Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201202717/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Pauwmolen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202717/1/R4.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Delft,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Pauwmolen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. de Wit, en de raad vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, mr. S. Eisenga, ir. B.P.G. Coremans en ir. M. Scholten, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan maakt de realisering van twee woongebouwen met in totaal 285 sociale koopwoningen, sociale huurwoningen en studentenwoningen mogelijk. Het plangebied was voorheen een bedrijfslocatie en is gelegen langs de rijksweg A13.

De Crisis- en herstelwet is van toepassing op het bestreden besluit.

2. [appellant] betoogt geen mogelijkheid tot participatie te hebben gehad bij de vaststelling van het plan. Hij voert daartoe aan dat er geen voorontwerp bestemmingsplan is vastgesteld en geen programma van eisen is besproken met omwonenden. Dit is volgens [appellant] in strijd met de Participatienota Interactieve Beleidsvorming 2005 en het Coalitieakkoord Delft 2010-2014. De stelling van de raad dat geen participatie hoeft te worden geboden, omdat het hier zou gaan om een zogenoemd postzegelplan, is volgens [appellant] niet juist. Volgens [appellant] heeft het plan een grote impact op de bestaande woon- en leefomgeving.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de participatienota, waar [appellant] naar verwijst, geen vastgesteld beleid is, maar heeft gediend als discussiestuk bij de vaststelling van de Inspraak- en participatieverordening. Op grond van deze Inspraak- en participatieverordening is het volgens de raad mogelijk een inspraak- en participatieprocedure te volgen. Dit is niet verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan, aldus de raad. Verder brengt de raad naar voren dat er in 2006 en op 18 januari 2011 en 26 januari 2011 informatieavonden over het plan zijn gehouden.

2.2. De bestemmingsplanprocedure vangt aan met de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het niet nakomen van deze verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan met zich brengen. De participatienota, waar [appellant] naar verwijst, is niet vastgesteld. Enig handelen in strijd daarmee, daargelaten of daar thans sprake van is, kan evenmin aan de rechtmatigheid van het plan in de weg staan. Dit geldt ook voor zover in dit kader is verwezen naar het Coalitieakkoord Delft 2010-2014.

3. [appellant] betoogt dat het aan het plan ten grondslag liggende akoestische rapport ondeugdelijk is. Daartoe voert hij aan dat een weergave van de waarneempunten van de bestaande bebouwing waarop de geluidbelasting is berekend, ontbreekt. Daarnaast is volgens hem ten onrechte voor een deel van het gebied een bodemdemping van 50 procent aangehouden in de berekeningen. Verder is volgens [appellant] ten onrechte geen rekening gehouden met de plannen om de snelheid op de rijksweg A13 te verhogen van 100 naar 120 km per uur. De toename van de geluidbelasting ter plaatse van zijn woning is volgens [appellant] dan ook hoger dan in het akoestisch rapport is berekend. [appellant] voert aan dat de raad ter plaatse van zijn woning aanvullende geluidbeperkende maatregelen had moeten nemen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant]. Uit het akoestisch rapport, dat ten grondslag ligt aan het plan, blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] woning afneemt met 0,1 dB, aldus de raad. De raad stelt dat er gelet daarop geen aanleiding is om ten behoeve van de woning van [appellant] aanvullende geluidbeperkende maatregelen te treffen.

3.2. In bijlage 26 behorend bij de plantoelichting is de ligging van de waarneempunten van de bestaande bebouwing weergegeven. Het betoog van [appellant] dat een dergelijke weergave ontbreekt, mist daarom feitelijke grondslag.

3.3. Tussen het plangebied en de woning van [appellant] is de Pijnackerse vaart gelegen. De raad heeft toegelicht dat bij het aanhouden van een dempingsfactor rekening is gehouden met de aanwezigheid van dit water. Volgens de raad zou wanneer geen rekening zou zijn gehouden met de aanwezigheid van water een hogere dempingsfactor gehanteerd moeten worden. Volgens de raad gaat het hier om een gemengd gebied met harde en zachte delen, zodat daarom een dempingsfactor van 50 procent is aangehouden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een dempingsfactor van 50 procent.

3.4. De verhoging van de maximumsnelheid op de rijksweg A13 is volgens de raad een mogelijke toekomstige ontwikkeling die niet concreet is en waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. De Afdeling acht het niet onredelijk dat daarom geen rekening is gehouden met die toekomstige ontwikkeling bij het berekenen van de geluidbelasting.

