Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201201790/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van kantoren en appartementen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerweg 1975" rust op het perceel de bestemming "recreatieve doeleinden". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef onder a en c, in verbinding gelezen met de artt. 2.10 en 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.

Bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college in de bij het besluit behorende ruimtelijke onderbouwing aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW), zoals die zijn neergelegd in de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van april 2004 (hierna: ASVV 2004). In de Quickscan is bij de berekening van de parkeerbehoefte gebruik gemaakt van de publicatie "Parkeerkencijfers - Basis voor parkeernormering" van het CROW van 2008 (hierna: publicatie 182). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201005029/1/H1, LJN: BO5744), is het college voor de vaststelling van de parkeerbehoefte niet verplicht om de parkeerkencijfers van het CROW over te nemen. Het heeft de vrijheid om in afwijking van deze cijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeerkencijfers vast te stellen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college gehouden was de parkeerkencijfers uit publicatie 182 te hanteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201790/1/A1.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van Eigenaars Westerpark 72 t/m 118 (hierna: VvE Podium), gevestigd te Schagen,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 5 januari 2012 in zaken nrs. 11/2892 en 11/2893 in het geding tussen:

VvE Podium

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college aan De Waterval B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van kantoren en appartementen op de locatie Westerpark te Schagen, kadastraal bekend gemeente Schagen, sectie G, nummer 2555 (hierna: het perceel), en voor het gedeeltelijk gebruik van de gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan "Westerweg 1975".

Bij uitspraak van 5 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter het door VvE Podium daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 september 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op de aanvraag van De Waterval neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft VvE Podium hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het college opnieuw aan De Waterval een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van kantoren en appartementen op het perceel en voor het gedeeltelijk gebruik van de gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan "Westerweg 1975".

Bij brief van 27 juli 2012 heeft VvE Podium daartegen beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2012, waar VvE Podium, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door G. Westerink, burgemeester van de gemeente, bijgestaan door mr. R. Muurlink, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Waterval, vertegenwoordigd door [directeur] bij De Waterval, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een gebouw in de vorm van een driehoek en bestaat uit zes bouwlagen. De hoogte van het gebouw is 21 m. Het bouwplan voorziet in de realisering van kantoorunits op de begane grond en de eerste verdieping, in totaal negentien appartementen voor starters op de tweede, derde en vierde verdieping en kantoorunits op de vierde en vijfde verdieping die in de toekomst ook als appartementen kunnen worden gebruikt.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerweg 1975" rust op het perceel de bestemming "recreatieve doeleinden".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "recreatieve doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor ijsbaan en sport- of speelterreinen met de bijbehorende bouwwerken.

Ingevolge het tweede lid wordt ten aanzien van bebouwing van deze gronden bepaald dat:

a. niet meer dan 1% van de terreinoppervlakte mag worden bebouwd;

b. de goothoogte van enig gebouw niet meer dan 3,5 m mag bedragen.

3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a en c, in verbinding gelezen met de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

4. VvE Podium beoogt met het hoger beroep een verdergaande vernietiging van het besluit van 20 september 2011. Zij betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat niet in de parkeerbehoefte ten behoeve van het te realiseren bouwplan wordt voorzien. De voorzieningenrechter heeft volgens VvE Podium ten onrechte vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het bouwplan 40,51 parkeerplaatsen (hierna: 41 parkeerplaatsen) nodig zijn. Dat aantal is volgens VvE Podium hoger omdat niet alle parkeerplaatsen 24 uur per dag voor iedereen toegankelijk zijn. In dat verband wijst zij op de in haar opdracht door 3dE Visual opgestelde Verkeerskundige Quickscan (hierna: de Quickscan) van 16 december 2011. Voorts bestrijdt zij dat alle parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

4.1. Bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college in de bij het besluit behorende ruimtelijke onderbouwing van 15 november 2010 aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW), zoals die zijn neergelegd in de Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van april 2004 (hierna: ASVV 2004). Het college heeft berekend dat maximaal 41 parkeerplaatsen nodig zijn om in de parkeerbehoefte van het bouwplan te voorzien, waarbij het heeft gekozen voor de in ASVV 2004 neergelegde maximumnorm voor woningen en kantoren zonder baliefunctie in matig stedelijk gebied. Het college heeft gesteld dat 45 parkeerplaatsen voor het bouwplan beschikbaar zullen zijn. Twintig parkeerplaatsen zijn voorzien op het perceel, waarvan vier inpandig op de begane grond. Ten westen van het gebouw zijn volgens het college reeds dertien parkeerplaatsen in het verleden ten behoeve van dit bouwplan gerealiseerd en voorts worden twaalf parkeerplaatsen gerealiseerd in het openbaar gebied.

