Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201201694/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 29 november 2010, heeft het college geweigerd een projectbesluit te nemen en aan [appellant] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een loods op het perceel

[locatie] te Pijnacker.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/896
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201694/1/A1.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2012 in zaak nr. 11/5145 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 29 november 2010, heeft het college geweigerd een projectbesluit te nemen en aan [appellant] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een loods op het perceel

[locatie] te Pijnacker.

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.C. van Eeden en mr. J.J. Siereveld, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lint Oude Leede" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden bouwperceel (Ab)".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijvigheid,

b. en c. (…),

d. paardenhouderij, binnen het bouwperceel met op de plankaart de aanduiding "paardenhouderij", en

e. (…).

Ingevolge het tweede lid, mogen op en in de gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. de bij één grondgebonden agrarisch bedrijf behorende bestaande gebouwen in de bestaande omvang, daaronder zijn begrepen ten hoogste één woning, zijnde de dienstwoning, en daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en

b. andere bouwwerken.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2, ten behoeve van het bouwen van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat uitsluitend bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd, die nodig zijn voor een doelmatige, duurzame en volwaardige bedrijfsvoering van het bedrijf, ter zake waarvan vooraf advies wordt ingewonnen van een agrarisch deskundige.

Ingevolge artikel 1, onder 25, is een grondgebonden agrarisch bedrijf een veehouderij-, akkerbouw-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel, met uitzondering van paardenhouderij en manege.

Ingevolge dat artikel, onder 32, voor zover hier van belang, is een paardenhouderij het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony's.

2. Het bouwplan voorziet in het bouwen van een loods van 300 m² op het perceel ten behoeve van de opslag van hooi en stro met daarachter een mestplaat. Op het perceel bevindt zich reeds onder meer een bedrijfsgebouw van 620 m² dat wordt gebruik als paardenstal. Volgens het ten behoeve van het bouwplan opgestelde bedrijfsplan van 1 december 2009 is de hoofddoelstelling van het bedrijf het fokken van rijpaarden, het opfokken van nakomelingen en het geven van een basistraining aan de eigen gefokte paarden. Daartoe zal een veestapel van 59 stuks worden opgebouwd. In het bedrijfsplan wordt uitgegaan van 15 fokmerries, die bij een drachtigheidspercentage van 75% jaarlijks elf veulens geven. Een deel daarvan zal worden opgefokt tot een leeftijd van drie jaar, een ander deel zal direct worden verkocht.

Het bouwperceel waarop het bouwplan is voorzien is op de plankaart niet nader aangeduid als "paardenhouderij".

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd met de op het perceel rustende bestemming heeft geacht. Daartoe voert hij aan dat de adviezen van de DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: de milieudienst), die het college aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag heeft gelegd, niet op de juiste manier tot stand zijn gekomen. Ten onrechte heeft de milieudienst het onderzoek uitgevoerd voordat hij alle daartoe benodigde gegevens had overgelegd, aldus [appellant]. Voorts stelt [appellant] dat hij de met het bouwplan voorziene loods nodig heeft voor het opzetten van de paardenfokkerij en dat de milieudienst bij zijn beoordeling ten onrechte de nadruk heeft gelegd op de omstandigheid dat ten tijde van de door hen verrichtte bezichtiging op 14 april 2010 het bedrijf nog niet volledig ontwikkeld was.

3.1. Volgens het advies van de milieudienst van 2 juni 2010 zijn er tijdens de bezichtiging van het bedrijf op het perceel op 14 april 2010 negen paarden aangetroffen. Ten aanzien van geen van deze paarden heeft [appellant] door middel van inzage in zijn boekhouding aangetoond op welk moment zij door hem zijn aangekocht. Gelet hierop, in samenhang bezien met de omstandigheid dat op het perceel meerdere paardentrailers geparkeerd staan, voor elk van de negen paarden aparte lockers aanwezig zijn en de weigering van [appellant] om stamboekregistraties van de paarden over te leggen, concludeert de milieudienst dat het bedrijf op het perceel niet als paardenfokkerij maar als pensionstalling functioneert. Volgens het advies van de milieudienst van 13 september 2010 heeft [appellant] op 26 mei 2010 aanvullende informatie verstrekt. Nu [appellant] daarmee volgens de milieudienst evenmin inzage heeft gegeven in de stamboekregistratie en eigendom van eventuele fokmerries, heeft deze geen aanleiding gezien het eerdere negatieve advies te wijzigen. De rechtbank heeft in het door [appellant] gestelde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de adviezen van de milieudienst naar inhoud of wijze van totstandkoming daarvan zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij is van belang dat de milieudienst naar aanleiding van de door [appellant] na het eerste advies overgelegde informatie, een aanvullend advies heeft uitgebracht, waarbij deze informatie is betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich aan de hand van de adviezen van de DCMR terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf ten behoeve waarvan het bouwplan wordt opgericht niet is aan te merken als een grondgebonden agrarisch bedrijf, te weten een paardenfokkerij.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201110042/1/A1), kan ook indien er nog niet daadwerkelijk een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, maar er een aanzet is tot het exploiteren van een agrarisch bedrijf, bouwvergunning worden verleend, wanneer in voldoende mate aannemelijk is dat een agrarisch bedrijf tot stand zal komen.

[appellant] heeft, terwijl dit op zijn weg lag, niet aannemelijk gemaakt dat een agrarisch bedrijf ten behoeve van het fokken van paarden tot stand zal komen. [appellant] heeft in hoger beroep een bedrijfsplan van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V. van 31 mei 2012 (hierna: het bedrijfsplan) en registratiebewijzen van een aantal paarden overgelegd. Gesteld nog gebleken is dat [appellant] met deze paarden, die bovendien niet op zijn naam staan, heeft gefokt, dan wel voornemens is te fokken. Gelet hierop, alsmede gezien de conclusies van de DCMR in voormelde adviezen, is van een aanzet tot het exploiteren van een agrarisch bedrijf ten behoeve van het fokken van paarden niet, althans onvoldoende, gebleken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat het college ten behoeve van de op het perceel [locatie A] rustende bestemming, vrijstelling heeft verleend voor het gebruik als paardenpension als nevenactiviteit.

4.1. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat ten tijde van de ten behoeve van het perceel [locatie A] verleende vrijstelling een andere bestemming op dat perceel rustte dan op het perceel van [appellant]. Reeds daarom faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, slechts daartoe kan worden overgegaan bij gegrondverklaring van het hoger beroep.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillissen w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

414-713.