid 5.8.11, van de planregels voorziet voorts, onder bepaalde voorwaarden, in de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" ter plaatse van de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" te wijzigen in de bestemming "Natuur".

2.15.6. Een redelijke uitleg van artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder d, van de planregels brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat deze bepaling niet alleen de realisatie, maar ook de instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone mogelijk maakt. De enkele omstandigheid dat een ecologische verbindingszone is aangelegd, maakt dus niet dat geen aanleiding meer bestaat om de gebiedsaanduiding "robuuste ecologische verbindingszone" niet in het plan op te nemen. Voorts beperkt de aanduiding "robuuste ecologische verbinding" de toegelaten bedrijvigheid ter plaatse van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" niet. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ervan had moeten afzien om de gebiedsaanduiding op te nemen voor zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap".

2.16. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het overwogene onder 2.15.4, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" dat betrekking heeft op gronden aan de [locatie 8].

Het beroep van [appellant sub 10]

2.17. [appellant sub 10] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bouwvlak van 1,5 hectare op zijn perceel [locatie 35]. Volgens hem is dit in strijd met een besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 september 2004, en een brief van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot van 29 september 2004. Verder zullen volgens hem de mestopslag en de kuilplaten buiten het thans toegekende bouwvlak van 0,35 hectare vallen.

2.17.1. De raad heeft een bouwvlak van 1,5 hectare niet toegekend, omdat het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden aan het hiervoor geldende plan "Buitengebied, Correctieve herziening 2003", voor zover daarin een bouwvlak van 1,5 hectare voor dit perceel was opgenomen, behoudens de delen waarop bestaande en vergunde bebouwing aanwezig was. Bij het goedkeuringsbesluit is het bouwvlak teruggebracht tot 1,2 hectare. [appellant sub 10] heeft tegen dit goedkeuringsbesluit geen beroep ingesteld. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat enkel kan worden overgegaan tot het toekennen van een groter bouwvlak indien een concreet uitbreidingsplan wordt ingediend, hetgeen in dit geval niet is gebeurd. Een dergelijk verzoek kan alsnog worden meegenomen bij het vaststelling van de zogeheten fase 2 van het bestemmingsplan, aldus de raad.

2.17.2. De Afdeling stelt vast dat onder het hiervoor geldende plan een bouwvlak van 1,2 hectare was toegekend aan het perceel, en dat de bedrijfsgebouwen hier alle binnen vielen. De raad heeft ter zitting erkend dat een bouwvlak van in ieder geval 1,2 hectare groot had moeten worden opgenomen, aangezien het zijn bedoeling was dat de bestaande bouwwerken binnen de grenzen van het bouwvlak staan. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond.

Voor zover [appellant sub 10] heeft betoogd dat een bouwvlak van 1,5 hectare had moeten worden, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwvlak van deze omvang niet had hoeven worden toegekend zolang geen concreet uitbreidingsplan aanwezig was. Het beroep slaagt in zoverre niet.

2.18. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de bestemming "Waarde - Natte natuurparel" die aan zijn percelen aan de Meierijse Baan en Vinkendonken is gegeven. Hierdoor is het volgens hem niet mogelijk om zonder vergunning enige activiteit uit te voeren die invloed heeft op de waterhuishouding. Verder keert hij zich tegen de bestemming "Natuur" die aan zijn agrarische percelen aan de Meierijse Baan, Vinkendonken en Oude Grintweg is gegeven. Deze bestemming leidt tot beperkingen in zijn bedrijfsvoering.

2.18.1. Aan de in geding zijnde percelen aan de Meierijse Baan, de Vinkendonken en de Oude Grintweg is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend. Tevens zijn aan de percelen aan de Meierijse Baan en de Vinkendonken de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel (WR-NN)" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1.1, van de planregels zijn de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones.

Ingevolge lid 28.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de in het artikellid omschreven werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren.

2.18.2. De raad heeft blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting zich op het standpunt gesteld dat de bestemming "Natuur" niet behoeft te worden toegekend aan de gronden die agrarisch worden gebruikt. Aangezien [appellant sub 10] de percelen aan de Meierijse Baan, de Vinkendonken en de Oude Grintweg agrarisch gebruikt, had aan deze percelen bij nader inzien de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" moeten worden toegekend, zo stelt de raad.

Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" op de percelen aan de Meijerijse Baan en Vinkendonken, gezien de regels die daarvoor in het plan zijn gesteld, een te grote beperking oplevert voor het bestaande agrarische gebruik van de gronden. Volgens de raad mogen deze regels niet in de weg staan aan de voortzetting van het normale agrarische gebruik. De raad stelt zich bij nader inzien dan ook op het standpunt dat de regels voor deze dubbelbestemming moeten worden gewijzigd.

Nu de raad zich op bovengenoemde punten op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

2.19. [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de aanduiding "archeologische waarden" die is toegekend aan zijn percelen aan de Oude Grintweg. Hij betoogt dat zijn percelen moeten worden vrijgesteld van deze aanduiding ten aanzien van werkzaamheden ondieper dan 60 cm.

2.19.1. In artikel 34, lid 34.2.1, van de planregels is bepaald dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Archeologische waarden', behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor de bescherming van hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge artikel 34, lid 34.2.2, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: het afgraven, vergraven, ontgronden, ophogen of egaliseren, diepploegen, woelen en mengen van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 0,30 m.

2.19.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de gebieden binnen het plangebied waar een hoge indicatieve verwachtingswaarde geldt, wenst te beschermen. Hij heeft bij het bepalen van de gronden waar deze verwachtingswaarde geldt, in afwachting van de vaststelling van een gemeentelijke archeologische waardenkaart, aansluiting gezocht bij de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, van maart 2005. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het buitengebied van Oirschot, waaronder de door [appellant sub 10] bedoelde gronden, een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Volgens de raad dienen deze waarden in het plan te worden beschermd en is daarom de aanduiding "archeologische waarden" toegekend. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan de bescherming van de archeologische waarden dan aan de belangen van [appellant sub 10]. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Met betrekking tot de diepte tot waarop de bodem niet mag worden aangetast zonder aanlegvergunning, heeft de raad ter zitting aangegeven dat de diepte van 0,30 m kan worden uitgebreid naar een diepte van 0,50 m. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 34, lid 34.2.2, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.20. [appellant sub 11] kan zich niet verenigen met de uitbreiding van het bouwvlak op het zuidelijke deel van een tweetal percelen aan de [locatie 9], waarop een boomkwekerij is gevestigd. Bovengenoemd deel van de percelen ligt ten noorden van zijn woning op het perceel [locatie 9]. Hij betoogt dat een uitbreiding zal leiden tot een aantasting van het landschap en de aanwezige flora- en fauna. Voorts zullen het uitzicht vanuit zijn woning en de lichtinval verminderen. Verder vreest hij overlast van afstromend hemel- en sproeiwater en parkeeroverlast en geluidoverlast vanwege vrachtwagens die het bedrijf aandoen. Tot slot vreest hij schadelijke gevolgen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en sproeiwater.

2.20.1. Aan het perceel ten noorden van het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" gegeven.

Ingevolge artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij en glastuinbouw.

Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder a, mogen, voor zover hier van belang, de gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder h, bedraagt de maximale bouwhoogte en maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfsgebouwen in de vorm van kassen 10 respectievelijk 6 m. Voorts mag de minimale afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer dan 5 m bedragen en de minimale afstand van bedrijfsgebouwen in de vorm van kassen niet meer dan 50 m.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.4, dient minimaal 10% van het bouwvlak te worden ingericht ten behoeve van landschappelijke inpassing.

Ingevolge artikel 35, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van de bestemmingsplanbepalingen voor het bouwen binnen 5 m van of in de zijdelingse perceelsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.

In het hiervoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening 2003" was voor het betreffende perceel een bouwvlak vastgelegd dat ongeveer een vierde van het perceel besloeg. Dit bouwvlak lag op een afstand van ongeveer 30 m van de perceelsgrens met [appellant sub 3]. De bouw- en goothoogte en de afstand tot de perceelsgrens waren gelijk aan de regels met betrekking tot de maatvoering en de minimale afstand die in het ter beoordeling staande plan zijn opgenomen.

In het ter beoordeling staande plan zijn de grenzen van het bouwvlak gelijk aan de grenzen van het perceel.

2.20.2. Blijkens het deskundigenbericht zijn op het perceel van de kwekerij een containerveld, een loods en een waterbassin aanwezig. Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat de omgeving van het perceel grotendeels agrarisch wordt gebruikt, waaronder voor kassen. Voorts staan in het gebied enkele verspreid liggende woningen. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat door de in het plan voorziene uitbreiding van het bouwvlak de landschappelijke waarden zo ernstig worden aangetast dat deze uitbreiding niet mogelijk had kunnen worden gemaakt. Voorts heeft [appellant sub 3] niet aangegeven welke flora en fauna nadelig zullen worden beïnvloed door de wijzigingen in het bouwvlak die het plan mogelijk maakt. Het betoog faalt op dit punt.

Ten aanzien van de afwatering van het naastgelegen perceel overweegt de Afdeling dat dit perceel blijkens het deskundigenbericht op afschot is uitgevoerd, waarbij het water afloopt naar diverse putten op het perceel die leiden naar het waterbassin. Het is hierdoor niet aannemelijk dat het water dat op het containerveld valt, zal aflopen naar het perceel van [appellant sub 11]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet om waterhuishoudkundige redenen niet had kunnen worden vastgesteld. Het betoog faalt op dit punt.

Met betrekking tot de door [appellant sub 3] gevreesde geluidhinder vanwege vrachtverkeer van en naar de kwekerij, overweegt de Afdeling dat ter zitting aannemelijk is gemaakt dat het aantal vrachtwagenbewegingen, ongeveer één per dag, niet zal toenemen door een uitbreiding van de productie. Gelet op de agrarische omgeving van het bedrijf heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze aantallen verkeersbewegingen de uitbreiding van het bouwvlak niet tot onaanvaardbare geluidhinder zal leiden. Voorts is ter zitting aannemelijk geworden dat het aantal verkeersbewegingen vanwege werknemers van het bedrijf niet zal toenemen en heeft [appellant sub 11] niet gemotiveerd bestreden dat op het perceel voldoende parkeerruimte voor bezoekers en werknemers is. Het betoog faalt op dit punt.

2.20.3. Met betrekking tot verminderde lichtinval en het verlies van uitzicht overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 11] op ongeveer 8,5 m van de perceelsgrens ligt. De afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en de bebouwing die het plan mogelijk maakt is derhalve 13,5 m. In het deskundigenbericht is vermeld dat met deze tussenliggende afstand en een bebouwing met een hoogte van 10 m de lichtinval op en het uitzicht vanaf het perceel van [appellant sub 11] verminderen. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat rekening is gehouden met de gevolgen van het uitbreiden van het bouwvlak ten opzichte van het hiervoor geldende plan. Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat geen verklaring is gegeven voor het verschil tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfsgebouwen zijnde kassen wat betreft de aan te houden afstand tot de perceelsgrens. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het betoog slaagt.

2.20.4. Wat betreft de verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen naar de woning van [appellant sub 11] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat door het gebruik van gesloten wandelkappen geen verwaaiing mogelijk is.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de wandelkappen minimaal de helft van het jaar open staan, zodat zeker is dat in die periode verwaaiing van bestrijdingsmiddelen optreedt. Ter zitting is dit door de raad beaamd. Voorts maakt het plan weliswaar het gebruik van deze wandelkappen mogelijk, maar niet is uitgesloten dat deze kappen desondanks niet worden gebruikt.

Vooropgesteld moet worden dat er geen wettelijke voorschriften zijn over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Dit laat onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen een teeltbedrijf en woningen zodanig gekozen dient te worden dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter zitting heeft de raad beaamd dat, ondanks dat de teeltactiviteiten op korte afstand van de woning van [appellant sub 3] worden uitgevoerd, geen rekening is gehouden met het gebruik van deze middelen op de naaste omgeving. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.21. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgrond met betrekking tot de ontwikkeling van woningbouw op de percelen Pandgat, ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie L, nummer 1252, respectievelijk sectie L, nummers 52 en 1251 ingetrokken.

2.21.1. [appellant sub 1], exploitant van een boomkwekerij op een tweetal percelen aan de [locatie 9], kan zich niet vinden in de planregels ten aanzien van de teeltondersteunende voorzieningen. Deze zijn volgens hem onvoldoende duidelijk, waardoor onzeker is welke voorzieningen ten behoeve van de teelt op zijn percelen zijn toegestaan. Het betreft met name de vraag of ter plaatse zogenoemde wandelkappen zijn toegestaan.

2.21.2. In het plan is aan de gronden in kwestie de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij en glastuinbouw;

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' moet een glastuinbouwbedrijf worden uitgeoefend;

met de bij a tot en met f behorende:

p. agrarische bedrijfsgebouwen;

t. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.21.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bestaan de in het bedrijf van [appellant sub 1] gebruikte wandelkappen uit plastic tunnels voor de tijdelijke bescherming van buitenteelt. De wandelkappen staan op containervelden, op een stenen ondergrond. Het frame is permanent aanwezig. Van november tot uiterlijk half april wordt het frame gedicht door middel van het overspannen van het dak met plastic en het neerlaten van de zijwanden.

2.21.4. In artikel 1, lid 128, zijn teeltondersteunende voorzieningen omschreven als voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven:

• verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;

• verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;

• bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water).

Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeientafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten.

Onder teeltondersteunende voorzieningen vallen:

a. teeltondersteunende kas:

een teeltondersteunende voorziening bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (>1,5 m) worden beschouwd als een kas;

b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:

teeltondersteunende voorzieningen, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik;

c. permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, die voor onbepaalde tijd worden gebruikt, zoals bakken op stellingen (aardbeien) en containervelden. De voorzieningen hebben geen directe relatie met het grondgebruik.

2.21.5. Ingevolge artikel 1, lid 46, is een bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, lid 64, is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 1, lid 87, is een kas een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (> 1,5 m) worden beschouwd als een kas.

2.21.6. Ter zitting heeft de raad verklaard dat met de planregeling niet is beoogd om de toepassing van de wandelkappen zoals omschreven in 2.21.3 in het bedrijf van [appellant sub 1] onmogelijk te maken. De raad heeft voorts erkend dat de regeling in artikel 1, lid 128, van de planregels ten aanzien van wandelkappen niet eenduidig is, zodat onduidelijkheid kan ontstaan over hetgeen ter plaatse is toegestaan en daardoor aanleiding kan geven tot rechtsonzekerheid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.22. [appellant sub 12] voert aan dat ten onrechte aan zijn perceel [locatie 10] te Oirschot, waaraan de bestemming "Wonen (W)" is toegekend, niet de aanduiding "praktijk" is toegekend. Volgens hem bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen het ter plaatse exploiteren van een praktijkruimte, aangezien een medische praktijkruimte grote overeenkomsten vertoont met een kantoor, dat wel ter plaatse is toegestaan.