4.2. In de Quickscan is bij de berekening van de parkeerbehoefte gebruik gemaakt van de publicatie "Parkeerkencijfers - Basis voor parkeernormering" van het CROW van 2008 (hierna: publicatie 182). Volgens VvE Podium kan met 33,17 parkeerplaatsen worden volstaan indien de parkeerplaatsen 24 uur per dag goed en flexibel beschikbaar zijn, waarbij zij bij de berekening heeft gekozen voor de in publicatie 182 neergelegde gemiddelde norm voor woningen en kantoren zonder baliefunctie in matig stedelijk gebied. Indien de beschikbaarheid niet is gewaarborgd, zijn volgens haar berekening 47,90 parkeerplaatsen nodig.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201005029/1/H1), is het college voor de vaststelling van de parkeerbehoefte niet verplicht om de parkeerkencijfers van het CROW over te nemen. Het heeft de vrijheid om in afwijking van deze cijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeerkencijfers vast te stellen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college gehouden was de parkeerkencijfers uit publicatie 182 te hanteren. Het door VvE Podium aangevoerde levert evenmin grond op voor twijfel aan de juistheid van de berekeningen van het college, zodat de voorzieningenrechter terecht is uitgegaan van de door het college aangehouden parkeerbehoefte van 41 parkeerplaatsen.

Nu publicatie 182 niet aan het besluit van 20 september 2011 ten grondslag is gelegd, is in zoverre niet van belang of alle parkeerplaatsen 24 uur per dag flexibel beschikbaar zijn omdat het college van de maximale norm van de ASVV 2004 is uitgegaan. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat een deel van de twintig parkeerplaatsen die op eigen terrein zijn voorzien, niet gerealiseerd kan worden. Daar waar VvE Podium ter motivering van dat standpunt op de Quickscan wijst, kan dat onderzoek die conclusie niet dragen. Ter zitting van de Afdeling heeft het college genoegzaam uiteengezet dat en waar de parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Voor de stelling van VvE Podium dat twaalf parkeerplaatsen in het openbaar gebied niet kunnen worden gerealiseerd in verband met een te realiseren nieuw bouwplan en dat ter uitvoering van het bouwplan zes bestaande parkeerplaatsen verdwijnen, zijn evenmin aanknopingspunten aanwezig. Het college heeft in dat verband ter zitting toegelicht dat de twaalf parkeerplaatsen ten zuiden van het naastgelegen kantoorgebouw zijn voorzien en dat bestaande parkeerplaatsen, waar nodig, kunnen worden verplaatst.

VvE Podium voert voorts tevergeefs aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat dertien parkeerplaatsen onder het naastgelegen kantoorgebouw beschikbaar zijn voor het te realiseren bouwplan. De voorzieningenrechter heeft zich daarbij kunnen baseren op hetgeen daarover in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen en hetgeen bij haar ter zitting naar voren is gebracht. Voorts heeft het college brieven van 30 november 2006 en 22 en 23 december 2011 overgelegd waarin de eigenaar van het naastgelegen kantoorgebouw, Bouwcompagnie, bevestigt dat ten minste dertien parkeerplaatsen in het naastgelegen kantoorgebouw voor het onderhavige bouwplan beschikbaar zijn en verder heeft De Waterval ter zitting toegelicht dat deze parkeerplaatsen in de parkeergarage apart worden aangeduid.

Gelet op het voorgaande, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan wordt voorzien.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond.

6. Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het college opnieuw aan De Waterval een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van kantoren en appartementen op het perceel en voor het gedeeltelijk gebruik van de gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan "Westerweg 1975".

Het besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Voor VvE Podium is van rechtswege een beroep tegen dit besluit ontstaan, nu daarbij niet aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.

7. VvE Podium betoogt dat het bouwplan met betrekking tot de bouwhoogte niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voert zij aan dat het college zijn keuze voor hoogbouw op het perceel ten onrechte niet heeft gemotiveerd. Voorts stelt zij dat hoogbouw op het perceel niet passend is.

7.1. In de notitie "Hoger bouwen in de gemeente Schagen" (hierna: de Notitie) van 25 augustus 2009 is beleid geformuleerd over de toe te passen bouwhoogtes in de gemeente Schagen. Hoogbouw kan volgens de Notitie geen op zichzelf staand fenomeen zijn, maar moet voortvloeien uit omgevingskenmerken en een bijdrage kunnen leveren aan oriëntatie in de stad, inhoud geven aan een bepaalde functie op een bepaalde plek en gekoppeld zijn aan infrastructuur en voorzieningen. Uitgangspunt van de Notitie is dat hoger bouwen dan vier bouwlagen in beginsel kan, maar dat per locatie zal worden bekeken of hoger bouwen mogelijk is en dat criteria worden vastgesteld, waarbij een hoogte-effectrapportage een hulpmiddel is. Een dergelijke rapportage moet ten minste een onderzoek naar de visuele invloed op de omgeving en een onderzoek naar de schaduw- en privacyhinder voor de nabijgelegen woningen omvatten. Voorts dient elk bouwplan aan de commissie Grondgebiedzaken te worden voorgelegd en neemt de raad van de gemeente Schagen een besluit of het bereid is mee te werken. De criteria waaronder kan worden besloten mee te werken aan hoogbouw zijn:

1. hoogbouw mag vanaf het buitengebied nooit concurreren met de bestaande twee kerktorens in Schagen, hiervoor zal een hoogte-effectrapportage moeten worden overgelegd;

2. hoogbouw moet qua schaal en maat passend zijn in de omgeving;

3. hoogbouw moet qua materiaal en vorm een zekere neutraliteit uitstralen zonder te vervallen in anonimiteit.

7.2. De commissie Grondgebiedzaken is op 4 januari 2008, 14 september 2009 en 13 februari 2012 over het bouwplan gehoord en de raad heeft op 26 juni 2012 met het bouwplan ingestemd. In het kader van de Notitie is voor het bouwplan de "Hoogte-effectrapportage Westerpark Waterval, onderzoek naar de visuele invloed op de omgeving" van 20 januari 2012 opgesteld. In deze hoogte-effectrapportage is uiteengezet dat het bouwplan qua materiaal en vorm bij de omgeving aansluit omdat het een koppelstuk is van de omringende gebouwen, qua hoogte en volumewerking een verbijzondering is ten opzichte van de omgeving en omdat het niet in anonimiteit vervalt. Voorts wordt in die rapportage uiteengezet dat het bouwplan past in de stedelijke omgeving, dat het compact en slank is vormgegeven, dat het gebouw een oriëntatiepunt voor de omgeving wordt en dat het als koppelstuk werkt voor de ontsluitingsweg en de omringende woonbuurten. In de rapportage wordt geconcludeerd dat het bouwplan markant en herkenbaar is, dat de kerktorens van Schagen duidelijk boven het te realiseren bouwplan uit zullen steken en dat zij beeldbepalend zullen blijven. Verder wordt daarin geconcludeerd dat het gebouw binnen het geheel eerder een oriëntatiepunt wordt op de kleinere schaal van de wijk en langs de Westerweg in plaats van een beeldbepalende blikvanger voor Schagen als geheel.

Voorts is in het kader van de Notitie het rapport "Privacy Westerpark, memo over mogelijke privacyinbreuk" van 23 januari 2012 opgesteld. In dat rapport wordt geconcludeerd dat geen (evidente) privacyinbreuk zal ontstaan voor de bewoners van Westerpark 90, 92, 94, 114, 116 en 118. Voor de mogelijke schaduwhinder zijn bezonningsdiagrammen opgesteld, die het standpunt van het college onderbouwen dat het bouwplan toelaatbaar is ten aanzien van de schaduwhinder.

7.3. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat het bouwplan met betrekking tot de bouwhoogte niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het te realiseren bouwplan, gelet op de effecten daarvan op de omgeving, inpasbaar en toelaatbaar is op het perceel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college de visuele invloed van het gebouw op de in de Notitie voorgeschreven drie schaalniveaus genoegzaam uiteengezet heeft en dat de onderzoeken naar de privacy- en schaduwhinder voldoende inzichtelijk zijn.

Het betoog faalt.

8. VvE Podium betoogt voorts dat niet in de parkeerbehoefte van het bouwplan wordt voorzien. Daartoe voert zij aan dat voor het bouwplan meer parkeerplaatsen nodig zijn en voorts stelt zij dat niet alle parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. In dat verband wijst zij op de Quickscan van 16 december 2011 en de aanvullende memo van 3dE Visual van 27 juli 2012.

8.1. Ingevolge artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening gemeente Schagen (hierna: de Bouwverordening) moet, indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente dan wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde en het vijfde lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

8.2. In het bij het besluit van 10 juli 2012 behorende besluit van 31 januari 2012 heeft het college besloten om met toepassing van artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening af te wijken van artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening omdat een aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op (toekomstig) openbaar gebied en onder het naastgelegen gebouw.

8.3. De voorzieningenrechter heeft over het besluit van 20 september 2011 overwogen dat het college de parkeerbehoefte op zichzelf goed heeft berekend, maar dat het college niet heeft onderkend dat het een besluit tot afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening diende te nemen. Zoals onder 4.3 is overwogen over het besluit van 20 september 2011, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan wordt voorzien. Nu het besluit van 10 juli 2012 met betrekking tot de parkeerbehoefte - afgezien van het besluit van het college tot afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening - niet afwijkt van het besluit van 20 september 2011, wordt over de parkeerbehoefte verwezen naar hetgeen onder 4.3 is overwogen.

Het betoog faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van 10 juli 2012 van de vereniging Vereniging van Eigenaars Westerpark 72 t/m 118 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

414-672.