Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201107944/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ganzeakker, Hapert" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107944/1/R3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], waarvan de vennoten zijn [vennoten] (hierna in enkelvoud: [appellante sub 1]), gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats], gemeente Bladel,

2. [appellanten sub 2], (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats], gemeente Bladel,

3. [appellanten sub 3], (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te [woonplaats], gemeente Bladel,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ganzeakker, Hapert" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

A. [belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2012, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.A.M. van Exsel, advocaat te Boxtel, en de raad, vertegenwoordigd door C.E.J.M. van Hintum, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. M. Peeters, advocaat te Helmond, gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de bouw van elf woningen op het perceel [locatie a] ten zuiden van de kern Hapert (hierna: het perceel). Op dit perceel is thans een intensieve veehouderij gevestigd, die zal worden verplaatst.

Intrekking beroepsgrond

2. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet voldoende is gemotiveerd, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, gelet op de afstand tussen zijn woning op het perceel aan de [locatie b] en de woningen in het plangebied en omdat het plan zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat op zijn perceel.

3.1. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het plangebied bedraagt ongeveer 80 m. Gelet op deze afstand, de ligging van het perceel van [appellant sub 2] en de nieuwe woningen in hetzelfde bebouwingslint en de verkeersaantrekkende werking van de woningen is de ruimtelijke uitstraling van het plan zodanig dat het belang van [appellant sub 2] rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

Het beroep van [appellant sub 2] is derhalve ontvankelijk.

Inhoudelijk

4. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad niet voldoende heeft gemotiveerd dat het plan past binnen de kaders van de Nota Ruimte. Volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is niet gebleken dat met de bouw van de woningen langdurige leegstand en verpaupering wordt voorkomen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het rijksbeleid, zoals neergelegd in de Nota Ruimte.

4.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan beleid van het Rijk dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten, zoals de Nota Ruimte. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

De raad stelt dat het voorkomen van verpaupering en leegstand slechts één aspect is van de ruimtelijke doelstellingen van het Rijk, zoals die zijn neergelegd in de Nota Ruimte. Volgens de raad levert het saneren van een bestaande intensieve veehouderij milieu- en kwaliteitswinst op en draagt het daarmee bij aan deze ruimtelijke doelstellingen.

In hetgeen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat de raad de Nota Ruimte onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan niet onder de werking van het overgangsrecht in artikel 14.4, derde lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening) valt. Daartoe voeren zij aan dat het plan niet in een bebouwingsconcentratie ligt en dat het plan een aanzet geeft tot een stedelijke ontwikkeling. Zij wijzen er op dat de toevoeging van elf woningen tot een grote toename van de woonbebouwing in de omgeving zal leiden en dat het perceel aan het gebied grenst dat ingevolge de Verordening is aangeduid als "zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling".

Voorts betogen zij dat het plan in strijd is met het provinciale beleid, zoals dit is neergelegd in de "Structuurvisie ruimtelijke ordening" (hierna: structuurvisie Ruimte) en de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling (hierna: beleidsnota BiO). [appellante sub 1] stelt dat het perceel aan de [locatie a] in agrarisch gebied ligt en dat de bestaande intensieve veehouderij op dit perceel in dit gebied past. Voorts betoogt [appellante sub 1] dat het perceel niet aangemerkt kan worden als een voormalige agrarische bedrijfslocatie, zoals bedoeld in de beleidsnota BiO. [appellant sub 2] betoogt dat het toevoegen van woningen op grond van de beleidsnota BiO alleen mogelijk is als dit verband houdt met een zogeheten Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkeling. Daarvan is hier geen sprake, aldus [appellant sub 2].

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met de Verordening. Volgens de raad ligt het plangebied in een bebouwingsconcentratie en geeft het plan geen aanzet tot een stedelijke ontwikkeling. Verder stelt de raad dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid zoals dat is neergelegd in de structuurvisie Ruimte en de beleidsnota BiO.