2.22.1. Aan het perceel [locatie 10] is de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Voorts zijn aan het perceel de aanduidingen "kantoor" en "atelier" toegekend. Ingevolge artikel 17, lid 17.1.1, aanhef en onder h, en de daarbij behorende tabel van de planregels zijn de gronden op het perceel [locatie 10] bestemd voor wonen, een atelier, een galerie, het geven van workshops en een kantoor.

2.22.2. De raad stelt dat het plan conserverend van aard is en dat in het hiervoor geldende plan een woonbestemming was toegekend aan het perceel. Een atelier en een kantoor waren onder het vorige plan toegestaan. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien de ruimtelijke gevolgen van een praktijkruimte ter plaatse ongeveer gelijk zullen zijn aan de gevolgen van een kantoor en dat hij op dit punt een heroverweging wenst te maken. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 13]

2.23. [appellant sub 13] betoogt dat aan het perceel [locatie 11] te Oirschot de aanduiding "tuincentrum" ten onrechte niet is toegekend, waardoor ter plaatse geen detailhandel is toegestaan, terwijl dit wel deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het vijver- en groencentrum van [appellant sub 13]. Op dit punt is het plan niet in overeenstemming met het gestelde in de nota van zienswijzen, aldus [appellant sub 13].

2.23.1. Aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11] zijn naast de bestemming "Bedrijf" diverse aanduidingen toegekend, waaronder de aanduiding "tuincentrum".

De raad heeft blijkens de Zienswijzennota bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten ten behoeve van het perceel [locatie 11] de aanduiding "tuincentrum" op te nemen, maar heeft deze wijziging ten opzichte van het ontwerpplan abusievelijk niet in de planregels verwerkt door het opnemen van regels ten behoeve van deze aanduiding. Het plan stemt op dit punt niet overeen met het besluit tot vaststelling. In zijn verweerschrift heeft de raad dit erkend.

2.24. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11].

Het beroep van [appellant sub 14]

2.25. [appellant sub 14] heeft een boomkwekerij, een minicamping en een bed & breakfast op het perceel [locatie 12] te [plaats]. Hij stelt dat het plan te beperkte mogelijkheden biedt voor de exploitatie van verblijfsrecreatie op zijn perceel. Hiertoe stelt hij dat de bed & breakfast en de minicamping op zijn perceel ten onrechte niet zijn opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Blijkens zijn beroepschrift, zoals nader toegelicht ter zitting, wil hij daarnaast - als nevenactiviteit bij zijn agrarische bedrijf - een groepsaccommodatie met een oppervlakte van ongeveer 100 m2 exploiteren op zijn perceel. Hij stelt dat deze groepsaccommodatie eveneens had moeten worden opgenomen in bijlage 3. Volgens [appellant sub 14] heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze nevenactiviteit niet kan worden toegestaan in verband met de ligging van het perceel in het LOG Langereijt. [appellant sub 14] heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat deze nevenactiviteit niet zal leiden tot beperkingen voor agrarische bedrijven in het LOG.

2.25.1. Aan het perceel [locatie 12] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend, met een agrarisch bouwvlak. Aan het perceel is eveneens de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied primair' toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bedrijfsmatige nevenactiviteiten voor zover het betreft activiteiten als genoemd in lid 3.1.2.

Ingevolge lid 3.1.2 zijn de gronden ter plaatse van de in tabel 1 aangegeven ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan bestaande nevenactiviteiten tevens bestemd voor de bestaande bedrijfsmatige nevenactiviteiten met de daarbij behorende voorzieningen en voor de niet in tabel 1 opgenomen bestaande en vergunde bedrijfsmatige nevenactiviteiten ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan alsmede de nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 3 behorende bij deze regels.

De bed & breakfast en de minicamping op het perceel [locatie 12] zijn niet opgenomen in tabel 1 bij lid 3.1.2 en evenmin in bijlage 3 bij de planregels. De door [appellant sub 14] gewenste groepsaccommodatie is hierin evenmin opgenomen.

2.25.2. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten dat de bed & breakfast en de minicamping op het perceel [locatie 12] moeten worden opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Deze wijzigingen, zoals weergegeven op pagina 112 van de zienswijzennota, zijn niet verwerkt in bijlage 3 bij de planregels. Het plan stemt op deze punten niet overeen met het besluit tot vaststelling. De raad heeft dit ter zitting erkend. Daarbij heeft de raad verklaard dat voor de bed & breakfast een oppervlakte van 150 m2 kan worden toegestaan en dat voor de minicamping 25 plaatsen kunnen worden toegestaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

2.25.3. Wat betreft de door [appellant sub 14] gewenste groepsaccommodatie overweegt de Afdeling het volgende.

Uit pagina 112 van de zienswijzennota blijkt dat [appellant sub 14] de raad reeds bij brief van 18 september 2000 heeft verzocht de verblijfsrecreatie op zijn perceel te mogen uitbreiden met een vakantiekampeerboerderij. Blijkens het verhandelde ter zitting gaat het daarbij om het gebruik van de bestaande bebouwing voor een groepsaccommodatie, met een maximale oppervlakte van 100 m2. [appellant sub 14] heeft daarbij vermeld dat hij de groepsaccommodatie wil gebruiken voor families en andere gezelschappen, in gevallen waarin niet alle leden van het gezelschap op de camping willen verblijven. De bestaande bebouwing hoeft hiervoor niet te worden aangepast, omdat alle benodigde (sanitaire) voorzieningen reeds met bouwvergunning zijn gerealiseerd, zo stelt [appellant sub 14]. Daarbij heeft hij verklaard dat de groepsaccommodatie een beperkte aanvulling zal vormen op zijn bestaande nevenactiviteiten en dat hij niet voornemens is zijn agrarische bedrijf ter plaatse te beëindigen.

Blijkens pagina 112 van de zienswijzennota heeft de raad zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan zonder meer op het standpunt gesteld dat geen verblijfsrecreatieve bestemming aan het perceel van [appellant sub 14] kan worden toegekend, gezien de ligging van dit perceel in het LOG Langereijt. De raad heeft daarbij echter niet bezien of de door [appellant sub 14] gevraagde, beperkte, uitbreiding van het bestaande verblijfsrecreatieve gebruik kan worden toegestaan als nevenactiviteit bij zijn agrarische bedrijf. Daarbij is van belang dat de raad ter zitting heeft verklaard dat in bijlage 3 bij de planregels ook nieuwe nevenactiviteiten kunnen worden opgenomen. Verder is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat de raad in beginsel niet afwijzend staat tegenover de door [appellant sub 14] gewenste groepsaccommodatie.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.26. [appellant sub 15] betoogt dat het horecabedrijf bij zijn kampeerterrein, aan de [locatie 14 en 13] te Oirschot, in afwijking van de reactie op zijn zienswijze, niet als zelfstandige activiteit in de planregels is opgenomen.

2.26.1. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten aan het perceel [locatie 14 en 13] gedeeltelijk een bestemming toe te kennen voor een kampeerterrein en voor het overige een bestemming voor een horecabedrijf, zoals ook in het voorheen geldende plan het geval was. Het horecabedrijf van [appellant sub 15] is evenwel niet separaat genoemd in artikel 9 van de planregels, als gevolg waarvan het horecabedrijf ter plaatse niet bij recht als hoofdactiviteit is toegelaten. Het plan stemt op dit punt niet overeen met het besluit tot vaststelling. In zijn verweerschrift heeft de raad dit erkend.

2.26.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wat betreft het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 13].

2.27. Voorts voert [appellant sub 15] aan dat ten onrechte op het deel van zijn gronden dat is bestemd voor "Recreatie" geen bedrijfswoning is toegelaten, terwijl ter plaatse een bedrijfswoning aanwezig is waarvoor een vergunning is verleend en ook het voorheen geldende plan deze mogelijkheid bood, zo voert [appellant sub 15] aan.

[appellant sub 15] betoogt dat niet is onderbouwd waarom het plan niet voorziet in de eveneens in het voorheen geldende plan opgenomen mogelijkheid om op zijn kampeerterrein stacaravans en chalets te plaatsen.

2.27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op de gronden van [appellant sub 15] altijd maar één bedrijfswoning is toegestaan en dat de omstandigheid dat de bestemmingen ten behoeve van het kampeerterrein en het horecabedrijf zijn gesplitst hier niet aan afdoet. Daarom is maar één bedrijfswoning mogelijk gemaakt, zo stelt de raad.

Volgens de raad heeft hij de beleidskeuze gemaakt om stacaravans en chalets niet toe te staan op kampeerterreinen. Omdat het plan wel toelaat dat stacaravans en chalets die aanwezig waren op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan worden gehandhaafd en vervangen, wordt de bedrijfsvoering van [appellant sub 15] niet belemmerd, aldus de raad.

2.27.2. In het deskundigenbericht staat dat bij het kampeerterrein in het jaar 2005 een bedrijfswoning aan de [locatie 14] is gebouwd, waarvoor in 2004 een vergunning is verleend. Deze bedrijfswoning staat op gronden met de bestemming "Recreatie" en is in het voorliggende plan niet bij recht toegestaan.

Volgens het deskundigenbericht is in de authentieke bebouwing op de gronden van [appellant sub 15] de horecagelegenheid gevestigd, waarin ook een bedrijfswoning is gesitueerd met het adres [locatie 13]. Deze bedrijfswoning is volgens het plan wel bij recht toegestaan.

2.27.3. Wat betreft de bedrijfswoning aan de [locatie 14] overweegt de Afdeling dat het gaat om een legaal opgerichte bedrijfswoning die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als zodanig werd gebruikt. Dat het college van burgemeester en wethouders naar aanleiding van een principeverzoek omtrent de woning bij brief van 28 september 1999 heeft bericht dat als de voorziene bedrijfswoning gerealiseerd wordt, de andere bedrijfswoning voor horecadoeleinden gebruikt gaat worden, doet niet af aan de legale status van de bedrijfswoning aan de [locatie 14].

Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat het bouwwerk binnen de planperiode wordt verwijderd. Niet aannemelijk is dat aan deze laatstgenoemde voorwaarde zal worden voldaan, nu niet is gebleken van voornemens daartoe van de zijde van [appellant sub 15] en evenmin van gemeentelijke voornemens tot aankoop of onteigening van de gronden waarop de bedrijfswoning aan de [locatie 14] is gebouwd. Het betoog slaagt.

2.27.4. Ingevolge artikel 14, lid 14.1.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "kampeerterrein", voor zover thans van belang, bestemd voor het plaatsen van kampeermiddelen; stacaravans en chalets zijn niet toegestaan, met dien verstande dat stacaravans en chalets die aanwezig zijn ten tijde van de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan mogen worden gehandhaafd en vervangen.

2.27.5. Ter zitting heeft [appellant sub 15] toegelicht dat op zijn kampeerterrein 39 staanplaatsen voor stacaravans of chalets aanwezig zijn die als zodanig herkenbaar zijn doordat ze groter zijn dan de reguliere kampeerplaatsen en voorzien van de benodigde aansluitingen op onder meer het elektriciteitsnet. Omdat op zeventien van deze 39 staanplaatsen echter ten tijde van het in artikel 14, lid 14.1.1, aanhef en onder b, van de planregels geen stacaravans of chalets aanwezig waren, zijn deze thans niet meer bij recht toegestaan, zo heeft [appellant sub 15] aangevoerd.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het zijn bedoeling is geweest om in een geval als het onderhavige de 39 voor de aanwezigheid van stacaravans of chalets ingerichte plaatsen bij recht toe te laten. Naar het oordeel van de Afdeling is deze bedoeling evenwel niet af te leiden uit de bewoordingen van artikel 14, lid 14.1.1, aanhef en onder b, van de planregels, volgens welke bepaling enkel de aanwezigheid van stacaravans of chalets op het peilmoment bepalend is voor het aantal toegestane staanplaatsen voor stacaravans of chalets. Op dit punt sluit het plan niet aan op de bedoeling van de raad.

2.28. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen zij hiervoor onder 2.27.3 en 2.27.5 heeft overwogen, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "kampeerterrein" dat ziet op gronden van [appellant sub 15] aan de Grintweg 69/69a gedeeltelijk is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en gedeeltelijk in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van Petrochemical Pipeline Services

2.29. Petrochemical Pipeline Services is eigenaar en beheerder van een leiding voor het transport van vloeibare koolwaterstoffen (PRB-leiding) in het plangebied. Zij stelt dat deze leiding niet op de juiste wijze in het plan is vastgelegd. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de hartlijn van deze leiding, de belemmeringenzone van 5 m aan weerszijden van de leiding en de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico ten onrechte niet zijn opgenomen op de verbeelding. Ook heeft zij bezwaar tegen de regels die voor deze leiding in het plan zijn opgenomen.

2.29.1. Aan de gronden waarin de PRB-leiding van Petrochemical Pipeline Services is gelegen, is op de verbeelding de dubbelbestemming "Leiding - Sabic (L-S)" toegekend. Deze dubbelbestemming heeft een breedte van ongeveer 87 m.

Ingevolge artikel 23, lid 23.2.2, van de planregels zijn de gronden met deze dubbelbestemming, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. een ondergrondse sabic-transportleiding ter plaatse van de aanduiding hartlijn leiding-sabic;

b. het beheer en onderhoud van de leiding;

c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met de bij a tot en met c behorende:

d. beschermingszones met een breedte van 5 m aan weerszijden van de aanduiding hartlijn leiding-sabic;

e. voorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f. (on)bebouwde gronden.

In lid 23.2.1 is bepaald dat, in afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk van deze regels, niet mag worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

In lid 23.3.1 is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders, met inachtneming van de procedureregels in artikel 37, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding, ontheffing kan verlenen van het bepaalde in artikel 23.2.1 en toestaan dat bouwwerken overeenkomstig dit hoofdstuk van deze ontheffing worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder. Het vermelde advies betreft mede de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.

Ingevolge lid 23.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden;

b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

c. het indrijven van voorwerpen;

d. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen.

2.29.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij heeft beoogd de PRB-leiding op een correcte wijze in het plan vast te leggen, waarbij hij onder meer rekening heeft willen houden met het bepaalde in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Volgens de raad is dit abusievelijk niet goed gebeurd. Daarbij heeft hij aangegeven dat de hartlijn van deze leiding, de belemmeringenzone van 5 m aan weerszijden van de leiding en de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico ten onrechte niet zijn opgenomen op de verbeelding. Ook heeft de raad ter zitting verklaard dat de regels voor deze dubbelbestemming moeten worden gewijzigd en dat hij voornemens is Petrochemical Pipeline Services daarbij te betrekken.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op deze punten niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 17]

2.30. [appellant sub 17] exploiteert agrarische bedrijven op de aangrenzende percelen [locatie 15 en 16] te Oirschot. Zij stellen dat de grens tussen de beide bouwvlakken op de verbeelding onjuist is ingetekend, aangezien deze door de bestaande bebouwing loopt. Verder stellen zij dat de bestaande bed & breakfast, die een oppervlakte heeft van 150 m2, op het perceel [locatie 15] ten onrechte niet is opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Ook hebben zij aangevoerd dat de zichtstal met excursieruimte op het perceel [locatie 15] in bijlage 3 had moeten worden opgenomen.