3.5. In tabel 16 van het akoestisch rapport is de optredende geluidbelasting ten gevolge van reflecties van de voorziene woongebouwen op de nabij gelegen geluidgevoelige bestemmingen weergegeven. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen de situatie zonder nieuwe bebouwing en de situatie met nieuwe bebouwing. Uit de tabel is op te maken dat de geluidbelasting met maximaal 1,3 dB toeneemt als gevolg van het plan. Ter plaatse van de woning van [appellant], in de tabel aangeduid als waarneempunt 53, neemt de geluidbelasting met 0,1 dB af. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een afname van 0,1 dB niet merkbaar is, zodat de akoestische situatie bij de woning van [appellant] door het plan eigenlijk niet verandert. In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat en dat dientengevolge geen geluidbeperkende maatregelen ten behoeve van de bestaande bebouwing noodzakelijk zijn.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de resultaten en conclusies in het akoestisch rapport heeft mogen uitgaan. De raad heeft zich op basis van het rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op het gebied van geluidhinder niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant].

4. [appellant] betoogt, kort weergegeven, dat niet aannemelijk is gemaakt dat de cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de voorziene woningen niet gereduceerd kan worden tot beneden de 70 dB. Voorts voert hij aan dat een gecumuleerde geluidbelasting van 70 dB of meer volgens de gemeentelijke nota "Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder" alleen is toegestaan wanneer alle privé en openbare ruimtes door de bebouwing voldoende akoestisch worden afgeschermd, maar daarvan is volgens [appellant] bij een aantal voorziene woningen geen sprake.

4.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.2. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de eigen woning van [appellant]. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, zaak nr. 201006426/1/R2, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] zich niet succesvol op het bepaalde in de nota Beleid hogere waarden Wet geluidhinder Delft kan beroepen. Voor [appellant] gaat het immers om het belang dat zijn omgeving gevrijwaard blijft van woningen en de huidige bestemming behoudt. Wat er verder ook zij van dat belang in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, het door [appellant] ingeroepen beleid voor de vaststelling van hogere waarden voor de nieuw te bouwen woningen, heeft niet de strekking die belangen te beschermen.

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de gecumuleerde geluidbelasting bij de voorziene woningen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling met toepassing van artikel 1.9 van de Chw af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

5. [appellant] betoogt dat de in het plan toegestane bouwhoogte van 55 m in strijd is met de Beleidsnota Bouwhoogten van de gemeente Delft. Daarin is volgens [appellant] vermeld dat de bouwhoogte van bebouwing nabij de afslagen van de rijksweg A13 maximaal 50 m mag zijn en bij de hier aan de orde zijnde onderdoorgangen 35 m. Door hogere bebouwing ter plaatse toe te staan, ondervindt hij meer schaduwwerking in zijn woning, aldus [appellant]. Volgens hem heeft hij in de wintermaanden drie uur minder zonlicht per dag. Hij voert aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan om de schaduwwerking bij zijn woning te beperken door verplaatsing van de bebouwing.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de Beleidsnota Bouwhoogten Delft geen specifieke bouwhoogten zijn vastgelegd. Aan de hand van de in de nota geformuleerde top-down of bottom-up benadering kan een afweging gemaakt worden over de bouwhoogte en schaal van bouwinitiatieven in Delft, aldus de raad. De nota gaat volgens de raad ervan uit dat voor concrete projecten een studie wordt gemaakt waarbij de nota als hulpmiddel wordt gebruikt. De raad brengt naar voren dat voor het project Pauwmolen een dergelijke studie is gemaakt en dat dit heeft geleid tot de in 2006 vastgestelde Ontwikkelingsvisie.

5.2. In paragraaf 3.4 van de Beleidsnota Bouwhoogten Delft is vermeld dat de in de nota weergegeven top down en bottom-up benadering een aantal bouwstenen oplevert om op bewuste wijze om te gaan met bouwhoogten en schaal in Delft. Volgens de nota leveren beide benaderingen geen kant en klare receptuur op voor de toe te passen bouwhoogte voor een bepaald gebied. Het in het beleid opgenomen stappenplan moet voor een juiste volgorde van behandeling van een initiatief zorgdragen, aldus de Beleidsnota Bouwhoogten Delft.

5.3. Gelet op hetgeen is vermeld in paragraaf 3.4 van de Beleidsnota Bouwhoogten Delft kan niet worden geoordeeld dat in de nota bouwhoogten zijn voorgeschreven waarvan niet kan worden afgeweken. In dit geval heeft de raad het in de nota geformuleerde stappenplan toegepast en een Ontwikkelingsvisie vastgesteld. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in strijd met de Beleidsnota Bouwhoogten Delft heeft vastgesteld.