5.2. Vast staat dat ten tijde van de vaststelling van het plan de Verordening van toepassing was.

Ingevolge artikel 1.1, onder 12, van de Verordening wordt onder een bebouwingsconcentratie verstaan: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

Ingevolge dat artikel, onder 11, wordt onder bebouwingscluster verstaan: vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge dat artikel, onder 73, wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: nieuw ruimtebeslag of uitbreiding van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

Ingevolge artikel 11.4, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of binnen een gebied integratie stad-land, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge artikel 11.4, tweede lid, aanhef en onder b, blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in hoofdstuk 3.

Ingevolge artikel 14.4, derde lid, kan, in afwijking van artikel 11.4, eerste lid, een bestemmingsplan dat voor 1 juli 2011 is vastgesteld en gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of binnen agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de bouw van één of meer woningen mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat, als bedoeld in artikel 11.4, tweede lid.

5.3. Nu de bebouwing op het perceel aan de [locatie a] en in de directe omgeving kan worden beschouwd als een vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat hier sprake is van een bebouwingscluster en daarmee van een bebouwingsconcentratie, als bedoeld in artikel 1.1, onder 12, van de Verordening.

Voorts heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen aanzet geeft voor een stedelijke ontwikkeling, nu het plan de bouw van elf woningen mogelijk maakt binnen de contouren van bestaande agrarische bebouwing in een landelijke omgeving en geen nieuw ruimtebeslag of uitbreiding van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies plaatsvindt.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan niet onder de werking van het overgangsrecht valt zoals dat is neergelegd in artikel 14.4, derde lid, van de Verordening.

Het betoog faalt op dit punt.

5.4. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Volgens de plantoelichting ligt het plangebied in gemengd landelijk gebied zoals dat is aangeduid in de structuurvisie Ruimte. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik van de gronden het uitgangspunt en zijn onder meer woonfuncties toegelaten, mits rekening wordt gehouden met de omgevingskwaliteiten. Nu de nieuwe woningen worden gebouwd op een plaats waar agrarische bebouwing wordt gesloopt en voor het plan een stedenbouwkundig plan is opgesteld waarbij rekening is gehouden met de omgevingskwaliteiten, past het plan in de structuurvisie Ruimte.

Wat betreft het betoog van [appellante sub 1] dat het perceel aan de [locatie a] niet aangemerkt kan worden als een voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt overwogen dat op grond van de beleidsnota BiO onder dit begrip wordt verstaan een agrarisch of niet-agrarisch bouwblok waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend, en waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan. De raad heeft het bouwblok op het perceel aangemerkt als een voormalige agrarische bedrijfslocatie zoals bedoeld in de beleidsnota BiO, nu het plan strekt tot beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Nu het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit als belangrijkste doelstelling geldt van de beleidsnota BiO en in dit verband mogelijkheden zijn voorzien tot hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties, acht de Afdeling deze uitleg niet onredelijk.

De voorwaarden op grond waarvan de toevoeging van burgerwoningen aan een bebouwingsconcentratie op grond van de beleidsnota BiO mogelijk is, zijn in de provinciale beleidsnota "Verbrede inzet van de aanpak Ruimte voor Ruimte" opgenomen. Niet is aannemelijk gemaakt dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid, zoals dat is neergelegd in de structuurvisie Ruimte en de beleidsnota BiO, onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

6. Voorts betogen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid. Volgens [appellante sub 1] is het plan in strijd met de "Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties" (hierna: Gebiedsvisie). Ook is volgens hem de "Visie Buitengebied in ontwikkeling, Dalem-Ganzestraat-De Pan" (hierna: Visie Buitengebied in ontwikkeling) ten onrechte niet opgenomen in een integrale visie, zoals vereist is op grond van de beleidsnota BiO. De gemeentelijke structuurvisie kan niet als een zodanige visie worden beschouwd. Verder verdraagt het plan zich niet met de gemeentelijke structuurvisie, aldus [appellante sub 1].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid.