[appellant sub 17] stelt verder dat op het perceel [locatie 16] een boerderijwinkel met streekeigen producten, met een daarbij behorende slagerij, aanwezig is. Volgens hen had de raad ook deze nevenactiviteit in bijlage 3 moeten opnemen.

2.30.1. Aan de percelen [locatie 15 en 16] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" toegekend, met twee afzonderlijke agrarische bouwvlakken.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bedrijfsmatige nevenactiviteiten voor zover het betreft activiteiten als genoemd in lid 4.1.2.

Ingevolge lid 4.1.2 zijn de gronden ter plaatse van de in tabel 5 aangegeven ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan bestaande nevenactiviteiten tevens bestemd voor de bestaande bedrijfsmatige nevenactiviteiten met de daarbij behorende voorzieningen en voor de niet in tabel 5 opgenomen bestaande en vergunde bedrijfsmatige nevenactiviteiten ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan alsmede de nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 3 behorende bij deze regels.

De bed & breakfast en de zichtstal met excursieruimte op het perceel [locatie 15] zijn niet opgenomen in tabel 5 bij lid 4.1.2 van de planregels en evenmin in bijlage 3 bij de planregels.

De boerderijwinkel met slagerij op het perceel [locatie 16] is evenmin opgenomen in tabel 5 bij lid 4.1.2 dan wel in bijlage 3 bij de planregels.

2.30.2. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten dat de grens tussen de bouwvlakken voor de percelen [locatie 15 en 16] moet worden aangepast omdat deze grens de bestaande bebouwing doorsnijdt. Ook heeft de raad besloten dat de bed & breakfast op het perceel [locatie 15] moet worden opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Deze wijzigingen, zoals weergegeven op pagina 168 en 170 van de zienswijzennota, zijn niet verwerkt op de verbeelding respectievelijk in bijlage 3 bij de planregels. Het plan stemt op deze punten niet overeen met het besluit tot vaststelling. De raad heeft dit erkend. Ter zitting heeft de raad verklaard dat voor de bed & breakfast op het perceel [locatie 15] een oppervlakte van 150 m2 kan worden toegestaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

2.30.3. Verder heeft de raad ter zitting verklaard dat de zichtstal met excursieruimte op het perceel [locatie 15] en de boerderijwinkel met slagerij op het perceel [locatie 16] eveneens hadden moeten worden opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Volgens de raad is dit abusievelijk niet gebeurd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op deze punten niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.31. [appellant sub 17] heeft vervolgens aangevoerd dat in het plan ten onrechte een dubbelbestemming, gericht op de bescherming van ecologische waarden, is toegekend aan de waterloop ten oosten van het perceel [locatie 16]. Zij vrezen dat het plan in zoverre beperkingen oplevert voor hun agrarische bedrijven.

2.31.1. Aan de desbetreffende waterloop is in het plan de bestemming "Water" toegekend. Tevens is hieraan de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend.

Ingevolge artikel 27, lid 27.1.1, van de planregels zijn de gronden met deze dubbelbestemming, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van ecologische verbindingszones in de vorm van bebouwingsvrije stroken met beplanting (natuurbouw) ten behoeve van de ecologische infrastructuur met de bijbehorende natuur-, ecologische en hydrologische waarden.

2.31.2. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" niet heeft willen toekennen aan gronden die agrarisch worden gebruikt, aangezien deze dubbelbestemming beperkingen kan opleveren voor het bestaande agrarische gebruik. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij de situatie op de gronden die in eigendom zijn van [appellant sub 17] opnieuw wil onderzoeken, omdat de desbetreffende dubbelbestemming lijkt te zijn toegekend aan gronden die door hen agrarisch worden gebruikt. De Afdeling wijst er daarbij op dat dit onderzoek niet alleen dient plaats te vinden op de gronden die bij [appellant sub 17] in eigendom zijn, maar ook op de gronden die door hen worden gepacht.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.32. [appellant sub 17] stelt verder dat in het plan ten onrechte een natuurbestemming is toegekend aan het noordelijke deel van hun perceel […], gelegen aan de Ravendonken. Op dit gedeelte van het perceel is volgens hen een bomenwei aanwezig die wordt gebruikt voor het beweiden van vee.

Daarnaast stelt hij dat een te ruime natuurbestemming is toegekend aan het zuidwestelijk gelegen gedeelte van het perceel [...], langs de waterloop die loopt ten westen van dit perceel. Ter plaatse is weliswaar een bosje aanwezig, maar volgens [appellant sub 17] is de oppervlakte van dit bosje in werkelijkheid kleiner dan de oppervlakte die op de verbeelding is aangegeven.

2.32.1. Aan het noordelijke deel van het perceel [...], aan de Ravendonken, is in het plan de bestemming "Natuur (N)" toegekend.

Deze bestemming is eveneens toegekend aan het zuidwestelijk gelegen gedeelte van dit perceel langs de waterloop.

2.32.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij geen natuurbestemming heeft willen toekennen aan gronden die agrarisch worden gebruikt. Daarbij heeft de raad aangegeven dat hij de situatie op het perceel [...] opnieuw wil onderzoeken, omdat aan het noordelijke deel van dit perceel een natuurbestemming lijkt te zijn toegekend aan gronden die agrarisch worden gebruikt en omdat de natuurbestemming die is toegekend aan het zuidwestelijk gelegen gedeelte van dit perceel, langs de waterloop, wellicht te ruim is ingetekend op de verbeelding.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is wat deze onderdelen betreft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 18]

2.33. [appellante sub 18] kan zich niet verenigen met de horeca-voorzieningen ten behoeve van de toeristenpoort die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 17] te Oirschot. Zij betoogt dat de horeca-activiteiten in het kader van de toeristenpoort niet ondergeschikt zijn aan de intensieve veehouderij die als hoofdactiviteit op het perceel wordt geëxploiteerd. Zij wijst er in dit kader op dat de toeristenpoort een aanzienlijke oppervlakte van 415 m2 heeft en dat de hieruit gegenereerde omzet evenmin ondergeschikt zal zijn aan de omzet van de intensieve veehouderij. De toeristenpoort met een dergelijke omvang kan daarom niet worden aangemerkt als een nevenactiviteit. Verder voert [appellante sub 18] aan dat uit het feit dat het aantal beschikbare vierkante meters voor horeca niet is gemaximeerd blijkt dat geen sprake is van ondergeschikte activiteiten. Verder zijn volgens haar de horecavoorziening en de bed & breakfast op het perceel geurgevoelige objecten, waar niet aan de geldende geurnormen voor het buitengebied kan worden voldaan.

2.33.1. Aan het perceel [locatie 17] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Het bouwvlak op het perceel is ongeveer 2,2 hectare groot. Verder is voor het gehele bouwvlak de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - toeristenpoort" en de aanduiding "intensieve veehouderij" opgenomen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder j, van de planregels zijn de gronden met deze aanduiding medebestemd voor een toeristenpoort.

In lid 4.1.2 is bepaald dat ter plaatse van de in tabel 5 aangegeven ten tijde van het ontwerp ter visie leggen van bestemmingsplan bestaande nevenactiviteiten, de gronden tevens bestemd zijn voor de bestaande bedrijfsmatige nevenactiviteiten met de daarbij behorende voorzieningen en de niet in tabel 5 opgenomen bestaande en vergunde bedrijfsmatige nevenactiviteiten ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan alsmede de nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 3 behorende bij deze regels.

In bijlage 3 van de planregels is ten aanzien van het perceel [locatie 17 en 18] als nevenactiviteit "toeristenpoort" opgenomen. Deze bestaat uit de volgende activiteiten en de bijbehorende maximale oppervlaktes:

een boerderijwinkel met een oppervlakte van 70 m2

een bed & breakfast met een oppervlakte van 150 m2

een expositieruimte met een oppervlakte van 120 m2

een horecavoorziening met een oppervlakte van 75 m2

In artikel 1, lid 131, is een toeristenpoort omschreven voor zover hier van belang als een transferium waar kleinschalige, overwegend dagrecreatieve, activiteiten worden ontplooid over het Oirschotse toeristisch-recreatieve product, waar ondergeschikte horeca deel van uitmaakt.

In artikel 1, lid 108, is ondergeschikte horeca omschreven als een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

2.33.2. In artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) is bepaald dat onder een geurgevoelig object in de zin van deze wet dient te worden verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 m bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Van deze afstand is niet bij gemeentelijke geurverordening afgeweken.

2.33.3. De Afdeling stelt voorop dat het betoog van [appellante sub 18] dat de oppervlaktes van de voorzieningen ten behoeve van de toeristenpoort niet gemaximeerd zijn feitelijke grondslag mist, nu in artikel 4.1.2., in samenhang met bijlage 3 van de planregels de maximale oppervlaktes voor de voorzieningen ten behoeve van de toeristenpoort zijn vastgelegd. Met betrekking tot de ondergeschiktheid van de horeca-activiteiten, overweegt de Afdeling dat uit de definitie van ondergeschikte horeca in artikel 1, onder 108, van de planregels duidelijk blijkt dat dergelijke horeca-activiteiten uitsluitend kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de hoofdfunctie en niet ten behoeve van eventuele nevenactiviteiten. Niet in geschil is dat de intensieve veehouderij de hoofdfunctie is. Het bouwvlak voor deze intensieve veehouderij is 2,2 hectare groot. De oppervlakte van de horeca-activiteiten bedragen niet meer dan 75 m2. Gelet hierop kan het betoog dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de horeca ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit niet slagen.

2.33.4. Met betrekking tot de geurhinder ter plaatse van de horecavoorziening en de bed & breakfast, overweegt de Afdeling als volgt.

Anders dan de raad heeft betoogd is, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 15 juli 2009, zaak nr. 200806026/1/M2 heeft overwogen, een horecavoorziening een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Voorts is de bed & breakfast aan te merken als een geurgevoelig object in de zin van die wet, aangezien deze bestemd is voor menselijk verblijf en daarvoor permanent of daarmee vergelijkbaar wordt gebruikt. Ter zitting is door de raad erkend dat de horecavoorziening en de bed & breakfast gebouwd kunnen worden binnen een afstand van 50 m tot de intensieve veehouderij die op het perceel [locatie 19] ligt en dat hiermee geen rekening is gehouden bij het vaststellen van het plan. In hetgeen [appellante sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.34. [appellant sub 19] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een gewijzigd bouwvlak voor een woning op het perceel [locatie 20]. Volgens hem betekent dit een beperking in de bedrijfsvoering van zijn intensieve veehouderij, die is gevestigd op het perceel [locatie 21]. Hij voert in dit verband aan dat in artikel 4, eerste lid, van de Wgv een afstand van 50 m vanaf het bouwvlak voor de woning tot aan de grens van het bouwvlak van de intensieve veehouderij dient te worden aangehouden. In het voorliggende geval is de afstand tussen het bouwvlak van de intensieve veehouderij en het bouwvlak op het perceel [locatie 20] slechts 25 m.

2.34.1. Aan het perceel van [appellant sub 19] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend. Op dit perceel is een bouwvlak opgenomen waaraan onder meer de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend. Ten zuidoosten van dit bouwvlak ligt het perceel [locatie 20], dat in eigendom is van [persoon]. Aan een gedeelte van dit perceel is ten behoeve van een nieuw te bouwen woning een woonbestemming toegekend en een bouwvlak, dat gelijk is aan het deel van het perceel met de woonbestemming. Dit bouwvlak ligt op een afstand van ongeveer 25 m van het bouwvlak voor de intensieve veehouderij.

2.34.2. In artikel 1 van de Wgv is bepaald dat onder een geurgevoelig object in de zin van deze wet dient te worden verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, bedraagt de afstand tussen een veehouderij, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Vast staat dat binnen de veehouderij dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld.

2.34.3. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat niet wordt voldaan aan de afstand van 50 m, waardoor de intensieve veehouderij van [appellant sub 19] in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Volgens hem is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en is ten onrechte het bouwvlak op het perceel [locatie 20] verschoven en vergroot binnen de minimaal aan te houden afstand tot de intensieve veehouderij. De raad heeft voorts gesteld dat het beroep gegrond kan worden verklaard. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover daarbij een woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 20], niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 20]

2.35. [appellant sub 20] is eigenaar van het perceel [locatie 22] te [plaats].

Hij stelt dat in het plan ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan een deel van zijn gronden. Volgens [appellant sub 20] dienen de twee bestemmingsvlakken met een woonbestemming, die in het plan zijn opgenomen ter plaatse van zijn perceel, in noordelijke richting te worden uitgebreid, zodat een strook grond met een breedte van ongeveer 15 m binnen deze bestemmingsvlakken komt te liggen. Hiermee wordt voorkomen dat een deel van de bestaande bebouwing en een deel van de erfverharding buiten de bestemmingsvlakken met een woonbestemming valt, zo stelt hij.

2.35.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van het perceel [locatie 22] twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen (W)" opgenomen. Aan de gronden ten noorden van deze bestemmingsvlakken is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend.

2.35.2. De raad stelt zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat de twee bestemmingsvlakken met een woonbestemming, die op de verbeelding zijn opgenomen ter plaatse van het perceel [locatie 22], abusievelijk te klein zijn vastgesteld. Volgens de raad moeten deze bestemmingsvlakken worden aangepast, in die zin dat een strook grond met een breedte van ongeveer 15 m ten noorden van deze bestemmingsvlakken eveneens binnen deze bestemmingsvlakken valt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 21]

2.36. [appellanten sub 21] kunnen zich niet verenigen met de toekenning van een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 23], en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer: ontsluitingsweg" aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" die is toegekend aan de Kattenbergsesteeg. In dit kader betogen [appellanten sub 21] in de eerste plaats dat hun zienswijze van 25 juni 2010 niet is betrokken bij het nemen van het besluit. Verder voeren zij aan dat het ontwerp van het bestemmingsplan "Windpark Kattenberg-Reedijk" niet ter inzage had mogen worden gelegd.

Verder voeren [appellanten sub 21] aan dat in strijd met de Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderijen (hierna: VIV-regeling) niet vast staat dat alle bedrijfsactiviteiten op de voormalige locatie waarop de veehouderij was gevestigd, worden beëindigd. Verder betogen zij dat de bouw-, milieu- en natuurbeschermingswetvergunning die voor de veehouderij zijn verleend niet in stand zullen blijven zodat onduidelijk is of het plan uitvoerbaar is.

Met betrekking tot de Kattenbergsesteeg voeren zij aan dat in het hiervoor geldende plan het verharden van deze weg niet mogelijk was. Zij wijzen er op dat in het op 23 februari 2010 door de raad vastgestelde landschapsinpassingsplan "Stille Wille" is vermeld dat de laanstructuur van de Kattenbergsesteeg behouden dient te worden. Daarnaast is deze weg op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart gekwalificeerd als een Cultuurhistorisch zandpad. Verder betogen zij dat het verharden van de weg gepaard zal gaan met het kappen van bomen en dat de vrachtwagens die van en naar de veehouderij rijden geluidhinder, stofhinder en aantasting van de privacy zullen veroorzaken. Tot slot betogen zij dat de raad niet heeft onderzocht of alternatieve aan- en afvoerroutes naar de veehouderij voorhanden zijn.