5.4. Met betrekking tot de schaduwwerking vanwege de toekomstige bebouwing is een bezonningsstudie verricht. Uit deze bezonningsstudie volgt dat in het voor- en najaar ter plaatse van de woning van [appellant] in de ochtenduren schaduwwerking kan plaatsvinden. In de winter treedt in de ochtend en het begin van de middag schaduwwerking op en in de zomer treedt geen schaduwwerking op. De toename van schaduwwerking ten opzichte van de bestaande situatie is volgens de raad beperkt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toename van de schaduwwerking als gevolg van het plan zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gemoeid.

6. [appellant] betoogt dat de aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur Delft, waar het plangebied deel van uitmaakt, onvoldoende wordt gecompenseerd. Het bedrag dat daarvoor is gereserveerd is ontoereikend, aldus [appellant]. Tevens is onvoldoende duidelijk waar het groen zal worden gecompenseerd en hoeveel groen wordt gecompenseerd. De constatering dat de ecologische waarde van het terrein laag is, is volgens [appellant] gebaseerd op onvoldoende onderzoek. Het veldonderzoek heeft namelijk plaatsgevonden op een dag dat er sneeuw lag in het plangebied, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat onvoldoende is onderzocht of de voorziene ontwikkelingen niet buiten de ecologische hoofdstructuur gerealiseerd hadden kunnen worden.

6.1. In paragraaf 5.3 van de plantoelichting wordt ingegaan op het aspect ecologie. Daarbij zijn de principes van het Ecologieplan 2004-2015, dat door de raad is vastgesteld op 29 april 2004, beschreven. Het Ecologieplan sluit ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ecologische hoofdstructuur niet uit, maar verbindt daar voorwaarden aan. Projectactiviteiten die niet aan de voorwaarden voldoen of de ecologische waarden van de ecologische hoofdstructuur aantasten zijn volgens het Ecologieplan niet mogelijk, tenzij sprake is van een aantoonbaar en zwaarwegend maatschappelijk belang en onderbouwd is dat er geen alternatief gevonden kan worden. In dat geval is het compensatiebeginsel van toepassing. Dit beginsel voorziet in de realisatie van nieuwe natuurlijke gebieden ter compensatie van ecologische functies en waarden die door ingrepen verloren gaan of bij herstructurering niet volledig gerealiseerd kunnen worden. In uitzonderingsgevallen kan gekozen worden voor een financiële compensatie. Bij financiële compensatie dient eenderde van de grondwaarde van het project in de Ecologiereserve te worden gestort.

6.2. Vast staat dat het plangebied volgens het Ecologieplan deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur Delft. Volgens de plantoelichting had het plangebied in het voorgaande plan de bestemming "Bedrijven", maar is deze bestemming nooit gerealiseerd waardoor in het gebied een jong bos is ontstaan. In februari 2009 is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door het bureau Stadsnatuur Rotterdam. Daarnaast is volgens de raad op 26 mei 2011 en 14 juni 2011 het plangebied bezocht door een deskundige van de gemeente. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bevindingen van deze deskundige van de gemeente zijn opgenomen in paragraaf 5.3 van de plantoelichting. Gelet hierop is, anders dan [appellant] aanvoert, het veldonderzoek niet alleen gebaseerd op het bezoek aan het plangebied in februari 2009.

Uit het onderzoek is volgens de plantoelichting gebleken dat de ecologische waarde en de betekenis van het plangebied voor de Ecologische Hoofdstructuur Delft beperkt zijn. Door de ontwikkeling in het plangebied van braakliggend land tot jong bos is de biotoop voor vogels en in geringe mate kleine zoogdieren toegenomen. Andere ecologische waarden zijn niet ontstaan. Het functioneren van de ecologische structuur ter plaatse wordt volgens de plantoelichting belemmerd door activiteiten buiten het plangebied. Vooral in de zone ten zuiden van het plangebied vindt verstoring plaats vanwege een terrein met bedrijfsbebouwing. De in het plan voorziene ontwikkelingen hebben volgens de plantoelichting geen ingrijpende gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur, wel wordt de biotoop voor vogels verkleind.