6.2. Volgens de plantoelichting is de Gebiedsvisie vervangen door de Visie Buitengebied in ontwikkeling. Niet is aannemelijk gemaakt dat het plan zich niet verdraagt met laatstgenoemde visie.

In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeentelijke structuurvisie in dit geval niet aangemerkt kan worden als een integrale visie zoals bedoeld in de beleidsnota BiO, nu de structuurvisie het beleidskader vormt voor de gemeentelijke ruimtelijke planvorming.

Voorts leidt hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het plan in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie. Dat volgens de gemeentelijke structuurvisie uitbreiding van de kern Hapert aan de zuidzijde een kans biedt om voor een kwalitatief goede overgang te zorgen van bedrijfskern naar dorpskern betekent niet dat woningbouw op het perceel uitgesloten is.

Het betoog faalt ook in zoverre.

7. Voorts stellen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat er geen behoefte is aan de nieuwe woningen. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat niet duidelijk is of de woningen in het gemeentelijke woningbouwprogramma passen.

7.1. Het plan voorziet in de bouw van één woning op grond van de regeling Ruimte-voor-Ruimte en tien woningen op grond van de beleidsnota BiO. De raad stelt dat de woning in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte is vrijgesteld van het woningbouwcontingent. Volgens de raad was ten tijde van de vaststelling van het plan met de bouw van de tien woningen in het kader van de beleidsnota BiO in het woningbouwprogramma tot 2014 in kwantitatief opzicht rekening gehouden. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is en evenmin dat er binnen de planperiode van tien jaar geen behoefte zal zijn aan deze woningen, kan het betoog niet slagen.

8. Verder voert [appellante sub 1] aan dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geuronderzoek ten onrechte is uitgegaan van een ligging van het plangebied buiten de bebouwde kom. Gelet op het aantal nieuwe woningen en de bestaande woonbebouwing in de nabije omgeving, stelt [appellante sub 1] dat het plangebied na verwezenlijking van het plan als bebouwde kom moet worden beschouwd.

8.1. De raad stelt dat in het geuronderzoek van de geurnorm is uitgegaan die voor een ligging binnen de bebouwde kom geldt en dat aan deze norm wordt voldaan.

8.2. Volgens de plantoelichting, die op dit punt is gebaseerd op het rapport "Onderzoek geurhinder veehouderijbedrijven Ganzeakker" van het onderzoeksbureau SAB van 11 januari 2011, wordt bij de geurgevoelige objecten aan de geurnorm van 3,0 odour units per kubieke meter lucht voldaan. Deze norm is gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, van toepassing bij een ligging binnen een concentratiegebied binnen de bebouwde kom. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

9. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat het plan zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden. Hij stelt dat de nieuwe woningen tot extra verkeer zullen leiden en dat dit gepaard zal gaan met geluidsoverlast en verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook stelt hij dat het bestaande vrije uitzicht zal worden aangetast.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat.

9.2. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verkeer niet zodanig zal toenemen dat dit tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat zal leiden, nu het plan de bouw van slechts elf woningen mogelijk maakt.

Wat betreft het uitzicht van [appellant sub 2] staat vast dat zijn woning op een afstand van ongeveer 80 m vanaf het plangebied ligt en dat tussen de woning en het plangebied bebouwing staat die het vrije uitzicht ontneemt. Gelet hierop en nu ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.1, sub c, van de planregels de maximale bouwhoogte van de woningen 8 m bedraagt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen ernstige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 2] zal plaatsvinden.

Het betoog faalt.

10. Voorts stelt [appellant sub 3] dat de raad bij de vaststelling van het plan vooringenomen was. Hij stelt dat de uitkomst van de voorliggende bestemmingsplanprocedure van te voren vast stond, nu naar aanleiding van de procedure over het bestemmingsplan "Kempisch Bedrijvenpark" een overeenkomst op hoofdlijnen tussen de gemeente Bladel en [belanghebbende] is gesloten die ziet op de bouw van de nieuwe woningen. Ook de omstandigheid dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het plan verpaupering van het bedrijf van [belanghebbende] wordt voorkomen wijst erop dat de raad vooringenomen was, aldus [appellant sub 3].