2.36.1. In dit geding staat het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" ter toetsing. De vraag of het ontwerp van het bestemmingsplan "Windpark Kattenberg-Reedijk" ter inzage had kunnen worden gelegd is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

2.36.2. Ten aanzien van het betoog dat de zienswijze niet is behandeld door de raad, overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 21] zich in de brief van 25 juni 2010 hebben gekeerd tegen de verharding van de Kattenbergsesteeg en de daarbij behorende verkeershinder, de gevolgen van intensieve veehouderijen in de directe nabijheid en de vergunningverlening ten behoeve van deze intensieve veehouderij. Anders dan de raad heeft betoogd, moet deze brief naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als een zienswijze die tegen dit plan naar voren is gebracht. Nu de raad de zienswijze van [appellanten sub 21] niet bij zijn afweging omtrent vaststelling van het plan heeft betrokken, ziet de Afdeling in hetgeen zij hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 23] te Oirschot, voor zover daaraan een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, en voor zover de aanduiding "specifieke vorm van verkeer: ontsluitingsweg" aan het plandeel met de bestemming "Verkeer" is toegekend aan de Kattenbergsesteeg. Ten aanzien van de verharding van de Kattenbergsesteeg overweegt de Afdeling voorts dat de raad ter zitting heeft verklaard dat geen rekening is gehouden met het amendement van 12 maart 2009 inzake de bescherming van zandpaden, zodat het bestreden besluit eveneens om deze reden niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. De Afdeling merkt hierbij ten overvloede op dat de raad bij het nieuw te nemen besluit kan beoordelen of deze toegangsweg naar de intensieve veehouderij als onverharde weg beschermd dient te worden.

2.36.3. De Afdeling ziet ten aanzien van het plandeel [locatie 23] geen aanleiding om de raad een opdracht tot herstel te geven. Met betrekking tot de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 23] en de door [appellanten sub 21] gestelde hinder vanwege de verkeersbewegingen van en naar dit perceel, overweegt de Afdeling dat bij besluit van 21 december 2009 een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend voor deze veehouderij. In het kader van deze procedure zijn de ruimtelijke gevolgen van de intensieve veehouderij beoordeeld. Met het plan is beoogd om hetgeen met dat vrijstellingsbesluit ter plaatse aan gebruik mogelijk is, planologisch vast te leggen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat het plan op dit punt geen gebruiksmogelijkheden biedt die afwijken van die de verleende, en in rechte onaantastbare vrijstelling biedt. Onder deze omstandigheden sluiten de afwegingen die de raad over dit plandeel heeft moeten maken, nauw aan bij de afwegingen van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling en heeft de raad daarbij kortheidshalve mogen aansluiten. Met betrekking tot de verplaatsing van de intensieve veehouderij overweegt de Afdeling dat de exploitant van de veehouderij in het kader van de VIV-regeling met de provincie Noord-Brabant een overeenkomst heeft gesloten. Voorts is in het voorliggende plan aan de voormalige bedrijfslocatie niet de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Aldus is volgens de raad voldoende gewaarborgd dat het bedrijf aan de Groenewoudsedijk 3 zal worden beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Het betoog slaagt niet.

2.36.4. Met betrekking tot de verleende bouw- en milieuvergunning overweegt de Afdeling dat deze ten tijde van het vaststellen van het plan waren verleend. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten tijde van het vaststellen van het plan er redelijkerwijs op voorhand van had moeten uitgaan dat deze vergunningen in rechte niet in stand zouden blijven. Met betrekking tot de verleende vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998), overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft verklaard dat hij geen habitattoets in het kader van dit plan heeft verricht, aangezien aansluiting kon worden gezocht bij de beoordeling die het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft verricht in het kader van de vergunningverlening voor het bedrijf op grond van de Nbw 1998. Voor een oordeel ter zake verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 4 april 2012, in zaak nr. 201003331/1/A4, waarin het standpunt van het college dat zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast, niet onredelijk is geacht. In hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad ter zake geen aansluiting mocht zoeken bij de door het college gemaakte beoordeling. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het bestemmingsplan en de vergunning op grond van de Nbw 1998 zien op dezelfde ontwikkeling. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er redelijkerwijs op voorhand van had moeten uitgaan dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is.

Het beroep van de Stichting Behoud Erfgoed Oirschot (hierna: SBEO)

2.37. Ter zitting heeft de SBEO de beroepsgrond dat het gebied tussen de Montfortlaan en de Bestseweg ten onrechte geen deel uitmaakt van het plangebied ingetrokken.

2.38. De SBEO betoogt dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan de openheid van de cultuurhistorische akkercomplexen van Oirschot. Zij voert aan dat het hiervoor geldende plan meer bescherming bood aan de openheid van elf nader aangegeven gebieden rond Oirschot. Naar haar mening had de raad de aanduiding "openheid" en het daarbij behorende aanlegvergunningenstelsel voor hoog opgaande beplanting en andere waarborgen die voor deze gebieden waren opgenomen in het hiervoor geldende plan, opnieuw moeten opnemen in het voorliggende plan. Verder kan de SBEO zich niet verenigen met het overnemen van het aanlegvergunningenstelsel dat in het hiervoor geldende plan was opgenomen voor boomteelt en de uitzondering hierop voor zogeheten wisselteelt.

2.38.1. Aan de elf door SBEO genoemde gebieden zijn, voor zover hier van belang, de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" of "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend.

Aan de door de SBEO genoemde gebieden 1, 2, 3, 4, 5 en 9 is de aanduiding "akkercomplex" toegekend. Aan de overige gebieden is deze aanduiding niet toegekend.

Ingevolge de bij deze bestemmingen behorende artikel 3, lid 3.7.1, aanhef en onder b, onder 3, artikel 4, lid 4.7.1, aanhef en onder b, onder 3, en artikel 5, lid 5.7.1, onder b, onder 3, van de planregels is het verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) gronden met de aanduiding "akkercomplex" te beplanten met houtgewas, met uitzondering van het beplanten met houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt.

In artikel 1 van de planregels is wisselteelt als volgt omschreven: "Het ter voorkoming van uitputting van de grond wisselen van opeenvolgende teelten. Hierbij mag één gewas gedurende een termijn van maximaal vijf jaar op één perceel aanwezig zijn. Tussen de teelten door geldt een rusttermijn van één jaar."

In het ontwerp van het plan was op de verbeelding de aanduiding "openheid" opgenomen voor diverse percelen met de bestemming "Agrarisch". Ingevolge de bij deze bestemming behorende planregels was, kort gezegd, voor hoogopgaande beplantingen op gronden met deze aanduiding een aanlegvergunning vereist. In het vastgestelde plan is de aanduiding "openheid" niet opgenomen op de verbeelding.

2.38.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, in afwachting van een op korte termijn vast te stellen Boomteeltvisie, de mogelijkheden die het hiervoor geldende plan bood, conserverend zijn vastgelegd in het voorliggende plan.

2.38.3. De Afdeling overweegt dat in het hiervoor geldende plan voor de door de SBEO genoemde gebieden 1, 2, 3, 4, 5 en 9, kort gezegd, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en de aanduiding "akkercomplex" was toegekend. Op grond van artikel 4, lid 4.7.1, onder e, van de planvoorschriften was het beplanten van deze gronden met houtopstand zonder aanlegvergunning niet toegestaan, met uitzondering van het beplanten met houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt. Aan de overige gebieden was in het hiervoor geldende plan de aanduiding "akkercomplex" niet toegekend. In haar uitspraak van 10 december 2003, in zaak nr. 200102937/1 heeft de Afdeling zelf voorziend goedkeuring onthouden aan artikel 4.7.1, onder e, van de planvoorschriften uit het voorgaande plan, voor zover het de zinsnede 'met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt' betrof ten aanzien van het door de SBEO genoemde gebied 3 "Boterwijk".

De Afdeling stelt vast dat de planologische regeling voor alle genoemde gebieden, met uitzondering van gebied 3, gelijkluidend was aan de thans in het voorliggende plan opgenomen planologische regeling ten aanzien van bomenteelt en wisselteelt. Het betoog dat het plan ten onrechte minder bescherming biedt dan het voorgaande plan, mist in zoverre feitelijke grondslag. In hetgeen de SBEO heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu het plan conserverend van aard is, een groter gewicht had moet worden toegekend aan de belangen die met het plan worden gewaarborgd dan aan de door de SBEO genoemde belangen. Het beroep slaagt in zoverre niet.

Met betrekking tot het gebied 3 "Boterwijk" overweegt de Afdeling dat het plan, door voor wisselteelt een uitzondering op de aanlegvergunningenplicht te maken, meer mogelijkheden biedt ten opzichte van het hiervoor geldende plan. Ter zitting is dit door de raad erkend. In het bestreden besluit noch ter zitting heeft de raad voor deze ruimere mogelijkheden een motivering gegeven. De Afdeling ziet in hetgeen de SBEO heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 23]

2.39. [appellant sub 23], die woont aan de [locatie 24] te Oirschot, betoogt dat de raad onvoldoende is ingegaan op zijn zienswijze, waaronder zijn betoog dat het bij recht had moeten worden toegestaan om beroep aan huis te mogen houden. Dit is in het plan ten onrechte slechts met ontheffing mogelijk gemaakt, terwijl daaraan niets in de weg staat zolang de woonbestemming in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voorts is ten onrechte slechts maximaal 30 m² toegestaan voor het gebruik voor een vrij beroep en ontbreekt in strijd met de rechtszekerheid een definitie daarvan.

Verder zijn volgens [appellant sub 23] in het plan noch maatregelen opgenomen om het vrije uitzicht vanaf het gebied Boterwijk-Oost op de kern Oirschot te beschermen terwijl dit op de cultuurhistorische waardenkaart als bijzonder is aangemerkt, noch maatregelen om boomteelt en glastuinbouw in het gebied tegen te gaan. In het plan zijn de cultuurhistorische waarden van het gebied, waaronder de aanwezige landschappelijke structuren, nederzettingen en archeologische waarden en de monumentale en karakteristieke objecten in Boterwijk onvoldoende beschermd. Ook waarborgt het plan geen goed woon- en leefklimaat ter plaatse, gezien de te verwachten ruimtelijke uitstraling van de toegestane oprichting van kassen, de toename van het aantal verkeersbewegingen en lichthinder ten gevolge van assimilatiebelichting van de kassen. Het ontwerpplan is bovendien niet in overeenstemming met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), aldus [appellant sub 23].

2.39.1. De Afdeling overweegt allereerst dat artikel 3.1.6 van het Bro de raad niet verplicht tot het in het kader van de vaststelling van het plan houden van vooroverleg met omwonenden. Ook overigens heeft [appellant sub 23] niet aannemelijk gemaakt dat artikel 3.1.6 van het Bro niet in acht is genomen. Voor zover [appellant sub 23] betoogt dat in de zienswijzennota onvoldoende op zijn zienswijzen is ingegaan, wordt overwogen dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Dit betoog faalt.

2.40. Aan het perceel van [appellant sub 23] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Vast staat dat [appellant sub 23] een adviesbureau aan huis heeft, waarvoor hij ongeveer 10 m² van zijn woonruimte in gebruik heeft.

2.40.1. Ingevolge artikel 1, lid 8, van de planregels wordt onder een aan-huis-verbonden-beroep verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.

Niet in geschil is dat het beroep van [appellant sub 23] onder de definitie van artikel 1, lid 1.8, valt.

2.40.2. Ingevolge artikel 17, lid 17.4.1, onder b, van de planregels met betrekking tot gronden met de bestemming "Wonen" is het gebruik van een woning of een gedeelte daarvan voor de uitoefening van aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten niet toegestaan.

Ingevolge lid 17.5.3, onder a en b, kan voor deze activiteiten ontheffing van lid 17.4.1, onder b, worden verleend, onder meer onder voorwaarde dat het gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie, dat daarvoor niet meer dan 30 m² van de woonruimte gebruikt wordt en dat de activiteit qua aard, milieubelasting, uitstraling en intensiteit past in omgeving.

2.40.3. Volgens de raad is in het plan de mogelijkheid opgenomen om ontheffing te verlenen voor nevenactiviteiten bij diverse bestemmingen. De hoofdbestemming, zoals in dit geval de bestemming "Wonen", moet de hoofdactiviteit blijven. In verband daarmede is in de criteria voor het verlenen van een ontheffing ten behoeve van vrije beroepsuitoefening aan huis opgenomen dat daarvoor maximaal 30 m² mag worden gebruikt. De planregeling in kwestie is volgens de raad gangbaar en in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling. Volgens de verklaring van de raad ter zitting was voor het hebben van een bedrijf aan huis ook onder het voorheen geldende bestemmingsplan een ontheffing vereist.

2.40.4. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad ervoor zorg heeft willen dragen dat de aan-huis-verbonden activiteiten kleinschalig blijven en ondergeschikt aan de functie wonen, om hinder daarvan in de woonomgeving, onder meer in de vorm van parkeer- en verkeershinder, te voorkomen. Het in de planregels opnemen van een ontheffingsregeling acht de Afdeling in dit verband evenmin onredelijk. Het hierop gerichte betoog van [appellant sub 23] kan derhalve niet slagen.

2.41. Vanuit de achterkant van de woning en achtertuin van [appellant sub 23] is vrij zicht op het open gebied ten oosten van zijn perceel en de kern Oirschot. Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit akker- en grasland. Op enkele percelen vindt boomteelt plaats. De gronden direct aan de oostzijde van het perceel van [appellant sub 23] zijn onbebouwd en in agrarisch gebruik.

2.41.1. Het gebied Boterwijk-Oost is, voor zover het binnen het plangebied ligt, op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart van september 2006 aangemerkt als "Historische Geografie (vlak)" met de kwalificatie redelijk hoog. De - buiten het plan gelegen - dorpskern van Oirschot heeft de status van beschermd dorpsgezicht.

In de Cultuurhistorische Waardenkaart van 2010 is het gebied als "Cultuurhistorisch vlak" aangegeven.

2.41.2. Aan het gebied Boterwijk-Oost is in het plan hoofdzakelijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", met de aanduiding "akkercomplex" toegekend en deels de aanduiding "dorpsrand".

Het glastuinbouwbedrijf aan de voorzijde van het perceel van [appellant sub 23] heeft de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "glastuinbouw". De volkstuin aan de oostzijde heeft de aanduiding "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin". De woningen en bedrijfswoningen langs de Boterwijksestraat hebben onderscheidenlijk de bestemming "Wonen" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de aanduiding "bedrijfswoning".

Aan vrijwel het gehele gebied zijn de aanduidingen "archeologische waarden" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend.

2.41.3. De raad stelt dat de kwaliteiten van het gebied Boterwijk voldoende zijn beschermd onder meer door de aanduiding "beschermd dorpsgezicht" en het opgenomen aanlegvergunningenstelsel. In het plan is boomteelt zeer beperkt toegestaan. Het plan biedt verder geen mogelijkheden voor uitbreiding of nieuwvestiging van glastuinbouw. De door [appellant sub 23] gevreesde negatieve effecten daarvan op het woon- en leefklimaat zullen zich derhalve niet voordoen, aldus de raad.