6.3. Niet wordt betwist dat het plan aantasting van de ecologische structuur tot gevolg heeft, omdat de biotoop voor vogels wordt verkleind. Evenmin wordt betwist dat wordt voldaan aan de voorwaarde in het Ecologieplan dat er een groot maatschappelijk belang moet zijn. Ten aanzien van mogelijke alternatieve locaties voor de voorziene planontwikkeling is in de plantoelichting vermeld dat het plangebied een van de weinige beschikbare bouwlocaties in Delft is om de woningopgave te realiseren. Voor de verdere ontwikkeling van de creatieve kenniseconomie is het volgens de plantoelichting van belang dat er vooral in het gebied Delft-Zuidoost voldoende mogelijkheden zijn voor onder andere studenten om zich te vestigen. Verder is van belang dat de ontwikkelaar in dit geval bereid is de kosten te dragen voor de te treffen mitigerende en compenserende maatregelen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding deze afweging van de raad over de alternatieve locaties onredelijk te achten.

6.4. Volgens de plantoelichting wordt de aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur Delft als gevolg van het plan zowel fysiek als financieel gecompenseerd, omdat het niet mogelijk is het gebied dat verloren gaat geheel fysiek te compenseren. Met betrekking tot de fysieke natuurcompensatie is op bladzijde 30 van de plantoelichting vermeld welke maatregelen concreet worden getroffen. Daarbij is vermeld dat de kosten van de fysieke natuurcompensatie worden gedragen door de ontwikkelaar. Binnen de bestemmingen "Groen" en "Wonen" is het mogelijk om ecologische- en groenvoorzieningen te realiseren ten behoeve van het behoud, het herstel en of ontwikkeling van natuurwaarden.

Ten aanzien van de financiële compensatie is in de plantoelichting vermeld dat, anders dan in het Ecologieplan is opgenomen, het bedrag voor de financiële compensatie niet is gebaseerd op eenderde van de grondwaarde, maar is gematigd en vastgesteld op € 50.000,00. Volgens de plantoelichting worden vergaande compenserende en mitigerende maatregelen getroffen van ongeveer € 200.000,00 en is het buitenproportioneel om daarbij nog een bedrag van eenderde van de grondwaarde van het project te storten in het Ecologiefonds. Dit is volgens de plantoelichting ook niet nodig in het kader van de compensatieopgave. Ter zitting heeft de raad in dit kader naar voren gebracht dat hetgeen in het Ecologieplan is opgenomen, te weten dat bij financiële compensatie eenderde van de grondwaarde van het project moet worden gecompenseerd, is gebaseerd op het uitgangspunt dat helemaal niet fysiek kan worden gecompenseerd. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat ook fysiek wordt gecompenseerd, aldus de raad.

6.5. Gelet op het voorgaande alsmede gelet op de aard en omvang van de gevolgen van het plan voor de Ecologische Hoofdstructuur Delft ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur Delft onvoldoende zal worden gecompenseerd.

7. [appellant] betoogt dat de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen. Volgens hem is bij de vaststelling van het plan uitgegaan van een te lage parkeernorm, omdat niet is verzekerd dat de voorziene woningen alleen door studenten gebruikt zullen worden. Volgens hem zijn de woningen ook goed te verbouwen tot starterswoningen en dan geldt een hogere parkeernorm, aldus [appellant].

7.1. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, met in achtneming van het volgende; ter plaatse van de aanduiding 'studentenhuisvesting' zijn uitsluitend studentenwoningen toegestaan, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale woningbouw' zijn uitsluitend sociale koopwoningen, sociale huurwoningen en/of studentenwoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 5.3, lid 5.3.3, dienen tenminste 128 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden en zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' parkeervoorzieningen op het maaiveld toegestaan.

7.2. In de planregels in samenhang gelezen met de verbeelding is vastgelegd op welke locaties in het plangebied studentenwoningen zijn voorzien. Gelet hierop ziet de Afdeling op grond van dit plan geen grond voor de vrees van [appellant] dat de studentenwoningen worden verbouwd tot starterswoningen. Voor zover [appellant] vreest dat de studentenwoningen zullen worden gebruikt als starterswoning, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie is van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

7.3. Over de gehanteerde parkeernormen is in de plantoelichting vermeld dat is aangesloten bij de gemeentelijke nota Parkeren en Stallen. Daarin is vermeld dat voor nieuwbouw van studentenhuisvesting wordt uitgegaan van 0,3 parkeerplaats per student. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte een parkeernorm van 0,3 parkeerplaats per student heeft gehanteerd voor de nieuwbouw van studentenhuisvesting.

Voorts overweegt de Afdeling dat het plan voorziet in de mogelijkheid om parkeerplaatsen aan te leggen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plangebied onvoldoende ruimte biedt voor het benodigde aantal parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor parkeeroverlast buiten het plangebied niet behoeft te worden gevreesd.

8. Voor zover [appellant] verzoekt voor het overige zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, wordt overwogen dat in de Nota Zienswijzen en het Reactiedocument MER is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

590.