Verder voert [appellant sub 3] aan dat het plan de bouw van woningen mogelijk maakt binnen de geurcirkel van zijn bedrijf op het perceel aan de [locatie c] en dat dit in de weg staat aan uitbreiding van zijn bedrijf. Hij vreest dat zijn bedrijfsvoering in gevaar komt. Daarbij wijst hij ook op de omstandigheid dat zijn perceel geïsoleerd zal komen te liggen vanwege oprukkende verstedelijking in de richting van zijn perceel.

Voor zover de bouw van de woningen toch doorgang zal vinden, voert [appellant sub 3] aan dat op zijn perceel ook woningbouw mogelijk moet worden gemaakt. Volgens hem past woningbouw op zijn perceel in het gemeentelijke beleid. Hij betoogt in dit verband dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel tot stand is gekomen, nu op het perceel van [belanghebbende] wel woningbouw mogelijk wordt gemaakt.

10.1. De raad stelt dat ruimtelijke motieven ten grondslag liggen aan het plan. De raad wijst erop dat de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie a] niet te vergelijken zijn met de bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellant sub 3]. Verder staat de bouw van de nieuwe woningen niet in de weg aan de bedrijfsvoering van [appellant sub 3], aldus de raad.

10.2. De enkele omstandigheid dat tussen de gemeente Bladel en [belanghebbende] een overeenkomst op hoofdlijnen is gesloten die ziet op de bouw van de nieuwe woningen, is ontoereikend voor het oordeel dat de raad vooringenomen was. Dat de raad zich volgens [appellant sub 3] ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het plan verpaupering van het bedrijf van [belanghebbende] wordt voorkomen, wat hiervan ook zij, leidt evenmin tot deze conclusie. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad in strijd met het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht met vooringenomenheid dan wel anderszins onrechtmatig het bestreden besluit heeft genomen.

Het betoog faalt.

10.3. Vast staat dat de woningen op een afstand van meer dan 50 m vanaf de veehouderij op het perceel aan de [locatie c] zijn voorzien. Niet in geschil is dat deze woningen niet in de weg staan aan de bestaande bedrijfsactiviteiten.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan in de weg staat aan bedrijfsuitbreiding, nu bedrijfsuitbreiding reeds was uitgesloten. Nog daargelaten dat [appellant sub 3] geen concrete plannen voor bedrijfsuitbreiding heeft gesteld, wordt daartoe overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010 in zaak nr. 200901350/1/R3 blijkt dat binnen de vaste afstand van 50 m een klein deel van het perceel [locatie d] lag waarbinnen verblijfsrecreatie-appartementen konden worden gebouwd en in zoverre de bouw van geurgevoelige objecten binnen deze afstand mogelijk was, waarbij kwam dat de Afdeling aannemelijk achtte dat binnen de contour reeds geurgevoelige objecten aanwezig waren die dichter bij de veehouderij van [appellant sub 3] lagen.

Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 3] dat zijn bedrijfsvoering door het plan in ernstige mate zal worden gehinderd.

10.4. Wat betreft het bezwaar van [appellant sub 3] dat op zijn perceel woningbouw mogelijk moet worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat de raad gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

De raad heeft in redelijkheid alleen voor het perceel [locatie a] in woningbouw kunnen voorzien. Daarbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat de verplaatsing van een grootschalige intensieve veehouderij op dit perceel wordt beoogd en dat het mogelijk maken van de bouw van tien vervangende woningen in het kader van de beleidsnota BiO ingevolge artikel 14.4, derde lid, van de Verordening op het moment waarop het plan werd vastgesteld nog mogelijk was. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een zodanige samenhang tussen zijn gronden en het perceel aan de [locatie a] bestaat dat zijn gronden in het plan hadden moeten worden betrokken.

De Afdeling overweegt voorts dat, nu de gronden van [appellant sub 3] niet in het plangebied liggen, het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom faalt.

11. In hetgeen [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

12. Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

288-629.