2.41.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, en artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels, zijn de gronden met de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven, met uitzondering van intensieve veehouderij en glastuinbouw. Uitsluitend het glastuinbouwbedrijf aan de noordzijde van het gebied Boterwijk-Oost kan binnen het bouwvlak enigszins uitbreiden.

Het toekomstige glastuinbouwgebied ten westen van de Boterwijksestraat is in het reconstructieplan Beerze Reusel aangewezen als glastuinbouwgebied. Het glastuinbouwgebied zal in een afzonderlijk bestemmingsplan worden opgenomen, waartegen te zijner tijd rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. De vrees van [appellant sub 23] voor uit het plan voortvloeiende grootschalige uitbreiding van de glastuinbouw en de effecten daarvan op de omgeving is mitsdien zonder grond.

Voorts zijn in de directe omgeving van het perceel van [appellant sub 23] geen nieuwe bouwvlakken toegekend, zodat daar geen nieuwe bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan, waaraan in de artikelen 3, lid 3.2.3, onder b, artikel 4, lid 4.2.3, onder b, en lid 4.4.2, van de planregels beperkingen zijn gesteld. Dit betoog faalt.

2.41.5. Voor zover het beroep van [appellant sub 23] ziet op het verlies van openheid van het gebied Boterwijk-Oost overweegt de Afdeling dat hiervoor onder 2.38.3 is geoordeeld dat het plan, voor zover dat met betrekking tot het gebied 3 "Boterwijk" een uitzondering op de aanlegvergunningenplicht maakt voor de aanplan van houtgewas voor wisselteelt, een deugdelijke motivering ontbeert en het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop behoeft het beroep van [appellant sub 23] op dit punt geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 24]

2.42. [appellant sub 24] betoogt dat ten onrechte geen aanduiding is opgenomen ten behoeve van een grotere inhoudsmaat/oppervlakte voor de bijgebouwen op zijn perceel [locatie 25] te [plaats]. Voorts voert hij aan dat op zijn perceel een met bouwvergunning opgerichte kas aanwezig is die in het voorliggende plan niet binnen het bouwvlak valt. Daarnaast wenst hij uitbreiding van zijn bouwvlak ten behoeve van de herbouw van zijn woning in de vorm van een langgevelboerderij.

2.42.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het opnemen van een aparte aanduiding voor de toegestane afmetingen van de bijgebouwen van [appellant sub 24] niet nodig is, omdat de planregels voorzien in een regeling voor bijgebouwen op gronden met de aanduiding "bouwvlak".

De raad stelt voorts dat de tuinbouwkas van [appellant sub 24] weliswaar buiten het bouwvlak ligt, maar dat deze altijd buiten het bouwvlak heeft gelegen en nu onder het overgangsrecht valt.

Wat betreft het verzoek van [appellant sub 24] om uitbreiding van zijn bouwvlak ten behoeve van herbouw van zijn woning is de raad van mening dat dit haaks staat op het beleid om verstening in het buitengebied tegen te gaan en dat geen ruimtelijke onderbouwing voorhanden is waaruit blijkt dat een dergelijke uitbreiding ruimtelijk verantwoord is.

2.42.2. De woning en de bijgebouwen aan de [locatie 25] staan op gronden met de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 17, lid 17.2.3, van de planregels, voor zover thans van belang, gelden op gronden met de bestemming "Wonen" voor het bouwen van bijgebouwen de volgende bepalingen:

a. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. ten aanzien van de maatvoering van bijgebouwen geldt het bepaalde in tabel 30 'maatvoering bijgebouwen', dan wel de bestaande grotere bouwhoogte, goothoogte en oppervlakte en de bestaande grotere of kleinere dakhelling alsmede de bestaande afstand tot de voorgevelrooilijn ten tijde van het in ontwerp ter visie gelegde bestemmingsplan (…).

Ingevolge artikel 1, lid 30, wordt het begrip "bestaande situatie" ten aanzien van bebouwing gedefinieerd als legale bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning.

2.42.3. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van de in 2.42.2 weergegeven bepalingen met zich dat indien de ten tijde van het in ontwerp ter visie gelegde bestemmingsplan bestaande bouwhoogte, goothoogte en oppervlakte van bijgebouwen groter zijn dan weergegeven in de in die bepaling genoemde tabel 30, de grotere afmeting is toegestaan.

Ter zitting heeft de raad verklaard dat de bijgebouwen van [appellant sub 24] legaal zijn opgericht. Gelet hierop en nu volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht de bijgebouwen van [appellant sub 24] - behoudens de groentekas - staan op gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak", zijn de ruimere afmetingen van de bijgebouwen van [appellant sub 24], voor zover aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter visie gelegde bestemmingsplan en met uitzondering van zijn groentekas, bij recht toegestaan. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het opnemen van een aanduiding ten behoeve van de toegestane inhoud van de bijgebouwen van [appellant sub 24] in zoverre geen toegevoegde waarde heeft ten aanzien van de thans in het plan opgenomen regeling.

Het betoog faalt.

2.42.4. De groentekas van [appellant sub 24] staat op gronden met de bestemming "Agrarisch". Vaststaat dat deze groentekas is opgericht in overeenstemming met een daartoe op 3 februari 2001 verleende bouwvergunning, zodat het gaat om een legaal gebouw. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat het bouwwerk binnen de planperiode wordt verwijderd. Niet aannemelijk is dat aan deze laatstgenoemde voorwaarde zal worden voldaan, nu niet is gebleken van voornemens daartoe van de zijde van [appellant sub 24] en evenmin van gemeentelijke voornemens tot aankoop of onteigening van de gronden waarop de groentekas is gebouwd. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij ten behoeve van de groentekas een specifieke aanduiding in het plan zal moeten opnemen. Het betoog slaagt.

2.42.5. Met betrekking tot de door [appellant sub 24] geuite wens tot het opnemen van de mogelijkheid tot herbouw van zijn woning in de vorm van een langgevelboerderij overweegt de Afdeling dat deze wens blijkens het door [appellant sub 24] overgelegde kaartmateriaal een vergroting van zijn woning inhoudt, gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Agrarisch", waar thans geen woning is toegestaan. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet op het streven om verstening in het buitengebied tegen te gaan, niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om aan deze wens niet tegemoet te komen.

2.42.6. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen zij hiervoor onder 2.42.4 heeft overwogen, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Agrarisch" is vastgesteld dat ziet op de gronden van [appellant sub 24] waarop zijn groentekas staat, is genomen in strijd met het rechtszekerheidbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 25]

2.43. [appellant sub 25] voert in de eerste plaats aan dat de raad ten onrechte geen standpunt heeft ingenomen met betrekking tot zijn zienswijze. De bezwaren van [appellant sub 25] zijn inhoudelijk gericht tegen de bestemmingen die zijn toegekend aan zijn perceel [locatie 26] te [plaats].

2.43.1. De raad erkent dat de zienswijze van [appellant sub 25] abusievelijk niet is behandeld.

2.43.2. Nu de raad de zienswijze van [appellant sub 25] niet heeft behandeld, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden", "Wonen" en "Natuur" die betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 25] aan de [locatie 26].

2.44. Nu de raad in zijn verweerschrift heeft erkend dat de door [appellant sub 25] bestreden plandelen aanpassing behoeven, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. Ten behoeve van besluitvorming in het kader van de bestuurlijke lus stelt de Afdeling voorop dat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat een met vergunning aangelegde parkeerplaats op gronden die in het voorliggende plan zijn bestemd als "Natuur" ten onrechte niet bij recht is toegelaten. Ook heeft de raad ter zitting bevestigd dat gronden van [appellant sub 25] waarop een theater is gevestigd ten onrechte niet zijn aangeduid als "bouwvlak".

2.44.1. Ten aanzien van de door [appellant sub 25] bedoelde verschuiving van de in het vastgestelde plan toegestane maatvoering ten behoeve van de op het perceel [locatie 26] toegelaten toeristische activiteiten merkt de Afdeling op dat beslissend is de ingevolge artikel 1.2.3. van het Besluit ruimtelijke ordening elektronisch vastgestelde versie van het plan.

2.44.2. Ten aanzien van [appellant sub 25]' betoog dat de in bijlage 3 van de planregels ten aanzien van zijn perceel opgesomde toegestane activiteiten geen status hebben, merkt de Afdeling op dat door een verwijzing in de planregels naar bijlage 3 bindende werking kan toekomen aan de in deze bijlage opgesomde activiteiten en de daarvoor toegelaten maatvoering, zodat op die wijze kan worden vastgelegd dat de door [appellant sub 25] bedoelde sociaal-culturele activiteiten op zijn perceel zijn toegestaan.

Het beroep van [appellante sub 26]

2.45. [appellante sub 26] voert aan dat volgens het plan ten onrechte de caravan op haar gronden aan de Spreeuwelsedijk te Oirschot en het gebruik ervan voor overnachting in het verband van het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van bosbeheer op het perceel niet zijn toegelaten. Ten onrechte is de raad voorbijgegaan aan de omstandigheid dat ten behoeve van de caravan een kampeervergunning en een aanlegvergunning zijn afgegeven en onduidelijk is of de raad bij zijn besluitvorming het juiste perceel voor ogen heeft gehad, aldus [appellante sub 26].

2.45.1. De raad stelt dat het juiste perceel is beoordeeld en dat de meest recente kadastrale aanduiding is vermeld. Volgens de raad kunnen aan de in 1976 verleende vergunning geen rechten meer worden ontleend. Het kamperen past volgens hem voorts niet binnen de uitgangspunten die volgens de Integrale Visie Toerisme & Recreatie voor dit gebied gelden en ook het voorheen geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor kamperen. Evenmin valt de caravan onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan, aldus de raad. De raad stelt dat het opnemen van een recreatieve bestemming dus niet aan de orde is.

2.45.2. De gronden van [appellante sub 26] zijn bestemd als "Bos".

Het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen is ter plaatse niet bij recht toegestaan. Vaststaat evenwel dat de caravan daar rechtmatig is geplaatst. Voorts heeft de raad bij herhaling gesteld dat hij bezwaar heeft tegen recreatief gebruik van de caravan, terwijl de caravan volgens het deskundigenbericht feitelijk dienst doet als onderkomen tijdens onderhoudswerkzaamheden aan het perceel. Derhalve valt niet in te zien waarom bezwaren van de raad tegen recreatief gebruik van de caravan op zichzelf beschouwd in de weg staan aan de door [appellante sub 26] voorgestane voortzetting van het in het deskundigenbericht beschreven bestaande gebruik van de caravan.

Onder deze omstandigheden geeft het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het bestaande en beoogde gebruik van de caravan.

2.45.3. Voor zover [appellante sub 26] betoogt dat het mogelijk moet zijn om de caravan voor kampeerdoeleinden te gebruiken, overweegt de Afdeling dat wat betreft een dergelijk recreatief gebruik geen sprake is van bestaand legaal gebruik dat in beginsel dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, onder verwijzing naar het gemeentelijke beleid ter zake, niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om in zoverre niet tegemoet te komen aan de wens van [appellante sub 26].

2.46. In hetgeen [appellante sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het overwogene onder 2.45.2, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" dat betrekking heeft op de gronden aan de Spreeuwelsedijk waarop haar caravan staat.

Het beroep van [appellant sub 27]

2.47. [appellant sub 27] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot splitsing van woningen op het perceel [locatie 27] te Oirschot. Als formeel bezwaar voert hij aan dat de door hem aangeleverde ruimtelijke onderbouwing, een geuronderzoek en een akoestisch onderzoek ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. Verder voert hij aan dat de raad ten onrechte eist dat wordt voldaan aan de geluidsnormen voor nieuwe woningen, omdat op het perceel sprake is van twee bestaande, legaal opgerichte, woningen. Dit wordt volgens hem bevestigd in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2006. Verder conflicteert de toegekende bestemming volgens [appellant sub 27] met het door de raad aangenomen amendement dat strekt tot handhaving van bestaande rechten. Indien ten tijde van de vaststelling van het plan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een tweede woning nog onvoldoende inzichtelijk was, had de raad ervoor moeten kiezen om de desbetreffende gronden buiten het plangebied te laten, aldus [appellant sub 27]. [appellant sub 27] voert voorts aan dat hij ten onrechte niet in staat is gesteld om te reageren op een memo van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2010 waarin het college aan de raad voorstelt om de reeds gerealiseerde woningsplitsing in een volgende fase te legaliseren indien [appellant sub 27] kan aantonen dat het aspect geluid daaraan niet in de weg staat.

2.47.1. De raad stelt dat hij bereid is medewerking te verlenen aan het verzoek om de tweede woning op het perceel [locatie 27] te legaliseren, maar dat de ingediende ruimtelijke onderbouwing nog geconcretiseerd moet worden. Het betreft met name de paragraaf geluid in relatie tot de A58, aldus de raad. Vooralsnog staat volgens de raad onvoldoende vast dat aan de geluidsnormen voor een nieuwe woning wordt voldaan. Door SRE Milieudienst wordt op dit moment onderzocht of alsnog van een bestaande situatie kan worden uitgegaan, maar in afwachting van de uitkomsten van dat onderzoek kan daarop niet worden geanticipeerd, aldus de raad.

2.47.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.47.2.1. De stukken die volgens [appellant sub 27] ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen, zijn opgesteld ten behoeve van de door hem gewenste legalisering van de woningsplitsing. Het ontwerpplan voorzag niet in deze ontwikkeling. Gelet hierop zijn deze stukken naar het oordeel van de Afdeling niet redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerpplan, zodat ze niet met het ontwerpplan ter inzage behoefden te worden gelegd.

2.47.3. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht is [appellant sub 27] sinds het jaar 1999 eigenaar van de woning aan het [locatie 27] en heeft hij de woning na een ingrijpende verbouwing verdeeld in een voorhuis en een achterhuis, die zijn afgescheiden door middel van een tussendeur. In 2007 heeft [appellant sub 27] het voorhuis verkocht aan een derde, die het sindsdien bewoont en een zelfstandige huishouding voert, zo staat voorts in het deskundigenbericht.

2.47.4. Ten behoeve van de verbouwing van de woning aan het [locatie 27] is aan [appellant sub 27] een bouwvergunning verleend. Anders dan [appellant sub 27] betoogt, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat deze bouwvergunning niet ziet op splitsing van het gebouw aan het [locatie 27] in twee zelfstandige woningen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de bouwaanvraag niet is af te leiden dat is beoogd daarmee vergunning aan te vragen voor een dergelijke splitsing. De tussendeur die het voorhuis en het achterhuis met elkaar verbindt en die is weergegeven op een ten behoeve van de aanvraag opgestelde bestektekening rechtvaardigt veeleer de opvatting dat de aanvraag niet op een dergelijke woningsplitsing zag.

2.47.5. Bij brief van 30 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders gereageerd op vragen van [appellant sub 27] omtrent de status van het voorhuis in verband met de voorgenomen verkoop daarvan. In deze brief heeft het college van burgemeester en wethouders onder meer het volgende geantwoord:

"Wij hebben aan u bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een boerderij en bijgebouwen. Bij deze vergunning is in het achterste gedeelte van de boerderij een woning voorzien. Het "voorhuis" dat ook een woning is, is hierbij onveranderd gebleven. Dit betekent feitelijk dat 2 woningen vergund zijn. Er is geen sloopverplichting opgelegd.

(…)

Wij gaan dit jaar aan de slag met een nieuw bestemmingsplan Buitengebied. Het is de bedoeling dat dit nieuwe bestemmingsplan over 3 tot 4 jaar rechtskracht krijgt. Het is voor u van belang deze ontwikkelingen goed te blijven volgen. U kunt in het kader van deze procedure proberen om de tweede woning positief bestemd te krijgen."

Dat in voornoemde brief staat dat feitelijk twee woningen vergund zijn zonder dat wordt gesteld dat dit ook in juridisch opzicht het geval is, terwijl [appellant sub 27] volgens de brief kan proberen om een bestemmingsregeling ten behoeve van een tweede woning toegekend te krijgen, bevestigt naar het oordeel van de Afdeling het standpunt van de raad dat [appellant sub 27] zich niet succesvol kan beroepen op bestaande rechten die het opnemen van een bestemming ten behoeve van twee woningen aan het [locatie 27] rechtvaardigen. Derhalve is hetgeen hij met betrekking tot het door de raad aangenomen amendement over bestaande rechten heeft aangevoerd in zoverre niet relevant.

Indien de raad aan de wens van [appellant sub 27] tot splitsing tegemoet zou komen, zou in juridisch-planologisch opzicht een nieuwe woning mogelijk worden gemaakt, zodat in dat geval aan de geluidsnormen voor een nieuwe woning moet worden voldaan. Nu ten tijde van het bestreden besluit niet zeker was of aan deze normen kon worden voldaan, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om vooralsnog geen twee woningen toe te staan aan het [locatie 27]. Op basis van de wel bij [appellant sub 27] voorafgaand aan de vaststelling van het plan kenbare stukken was bij hem reeds bekend dat het college van burgemeester en wethouders vooralsnog niet welwillend stond tegenover de door hem gewenste ontwikkeling. Reeds hierom geeft de omstandigheid dat [appellant sub 27] voorafgaand aan vaststelling van het plan niet in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van het memo van het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met de door hem te betrachten zorgvuldigheid.

2.47.6. Over het subsidiaire betoog dat de raad de gronden buiten het plangebied had moeten laten, overweegt de Afdeling dat de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan, gelet op de systematiek van de Wro. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om zijn gronden binnen de vastgestelde planbegrenzing op te nemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan beoogt te voorzien in een planologische regeling voor het gehele buitengebied, waarvan het perceel [locatie 27] deel uitmaakt, en dat de raad in beginsel iedere tien jaar een nieuw bestemmingsplan dient vast te stellen, welke termijn in dit geval ten tijde van de vaststelling van het plan nagenoeg verstreken was.

2.48. [appellant sub 27] betoogt dat ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend aan delen van het perceel [locatie 27]. Hij voert in dat verband aan dat de desbetreffende gronden niet agrarisch worden gebruikt en dat aan andere percelen die worden gebruikt voor burgerbewoning wel een bestemming is toegekend die is toegesneden op het gebruik van gronden rondom de woning als tuin. Bovendien bevinden zich op deze gronden gebouwen die thans ten onrechte niet bij recht zijn toegestaan, zo stelt [appellant sub 27].

2.48.1. Wat betreft dit bezwaar overweegt de Afdeling dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom aan deze gronden, waarvan de raad ter zitting heeft erkend dat ze in gebruik zijn voor burgerbewoning, een agrarische bestemming moet worden toegekend. Ook de motivering die ten grondslag ligt aan de door de raad getroffen regeling voor de gebouwen ter plaatse is niet inzichtelijk gemaakt.

In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

2.48.2. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op gronden aan het [locatie 27], is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 28]

2.49. [appellant sub 28] betoogt dat in het plan zijn bedrijf op het perceel [locatie 28] te Oirschot ten onrechte niet is bestemd als loon- en grondverzetbedrijf met op- en overslag van foerage, zand en bouw- en sloopafval. Het bedrijf is in overeenstemming met een revisievergunning uit 2007 als zodanig in werking en dit gebruik is door het gemeentebestuur nimmer gewraakt. Het houden van varkens is al in 1998 gestaakt. Voorts is recentelijk nog een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een loods voor op- en overslag van zand en grind en opslag van materialen met een omvang van 3200 m². Het plan is volgens Kroon aldus vastgesteld in strijd met het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het motiveringsbeginsel. De enkele opmerking van de raad dat vanwege het conserverende karakter van het plan nieuwe ontwikkelingen daarin niet kunnen worden meegenomen en dat bovendien niet door een goede ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat wijziging van de bestemming ruimtelijk verantwoord is, acht hij in dat verband onvoldoende. Voorts zijn bij de besluitvorming ten onrechte niet conform provinciaal beleid ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarisch-technische hulpbedrijven opgenomen, waaronder het mogen uitbreiden van het bedrijf met 25% en de mogelijkheid om ter plaatse tevens mest te kunnen bewerken en verwerken, aldus [appellant sub 28].

2.49.1. Aan het perceel zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de functieaanduidingen "bedrijfswoning" en "agrarisch loonbedrijf" toegekend.

2.49.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder d, van de planregels zijn gronden met de gelijknamige aanduiding bestemd voor een agrarisch loonbedrijf.

Ingevolge lid 4.1.1, onder h, zijn de gronden mede bestemd voor bedrijfsmatige nevenactiviteiten voor zover deze genoemd zijn in artikel 4.1.2. Het agrarisch loonbedrijf is voorts als bestaande nevenactiviteit opgenomen in tabel 5 bij artikel 4.1.2.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch verwante bedrijven, agrarisch-technische bedrijven en niet-agrarische bedrijven, aangeduid zoals opgenomen in tabel 13 'Staat van niet-agrarische bedrijven'.

2.49.3. In artikel 1 van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de volgende omschrijvingen opgenomen:

- artikel 1, lid 13: agrarisch-technisch hulpbedrijf: een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden en/of medisch verzorgen van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch-technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven.

- artikel 1, lid 14: agrarisch-verwant bedrijf: een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden.

Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, stalhouderijen, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven, volkstuinen.

2.49.4. De raad heeft ter zitting verklaard dat ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder d, van de planregels op het perceel [locatie 28] het exploiteren van een agrarisch loonbedrijf als hoofdactiviteit is toegestaan en dat daaronder tevens valt een agrarisch-technisch hulpbedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 13. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 28] met zijn beroep in het bijzonder beoogt dat aan zijn gronden een bedrijfsbestemming wordt toegekend als bedoeld in artikel 6, lid 6.1.1 en de daarbij behorende tabel 13, ten behoeve van de exploitatie ter plaatse van een niet-agrarisch loon- en grondverzetbedrijf. Ter zitting heeft de raad niet weersproken dat ook andere niet-agrarische loon- en grondverzetbedrijven onder de werking van artikel 6, lid 6.1.1, en tabel 13 zijn gebracht en heeft zich bereid verklaard om nader te bezien of ook het bedrijf als zodanig in het plan kan worden opgenomen.

2.49.5. In hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 29]

2.50. [appellanten sub 29] voeren aan dat een deel van hun percelen aan de Zwanenburg-Oerlesedijk ten onrechte bestemd is als "Natuur", nu over hun percelen een weg loopt, op een deel van de percelen een paardenstal staat en een deel daarvan als weide is ingericht. Zij wijzen er op dat percelen in de omgeving van hun gronden, waar een kliniek voor verslavingszorg en een manege zijn gevestigd, niet volledig voor "Natuur" zijn bestemd.

2.50.1. De raad stelt dat de desbetreffende percelen deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur en dat het om beboste percelen gaat, zodat de bestemming "Natuur" terecht is toegekend. Omdat het gebouw op de percelen onder het overgangsrecht valt en mag blijven worden gebruikt, zijn er geen beperkingen voor [appellanten sub 29], aldus de raad.

2.50.2. Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden met daaraan ondergeschikt extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik en infrastructurele voorzieningen.

2.50.3. Volgens het deskundigenbericht zijn op de percelen van [appellanten sub 29] een paardenstal en twee zandpaden aanwezig en bevindt zich direct voor de paardenstal een weide. Het deskundigenbericht is op deze punten onweersproken.

2.50.4. Gelet op de diverse vormen van gebruik die zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Natuur" stelt de Afdeling vast dat de zandpaden, conform het bestaande gebruik, volgens het plan bij recht zijn toegestaan op de percelen van [appellanten sub 29].

Ten aanzien van de door [appellanten sub 29] gemaakte vergelijking met percelen waar een kliniek voor verslavingszorg onderscheidenlijk een manege zijn gevestigd overweegt de Afdeling dat deze situaties verschillen van de thans aan de orde zijnde situatie omdat het bestaande gebruik op de door [appellanten sub 29] genoemde percelen niet is toegestaan binnen de bestemming "Natuur", terwijl dat bij hun eigen percelen wel het geval is. In hetgeen [appellanten sub 29] hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellanten sub 29] genoemde situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.50.5. Ten behoeve van de paardenstal op de percelen van [appellanten sub 29] is een bouwvergunning verleend. Deze paardenstal is overeenkomstig deze bouwvergunning en derhalve legaal opgericht. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk. Indien aan deze voorwaarden is voldaan kan het bestaande bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie.

Nu [appellanten sub 29] voornemens zijn hun legaal opgerichte paardenstal te handhaven en overigens geen zicht bestaat op verwijdering van deze paardenstal, heeft de raad, door deze paardenstal onder het overgangsrecht te brengen, gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.50.6. Ten aanzien van de wens van [appellanten sub 29] om een oppervlakte van ongeveer 2.000 m² te kunnen gebruiken als uitloopmogelijkheid bij hun stal heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat hij zich deze wens kan voorstellen en dat hij wil bezien in hoeverre een dergelijke mogelijkheid kan worden geboden. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit aanleiding hebben gegeven voor het standpunt dat deze wens nog eens zou moeten worden bezien, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.51. In hetgeen [appellanten sub 29] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Natuur" voor zover dat betrekking heeft op het deel van hun percelen aan de Zwanenburg-Oerlesedijk waarop een paardenstal is gebouwd en voor zover betrekking hebbend op het deel van dat perceel dat is ingericht als weide, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel onderscheidenlijk is voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 30]

2.52. [appellant sub 30] exploiteert een agrarisch bedrijf en een bed & breakfast op het perceel [locatie 29] te Oirschot. Hij heeft bezwaar tegen de vorm van het bouwvlak dat in het plan voor zijn perceel is opgenomen, aangezien een deel van de bestaande, reeds vergunde, bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak ligt. Daarnaast stelt hij dat zijn bed & breakfast ten onrechte niet is opgenomen in bijlage 3 bij de planregels.

2.52.1. Aan het perceel [locatie 29] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" toegekend, met een agrarisch bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bedrijfsmatige nevenactiviteiten voor zover het betreft activiteiten als genoemd in lid 4.1.2.

Ingevolge lid 4.1.2 zijn de gronden ter plaatse van de in tabel 5 aangegeven ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan bestaande nevenactiviteiten tevens bestemd voor de bestaande bedrijfsmatige nevenactiviteiten met de daarbij behorende voorzieningen en voor de niet in tabel 5 opgenomen bestaande en vergunde bedrijfsmatige nevenactiviteiten ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan alsmede de nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 3 behorende bij deze regels.

De bed & breakfast op het perceel [locatie 29] is niet opgenomen in tabel 5 bij lid 4.1.2 van de planregels en evenmin in bijlage 3 bij de planregels.

2.52.2. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten dat de vorm van het bouwvlak, dat op de verbeelding is opgenomen voor het perceel [locatie 29], moet worden aangepast. Ook heeft de raad besloten dat de bed & breakfast op dit perceel moet worden opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Deze wijzigingen, zoals weergegeven op pagina 133 van de zienswijzennota, zijn niet verwerkt op de verbeelding respectievelijk in bijlage 3 bij de planregels. Het plan stemt op deze punten niet overeen met het besluit tot vaststelling. De raad heeft dit erkend. Ter zitting heeft de raad verklaard dat voor de bed & breakfast op dit perceel een oppervlakte van 150 m2 kan worden toegestaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

Het beroep van [appellant sub 31]

2.53. [appellant sub 31] exploiteert een rundveehouderij met een loonbedrijf op het perceel [locatie 30] te Oirschot. Hij stelt dat in het plan ten onrechte een te klein bouwvlak voor zijn perceel is opgenomen, waardoor een deel van de bestaande, reeds vergunde, bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak ligt.

2.53.1. Aan het perceel [locatie 30] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" toegekend, met een agrarisch bouwvlak.

2.53.2. De raad stelt zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 30] in het plan abusievelijk te klein is vastgesteld. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij het bouwvlak heeft willen verkleinen ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan omdat een deel van de bedrijfsbebouwing is gesloopt, maar dat het bouwvlak in het vastgestelde plan te klein is.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 32]

2.54. [appellant sub 32] exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 31] te [plaats]. Hij stelt dat op de verbeelding ten onrechte een ecologische verbindingszone is opgenomen ter plaatse van het noordelijke gedeelte van zijn perceel. Volgens [appellant sub 32] wijkt het plan in zoverre af van de provinciale algemene regels ter zake. Hij vreest dat het desbetreffende gedeelte van de ecologische verbindingszone hem zal beperken in zijn bedrijfsvoering en dat deze zone in de weg zal staan aan een verdere ontwikkeling van zijn bedrijf. Ook stelt hij dat dit deel van de verbindingszone niet binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

2.54.1. Aan het perceel [locatie 31] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend, met een agrarisch bouwvlak. Aan een strook in het noordelijke deel van dit perceel is de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie (WR-E)" toegekend.

2.54.2. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan besloten dat de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" ter plaatse van het perceel [locatie 31] op een andere plaats dient te worden ingetekend, omdat de ligging van die dubbelbestemming in het ontwerpplan niet overeenkomt met de provinciale algemene regels ter zake. Deze wijziging, zoals weergegeven op pagina 121 van de zienswijzennota, is niet verwerkt op de verbeelding.

De verbeelding stemt op dit punt niet overeen met het besluit tot vaststelling. Ter zitting heeft de raad dit erkend.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

2.54.3. Ter zitting heeft [appellant sub 32] aangevoerd dat de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" ten oosten en ten westen van het perceel [locatie 31] eveneens op een andere plaats dient te worden ingetekend dan wel dient te worden verwijderd.

Nu hij in zijn beroepschrift uitsluitend is opgekomen tegen de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie", voor zover deze dubbelbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 31], moet worden geoordeeld dat [appellant sub 32] heeft beoogd na afloop van de beroepstermijn de omvang van het geschil in zoverre uit te breiden. De Afdeling overweegt hierover dat binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan tegen welke besluitonderdelen het beroep is gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" ten oosten en ten westen van het perceel [locatie 31] naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

Het beroep van [appellant sub 33]

2.55. [appellant sub 33] betoogt dat de raad ten onrechte niet tegemoet is gekomen aan zijn verzoek om voor zijn perceel [locatie 32] te Oirschot het bouwvlak ten behoeve van zijn aardbeienkwekerij te vergroten en voert in dat verband aan dat de raad ten onrechte vanwege een faillissement aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de economische haalbaarheid van uitbreiding van het bouwvlak en is voorbijgegaan aan de ruimtelijke onderbouwing die aan het verzoek van [appellant sub 33] ten grondslag ligt.

2.55.1. De raad stelt dat de financieel-economische haalbaarheid van vergroting van het bouwvlak in het geding was vanwege een faillissement, waardoor het niet aanvaardbaar was om het bouwvlak te vergroten. Indien [appellant sub 33] kan aantonen dat de financieel-economische haalbaarheid nu wel gegarandeerd is, kan hij in het kader van een nog op te stellen plan voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied een geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing overleggen, aldus de raad.

2.55.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 33] dat de keuze van de raad om geen groter bouwvlak mogelijk te maken ten onrechte enkel is ingegeven door financieel-economische overwegingen zonder dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste ontwikkeling heeft bezien, overweegt de Afdeling dat de raad is gehouden bij zijn besluitvorming de uitvoerbaarheid van het plan te betrekken. Daaronder is de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan begrepen. Indien voldoende aanleiding bestaat om ervan uit te gaan dat een ruimtelijke ontwikkeling niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd, kan de raad, los van de ruimtelijke effecten van die ontwikkeling, reeds om die reden ervan afzien om aan een dergelijke ontwikkeling medewerking te verlenen.

Onder meer ten behoeve van de gewenste vergroting van het bouwvlak is het rapport "Gemeente Oirschot, Nota projectvoorstel en ruimtelijke onderbouwing, [locatie 32] Oirschot" (Van Dun Advies, oktober 2008) opgesteld. Wat betreft de uitvoerbaarheid van het project wordt in paragraaf 3.6 van het rapport volstaan met de enkele opmerking dat de initiatiefnemer financieel drager van het project is. Ter zitting is gebleken dat de door [appellant sub 33] gewenste ontwikkeling een aanzienlijke investering vergt waarvoor ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen financiering was verkregen, terwijl [appellant sub 33] heeft erkend dat op dat moment in financieel opzicht sprake was van moeilijke omstandigheden en dat een aantal van zijn werkmaatschappijen was gefailleerd. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om de gewenste uitbreiding van het bouwvlak vooralsnog niet bij recht mogelijk te maken.

2.56. [appellant sub 33] voert daarnaast aan dat het plan ten onrechte de huisvesting van seizoensarbeiders op het perceel [locatie 33] niet mogelijk maakt. Volgens [appellant sub 33] staat de zogenoemde nota "Tijdelijk (werken en) wonen" niet in de weg aan het opnemen van deze mogelijkheid. Voorts moet op basis van een raadsbesluit van 1 juni 2010 een clausule in de planregels worden opgenomen waarmee maatwerk mogelijk is, zo voert [appellant sub 33] aan.

2.56.1. De raad stelt dat hij op 1 juni 2010 nieuwe beleidsuitgangspunten heeft vastgesteld voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders, die zijn gebaseerd op het provinciale beleid en de nota "Tijdelijk (werken en) wonen" van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE) en waarbij dit beleid is aangevuld. Deze beleidsuitgangspunten zijn vervolgens vertaald naar het plan, aldus de raad. Volgens de raad heeft hij geen medewerking verleend aan de huisvesting van seizoensarbeiders op de locatie [locatie 33] omdat dit niet de hoofdlocatie van het bedrijf betreft. Wanneer dit op de hoofdlocatie niet mogelijk is, moet gezocht worden naar voorzieningen in stedelijk gebied, zo stelt de raad.

2.56.2. Op basis van de nota "Tijdelijk (werken en) wonen" van de SRE is gemeentelijk beleid opgesteld, dat is neergelegd in de "Kaderstellende nota Bestemmingsplan Buitengebied Oirschot". Bij besluit van 1 juni 2010, heeft de raad onder meer besloten om deze kaderstellende nota in die zin aan te passen dat in het geval van een gekoppeld bouwblok, dan wel van een bedrijf dat zich heeft gevestigd op meerdere bouwblokken, geldt dat de tijdelijke huisvesting uitsluitend mag plaatsvinden dan wel mag worden opgericht op het bouwblok waar al een bedrijfswoning aanwezig is. De stelling van [appellant sub 33] dat bij dit besluit door de raad is bepaald dat door middel van een zogenoemde hardheidsclausule maatwerk mogelijk moet worden gemaakt, mist feitelijke grondslag.

Nu de bedrijfswoning bij de aardbeienkwekerij is gevestigd aan de [locatie 32] en niet aan het perceel [locatie 33], heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bij recht opnemen van de mogelijkheid tot de huisvesting van seizoensarbeiders op het perceel [locatie 33] in het plan strijd oplevert met het toepasselijke gemeentelijke beleid. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid.

2.57. [appellant sub 33] voert daarnaast aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom vanuit het oogpunt van archeologie bescherming moet worden toegekend aan zijn gronden. Voorts betoogt hij dat teeltondersteunende voorzieningen op zijn gronden ten onrechte niet zijn toegelaten.

2.57.1. In zijn zienswijze heeft [appellant sub 33] onder meer bezwaren naar voren gebracht tegen de wijze waarop in het ontwerpplan is gekomen tot toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-archeologie", vanwege de beperking van bouwmogelijkheden die deze bestemming voor [appellant sub 33] met zich brengt.

De bestemming "Waarde-archeologie" is in het voorliggende plan niet toegekend aan de gronden van [appellant sub 33], zodat hij in zoverre niet wordt geraakt door het plan.

2.57.2. [appellant sub 33] heeft in zijn zienswijze voorts verzocht om de aanduiding "archeologische waarden" te laten vervallen, omdat hij verwacht dat deze regeling geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de dubbelbestemming "Waarde-archeologie" en omdat de diepte voor afgravingen afwijkt van de regeling bij de dubbelbestemming "Waarde-archeologie". Aan delen van de gronden van [appellant sub 33] is de gebiedsaanduiding "archeologische waarden" toegekend.

2.57.2.1. Ingevolge artikel 34.2.1 van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "archeologische waarden", behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarden.

Ingevolge artikel 34.2.2 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

1. het afgraven, vergraven, ontgronden, ophogen of egaliseren, diepploegen, woelen en mengen van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 0,30 m;

2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen en parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

3. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;

4. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het rooien van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd.

2.57.2.2. De regels voor gronden met de dubbelbestemming "Waarde-archeologie" zijn niet van toepassing op de gronden van [appellant sub 33], terwijl voor een deel van zijn gronden wel de regels voor gronden met de gebiedsaanduiding "archeologische waarden" van toepassing zijn. [appellant sub 33] kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de gebiedsaanduiding geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de dubbelbestemming. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, zich baserend op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om aan delen van de gronden van [appellant sub 33] de gebiedsaanduiding "archeologische waarden" toe te kennen.

2.57.3. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het geldende provinciale beleid betreffende het onderwerp "Teeltondersteunende voorzieningen" in het plan heeft verwerkt. [appellant sub 33] heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat het plan permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak ten onrechte niet toelaat. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht bevinden zich zowel op het perceel [locatie 32] als het perceel Langereijt nabij nummer 33 permanente teeltondersteunende voorzieningen op gronden die niet zijn aangeduid als "bouwvlak".

Op deze gronden maakt het plan permanente teeltondersteunende voorzieningen niet bij recht mogelijk. Volgens het deskundigenbericht is van gemeentelijke zijde gesteld dat permanent ondersteunende voorzieningen niet zijn geïnventariseerd. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij het bestreden besluit op dit punt zal heroverwegen. Door na te laten te onderzoeken in hoeverre rekening moet worden gehouden met bestaande rechten en belangen ten aanzien van permanente teeltondersteunende voorzieningen op gronden die niet zijn aangeduid als "bouwvlak", heeft de raad onzorgvuldig gehandeld.

2.58. In hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb wat betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch" die betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 33] aan de [locatie 32] en Langereijt nabij nummer 33, behoudens voor zover aan deze gronden de aanduiding "bouwvlak" is toegekend.

Het beroep van [appellant sub 34]

2.59. [appellant sub 34] exploiteert een boomkwekerij voor vormbomen en parkbomen op het perceel [locatie 34] te Oirschot.

Zij stelt dat in het plan ten onrechte niet is bepaald dat het bestaande gebruik van haar boomteeltpercelen zonder vergunning mag worden voortgezet. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat haar bedrijf in 1995 ter plaatse is gevestigd en dat boomteelt op dat moment niet aanlegvergunningplichtig was. Nu de raad zich bij de planvaststelling op het standpunt heeft gesteld dat in dit plan geen beperkingen moeten worden opgelegd aan bestaande boomteeltbedrijven, had de raad volgens [appellant sub 34] expliciet moeten aangeven dat haar bestaande rechten worden geëerbiedigd.

2.59.1. Aan de gronden van [appellant sub 34] is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" toegekend, met onder meer de gebiedsaanduiding 'akkercomplex'.

Ingevolge artikel 4, lid 4.7.1, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) gronden met de aanduiding 'akkercomplex' te beplanten met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt.

In lid 4.7.2 is bepaald dat het in lid 4.7.1 vervatte verbod niet van toepassing is op werken en werkzaamheden:

a. die plaatsvinden op het agrarisch bouwvlak;

b. die het normale onderhoud betreffen;

c. waarvoor op het tijdstip van het van kracht van dit plan reeds aanlegvergunning is verleend;

d. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op basis van een verleende vergunning;

e. met uitzondering voor het vellen van bomen die onder de Boswet vallen.

2.59.2. De raad heeft bij de vaststelling van het plan overwogen dat voor boomteelt in een later stadium beleid zal worden vastgesteld en dat dit beleid vervolgens bij planherziening in het bestemmingsplan zal worden opgenomen. In afwachting van de nog op te stellen Boomteeltvisie zijn de mogelijkheden die het voorheen geldende bestemmingsplan ter zake bood overgenomen in dit plan, zo blijkt uit de zienswijzennota.

2.59.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de boomteeltpercelen van [appellant sub 34] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de aanduiding 'akkercomplex' toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.7.1, aanhef en onder e, van de voorschriften van dat plan, zoals deze voorschriften zijn gewijzigd bij het bestemmingsplan "Buitengebied Correctieve herziening 2003", was het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) gronden met de aanduiding 'akkercomplex' te beplanten met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).

In lid 4.7.2, aanhef en onder c, was bepaald dat het in lid 4.7.1 vervatte verbod niet van toepassing is op werken of werkzaamheden welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren.

2.59.4. De raad stelt zich blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat de planregeling, zoals die in het voorliggende plan is vastgesteld voor de boomteeltpercelen van [appellant sub 34], niet leidt tot een beperking voor haar bedrijfsvoering.

2.59.5. De Afdeling overweegt hierover dat de raad niet heeft onderbouwd waarom hij zich op het standpunt stelt dat [appellant sub 34] door de desbetreffende regeling niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

Daarbij is van belang dat ingevolge artikel 4, lid 4.7.2, aanhef en onder c, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan geen aanlegvergunningplicht bestond voor werken of werkzaamheden welke ten tijde van het van kracht worden van dat bestemmingsplan in uitvoering waren. In artikel 4, lid 4.7.2, aanhef en onder d, van de regels van het voorliggende bestemmingsplan is weliswaar een vergelijkbare uitzondering van de aanlegvergunningplicht opgenomen, maar die heeft uitsluitend betrekking op werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering waren op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op basis van een verleende vergunning. In zoverre kan de raad dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het voorliggende bestemmingsplan op dit punt, in afwachting van de nog op te stellen Boomteeltvisie, niet leidt tot een beperking ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit wordt niet anders door de ter zitting niet nader onderbouwde stelling van de raad dat, voor zover op grond van het voorliggende plan - in afwijking van het voorheen geldende plan - voor het bestaande gebruik van de boomteeltpercelen van [appellant sub 34] een aanlegvergunning is vereist, een dergelijke vergunning inmiddels is verleend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 34] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", wat betreft de gronden van [appellant sub 34], is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Bestuurlijke lus

2.60. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van de geschillen aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient:

a. met inachtneming van overweging 2.21.6 artikel 1, lid 128, van de planregels gewijzigd vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] aan het Pandgat 7a en de Kampsesteeg;

b. met inachtneming van overweging 2.2.4 nader te bezien of de bestaande containervelden op de gronden van [appellante sub 2] aan de [locatie 1] bij recht kunnen worden toegestaan en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

c. met inachtneming van overweging 2.6.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 2] dat is bebouwd met een voormalige kippenschuur;

d. met inachtneming van overweging 2.8.2 nader te bezien of op de gronden van [appellant sub 4] met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 3] bij recht een paardenstal en een paardenrijbak ten behoeve van een paardenhouderij mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

e1. met inachtneming van overweging 2.10.3 de maximale oppervlaktes voor de verschillende nevenactiviteiten en de ondergeschikte horeca en het maximaal aantal toegestane personen op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 4] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

e2. met inachtneming van overweging 2.10.3 nader te onderzoeken of op plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 4] bed & breakfastkamers mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

e3. met inachtneming van overweging 2.10.3 onderzoek te doen naar de milieugevolgen van de verschillende nevenfuncties en de ondergeschikte horeca voor zover het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wat betreft het perceel [locatie 4] die mogelijk maken, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen indien uit dat onderzoek blijkt dat de milieugevolgen onaanvaardbaar zijn te achten;

f. met inachtneming van overweging 2.11.5 alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Recreatie", wat betreft het perceel [locatie 5], voor zover op dit perceel één bedrijfswoning is toegestaan, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

g. met inachtneming van overweging 2.13.2 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" ter plaatse van het door [appellant sub 7] gepachte perceel aan de Meierijse Baan een passende planregeling vast te stellen;

h. met inachtneming van overweging 2.14.4 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" wat betreft het perceel [locatie 7] een passende planregeling vast te stellen;

i. met inachtneming van overweging 2.15.4 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Natuur" dat ziet op de gronden aan de [locatie 8], waarbij recht wordt gedaan aan de agrarische bedrijvigheid ter plaatse;

j1. met inachtneming van overweging 2.17.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 35] een passend bouwvlak vast te stellen;

j2. met inachtneming van overweging 2.18.2 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" ter plaatse van de aan [appellant sub 10] toebehorende percelen aan de Meierijse Baan, Vinkendonken en Oude Grintweg een passende planregeling vast te stellen;

j3. met inachtneming van overweging 2.19.2 artikel 34, lid 34.2.2, van de planregels gewijzigd vast te stellen;

k1. met inachtneming van overweging 2.20.3 nader te bezien wat de gevolgen voor verminderde lichtinval op de woning op het perceel [locatie 9] en verlies van uitzicht zijn gezien de maximale bouwhoogte en de toegestane afstand tot de erfgrens van de bebouwing die het plan binnen het bouwvlak op het perceel ten noorden van het perceel [locatie 9] mogelijk maakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

k2. met inachtneming van overweging 2.20.4 de gevolgen van de spuitactiviteiten op het perceel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel ten noorden van het perceel [locatie 9] nader te onderzoeken en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

l. met inachtneming van overweging 2.22.2 nader te bezien of op het perceel [locatie 10] een medische praktijkruimte kan worden toegestaan en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

m. met inachtneming van overweging 2.23.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11], waarmee recht wordt gedaan aan het gebruik van dit perceel als tuincentrum;

n1. met inachtneming van overweging 2.25.2 de bed & breakfast en de minicamping op het perceel [locatie 12] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

n2. met inachtneming van overweging 2.25.3 nader te bezien of op het perceel [locatie 12] een groepsaccommodatie met een oppervlakte van 100 m2 kan worden toegestaan en deze zo nodig op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

o. met inachtneming van de overwegingen 2.26.2, 2.27.3 en 2.27.5 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 13] en het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "kampeerterrein" dat ziet op gronden van [appellant sub 15] aan de Grintweg 69/69a;

p. met inachtneming van overweging 2.29.2, zo mogelijk in overleg met Petrochemical Pipeline Services, voor het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Sabic" een passende planregeling vast te stellen;

q1. met inachtneming van overweging 2.30.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de percelen [locatie 15 en 16] passende bouwvlakken vast te stellen;

q2. met inachtneming van de overwegingen 2.30.2 en 2.30.3 de bed & breakfast en de zichtstal met excursieruimte op het perceel [locatie 15] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

q3. met inachtneming van overweging 2.30.3 de boerderijwinkel met slagerij op het perceel [locatie 16] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

q4. met inachtneming van overweging 2.31.2 de situatie op het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie", wat betreft de bij [appellanten sub 17] in eigendom of in gebruik zijnde gronden langs de waterloop ten oosten van het perceel [locatie 16], nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling hiervoor gewijzigd vast te stellen;

q5. met inachtneming van overweging 2.32.2 de situatie op de plandelen met de bestemming "Natuur", wat betreft het noordelijke deel en het zuidwestelijke deel van het perceel [...], nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling hiervoor gewijzigd vast te stellen;

r. met inachtneming van overweging 2.33.4 nader te onderzoeken en te motiveren of binnen een afstand van 50 m vanaf de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 19] te Oirschot geurgevoelige objecten mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

s. met inachtneming van overweging 2.34.3 nader te onderzoeken en te motiveren of op het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 20] een woning mogelijk kan worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

t. met inachtneming van overweging 2.35.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch", ter plaatse van het perceel [locatie 22], voor zover het de strook grond met een breedte van 15 m ten noorden van de bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" betreft, een passende planregeling vast te stellen;

u. met inachtneming van overweging 2.36.2 ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de Kattenbergsesteeg toereikend te motiveren waarom geen rekening is gehouden met het amendement van 12 maart 2009 inzake de bescherming van zandpaden dan wel zo nodig de planregeling voor dit plandeel gewijzigd vast te stellen;

v. met inachtneming van de overwegingen 2.38.2 en 2.41.5 de planregeling voor het gebied 3 "Boterwijk" toereikend te motiveren en zo nodig een passende planregeling voor dit gebied vast te stellen;

w. met inachtneming van overweging 2.42.4 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat ziet op de gronden van [appellant sub 24] waarop zijn groentekas staat;

x. een passende planregeling vast te stellen voor de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden", "Wonen" en "Natuur" die betrekking hebben op de gronden aan de [locatie 26];

y. met inachtneming van overweging 2.45.2 nader te bezien of voor het plandeel met de bestemming "Bos" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 26] aan de Spreeuwelsedijk waarop haar caravan staat, kan worden voorzien in een planregeling die de caravan en het bestaande gebruik daarvan ter plaatse toelaat, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

z. met inachtneming van overweging 2.48.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op gronden aan het [locatie 27];

aa. met inachtneming van overweging 2.49.4 nader te bezien of op de gronden van [appellant sub 28] ter plaatse van het perceel [locatie 28] een niet-agrarisch loon- en grondverzetbedrijf kan worden toegestaan en dit zo nodig op te nemen in artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels en de daarbij behorende tabel 13;

ab. met inachtneming van overwegingen 2.50.5 en 2.50.6 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Natuur", voor zover dat betrekking heeft op het deel van de percelen van [appellanten sub 29] aan de Zwanenburg-Oerlesedijk waarop een paardenstal is gebouwd, en nader te bezien of voor een oppervlakte van ongeveer 2.000 m² van deze percelen een uitloopmogelijkheid bij hun stal kan worden toegelaten, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen voor een dergelijke uitloopmogelijkheid;

ac1. met inachtneming van overweging 2.52.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 29] een passend bouwvlak vast te stellen;

ac2. met inachtneming van overweging 2.52.2 de bed & breakfast op het perceel [locatie 29] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

ad. met inachtneming van overweging 2.53.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 30] een passend bouwvlak vast te stellen;

ae. met inachtneming van overweging 2.54.2 voor het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" ter plaatse van het perceel [locatie 31], voor zover deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden tussen het plandeel met de bestemming "Verkeer" en het plandeel met de bestemming "Water", een passende planregeling vast te stellen;

af. met inachtneming van overweging 2.57.3 nader te bezien of de permanente teeltondersteunende voorzieningen op de als "Agrarisch" bestemde gronden van [appellant sub 33] aan de [locatie 32] en Langereijt nabij nummer 33 die niet zijn aangeduid als "bouwvlak" kunnen worden toegestaan, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

ag. met inachtneming van overweging 2.59.5 alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", wat betreft de gronden van [appellant sub 34], toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor deze gronden gewijzigd vast te stellen.

2.61. Bij de voorbereiding van wijzigingen die de raad naar aanleiding van de geconstateerde gebreken in het plan aanbrengt, behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient die wijzigingen op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

2.62. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Oirschot op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

a. met inachtneming van overweging 2.21.6 artikel 1, lid 128, van de planregels gewijzigd vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 1] aan het Pandgat 7a en de Kampsesteeg;

b. met inachtneming van overweging 2.2.4 nader te bezien of de bestaande containervelden op de gronden van [appellante sub 2] aan de [locatie 1] bij recht kunnen worden toegestaan en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

c. met inachtneming van overweging 2.6.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op het deel van het perceel [locatie 2] dat is bebouwd met een voormalige kippenschuur;

d. met inachtneming van overweging 2.8.2 nader te bezien of op de gronden van [appellant sub 4] met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 3] bij recht een paardenstal en een paardenrijbak ten behoeve van een paardenhouderij mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

e1. met inachtneming van overweging 2.10.3 de maximale oppervlaktes voor de verschillende nevenactiviteiten en de ondergeschikte horeca en het maximaal aantal toegestane personen op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te Oirschot op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

e2. met inachtneming van overweging 2.10.3 nader te onderzoeken of op plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te Oirschot bed & breakfastkamers mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

e3. met inachtneming van overweging 2.10.3 onderzoek te doen naar de milieugevolgen van de verschillende nevenfuncties en de ondergeschikte horeca voor zover het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wat betreft het perceel [locatie 4] die mogelijk maken, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen indien uit dat onderzoek blijkt dat de milieugevolgen onaanvaardbaar zijn te achten;

f. met inachtneming van overweging 2.11.5 alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Recreatie", wat betreft het perceel [locatie 5], voor zover op dit perceel één bedrijfswoning is toegestaan, toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor dit perceel gewijzigd vast te stellen;

g. met inachtneming van overweging 2.13.2 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" ter plaatse van het door [appellant sub 7] gepachte perceel aan de Meierijse Baan een passende planregeling vast te stellen;

h. met inachtneming van overweging 2.14.4 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" wat betreft het perceel [locatie 7] een passende planregeling vast te stellen;

i. met inachtneming van overweging 2.15.4 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Natuur" dat ziet op de gronden aan de [locatie 8], waarbij recht wordt gedaan aan de agrarische bedrijvigheid ter plaatse;

j1. met inachtneming van overweging 2.17.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 35] een passend bouwvlak vast te stellen;

j2. met inachtneming van overweging 2.18.2 voor het plandeel met de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" ter plaatse van de aan [appellant sub 10] toebehorende percelen aan de Meierijse Baan, Vinkendonken en Oude Grintweg een passende planregeling vast te stellen;

j3. met inachtneming van overweging 2.19.2 artikel 34, lid 34.2.2, van de planregels gewijzigd vast te stellen;

k1. met inachtneming van overweging 2.20.3 nader te bezien wat de gevolgen voor verminderde lichtinval op de woning op het perceel [locatie 9] en verlies van uitzicht zijn gezien de maximale bouwhoogte en de toegestane afstand tot de erfgrens van de bebouwing die het plan binnen het bouwvlak op het perceel ten noorden van het perceel [locatie 9] mogelijk maakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

k2. met inachtneming van overweging 2.20.4 de gevolgen van de spuitactiviteiten op het perceel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel ten noorden van het perceel [locatie 9] nader te onderzoeken en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

l. met inachtneming van overweging 2.22.2 nader te bezien of op het perceel [locatie 10] een medische praktijkruimte kan worden toegestaan en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

m. met inachtneming van overweging 2.23.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11], waarmee recht wordt gedaan aan het gebruik van dit perceel als tuincentrum;

n1. met inachtneming van overweging 2.25.2 de bed & breakfast en de minicamping op het perceel [locatie 12] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

n2. met inachtneming van overweging 2.25.3 nader te bezien of op het perceel [locatie 12] een groepsaccommodatie met een oppervlakte van 100 m2 kan worden toegestaan en deze zo nodig op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

o. met inachtneming van de overwegingen 2.26.2, 2.27.3 en 2.27.5 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 13] en het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "kampeerterrein" dat ziet op gronden van [appellant sub 15] aan de [locatie 14 en 13];

p. met inachtneming van overweging 2.29.2, zo mogelijk in overleg met Petrochemical Pipeline Services, voor het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Sabic" een passende planregeling vast te stellen;

q1. met inachtneming van overweging 2.30.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van de percelen [locatie 15 en 16] passende bouwvlakken vast te stellen;

q2. met inachtneming van de overwegingen 2.30.2 en 2.30.3 de bed & breakfast en de zichtstal met excursieruimte op het perceel [locatie 15] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

q3. met inachtneming van overweging 2.30.3 de boerderijwinkel met slagerij op het perceel [locatie 16] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

q4. met inachtneming van overweging 2.31.2 de situatie op het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie", wat betreft de bij [appellanten sub 17] in eigendom of in gebruik zijnde gronden langs de waterloop ten oosten van het perceel [locatie 16], nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling hiervoor gewijzigd vast te stellen;

q5. met inachtneming van overweging 2.32.2 de situatie op de plandelen met de bestemming "Natuur", wat betreft het noordelijke deel en het zuidwestelijke deel van het perceel [...], nader te onderzoeken en zo nodig de planregeling hiervoor gewijzigd vast te stellen;

r. met inachtneming van overweging 2.33.4 nader te onderzoeken en te motiveren of binnen een afstand van 50 m vanaf de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 19] te Oirschot geurgevoelige objecten mogelijk kunnen worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

s. met inachtneming van overweging 2.34.3 nader te onderzoeken en te motiveren of op het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 20] een woning mogelijk kan worden gemaakt en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

t. met inachtneming van overweging 2.35.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch", ter plaatse van het perceel [locatie 22], voor zover het de strook grond met een breedte van 15 m ten noorden van de bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" betreft, een passende planregeling vast te stellen;

u. met inachtneming van overweging 2.36.2 ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de Kattenbergsesteeg toereikend te motiveren waarom geen rekening is gehouden met het amendement van 12 maart 2009 inzake de bescherming van zandpaden dan wel zo nodig de planregeling voor dit plandeel gewijzigd vast te stellen;

v. met inachtneming van de overwegingen 2.38.2 en 2.41.5 de planregeling voor het gebied 3 "Boterwijk" toereikend te motiveren en zo nodig een passende planregeling voor dit gebied vast te stellen;

w. met inachtneming van overweging 2.42.4 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat ziet op de gronden van [appellant sub 24] waarop zijn groentekas staat;

x. een passende planregeling vast te stellen voor de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden", "Wonen" en "Natuur" die betrekking hebben op de gronden aan de [locatie 26];

y. met inachtneming van overweging 2.45.2 nader te bezien of voor het plandeel met de bestemming "Bos" dat betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 26] aan de Spreeuwelsedijk waarop haar caravan staat, kan worden voorzien in een planregeling die de caravan en het bestaande gebruik daarvan ter plaatse toelaat, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

z. met inachtneming van overweging 2.48.1 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op gronden aan het [locatie 27];

aa. met inachtneming van overweging 2.49.4 nader te bezien of op de gronden van [appellant sub 28] ter plaatse van het perceel [locatie 28] een niet-agrarisch loon- en grondverzetbedrijf kan worden toegestaan en dit zo nodig op te nemen in artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels en de daarbij behorende tabel 13;

ab. met inachtneming van overwegingen 2.50.5 en 2.50.6 een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Natuur", voor zover dat betrekking heeft op het deel van de percelen van [appellanten sub 29] aan de Zwanenburg-Oerlesedijk waarop een paardenstal is gebouwd, en nader te bezien of voor een oppervlakte van ongeveer 2.000 m² van deze percelen een uitloopmogelijkheid bij hun stal kan worden toegelaten, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen voor een dergelijke uitloopmogelijkheid;

ac1. met inachtneming van overweging 2.52.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 29] een passend bouwvlak vast te stellen;

ac2. met inachtneming van overweging 2.52.2 de bed & breakfast op het perceel [locatie 29] op te nemen in bijlage 3 bij de planregels;

ad. met inachtneming van overweging 2.53.2 voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" ter plaatse van het perceel [locatie 30] een passend bouwvlak vast te stellen;

ae. met inachtneming van overweging 2.54.2 voor het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" ter plaatse van het perceel [locatie 31], voor zover deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden tussen het plandeel met de bestemming "Verkeer" en het plandeel met de bestemming "Water", een passende planregeling vast te stellen;

af. met inachtneming van overweging 2.57.3 nader te bezien of de permanente teeltondersteunende voorzieningen op de als "Agrarisch" bestemde gronden van [appellant sub 33] aan de [locatie 32] en Langereijt nabij nummer 33 die niet zijn aangeduid als "bouwvlak" kunnen worden toegestaan, en zo nodig een passende planregeling vast te stellen;

ag. met inachtneming van overweging 2.59.5 alsnog de planregeling voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", wat betreft de gronden van [appellant sub 34], toereikend te motiveren dan wel de planregeling voor deze gronden gewijzigd vast te stellen;

ah. voor zover het plan gewijzigd wordt, die wijzigingen op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

ai. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

361/208/240/528.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<img src="/uitspraakimages/AAA/2010p11920-8.jpg" alt="Kaart 1"/>