Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201107599/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Recreatie-hippisch bungalowpark Kloosterweg 8 te Appelscha" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2012-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107599/1/R4.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Deventer,

appellante,

en

de raad van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Recreatie-hippisch bungalowpark Kloosterweg 8 te Appelscha" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en [belanghebbende], hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door T. Wuite, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij] en [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het hippisch bungalowpark aan de Kloosterweg 8 te Appelscha.

Ontvankelijkheid

[appellante] kan zich niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 2, van de planregels opgenomen bouwhoogte van 2 m voor een loopmolen. Volgens haar is de ter plaatse reeds aanwezige loopmolen 3,5 m hoog en dient voornoemde planregel te worden vernietigd. [appellante] betoogt voorts dat de in het plan toegestane uitbreiding van de recreatiewoningen met 8 m² te beperkt is en dat 12 m² moet worden toegestaan.

Het beroep van [appellante], voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 2 van de planregels en de in artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 5, van de planregels toegestane oppervlakte van recreatiewoningen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Bestemming "Agrarisch met waarden - Hoge landschappelijke en natuurlijke waarden"

[appellante] kan zich niet verenigen met de in het plan aan haar perceel toegekende bestemming "Agrarisch met waarden - Hoge landschappelijke en natuurlijke waarden". Zij vreest te worden beperkt in de bedrijfsvoering van haar hippisch bungalowpark. Volgens [appellante] is ter plaatse geen sprake van agrarische of landschappelijke waarden en ontbreekt derhalve planologische noodzaak voor de toegekende bestemming. Zij betoogt dat de in het ontwerpplan gegeven bestemming "Recreatie-hippisch bungalowpark met bijbehorende centrale hippische voorzieningen" een juiste omschrijving is van het bestaande gebruik van het terrein en dat deze bestemming in het plan opgenomen dient te worden.

[appellante] kan zich voorts niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.6 van de planregels opgenomen omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden. Volgens haar beperkt voornoemde planregel de bedrijfsvoering en bestaan er geen zwaarwegende belangen voor een dergelijke beperking.

De raad stelt dat gekozen is voor een gebiedsbestemming die aansluit bij het omliggende gebied. De waarde is volgens de raad gelegen in de aanwezigheid van boscomplexen, perceelsrandbeplanting en het onregelmatige patroon van kleine bosjes en houtwallen voornamelijk aan de rand van het gebied. De bescherming van de waarden door middel van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden staat de andere functie van het hippisch bungalowpark niet in de weg, aldus de raad.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1 van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Hoge landschappelijke en natuurlijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke waarden;

b. een recreatie - hippisch bungalowpark met bijbehorende centrale hippische voorzieningen in de vorm van:

- een paardenstal, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenstal";

- een buitenbak;

- een loopmolen;

c. recreatiewoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning";

d. bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning";

e. sport- en speelvelden;

f. groenvoorzieningen;

g. verkeers- en verblijfsdoeleinden;

Binnen de bestemming is het ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" toegestaan de bedrijfswoning tevens in gebruik te nemen als recreatiewoning.

De doeleinden ten aanzien van het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud en/of herstel van de volgende essentiële ruimtelijke randvoorwaarden:

- vrij besloten karakter door de aanwezigheid van boscomplexen en perceelsrandbeplanting;

- kleinschalig besloten karakter door onregelmatig patroon van kleine bosjes en houtwallen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.6, onder a, voor zover hier van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren buiten de gronden ter plaatse van de aanduidingen "recreatiewoning", "bedrijfswoning" en "specifieke vorm van agrarisch - paardenstal":

1. het aanleggen van ontsluitingswegen, voet-, fiets- en ruiterpaarden en dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen, parkeervoorzieningen;

2. het ophogen, afgraven of egaliseren van gronden;

3. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter;

4. het aanbrengen van drainage ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - aandachtsgebied I sbz". Alvorens de omgevingsvergunning te verlenen, dient een archeologisch onderzoek te zijn verricht;

5. het aanbrengen van lijnvormige houtopstanden;

6. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;

7. het verharden van wegen en paden;

8. het vellen en/of rooien van houtopstanden;

9. het graven, verbreden of dempen van watergangen.

Ingevolge lid 3.6, onder b, is het onder a vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud betreffen en op werken en werkzaamheden ten behoeve van natuurbeheer.

Ingevolge lid 3.6, onder d, mag de onder a bedoelde omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 3.1 omschreven waarden.

Ingevolge lid 3.6, onder e, dient, alvorens de onder a bedoelde omgevingsvergunning te verlenen, een Flora- en faunawettoets te zijn uitgevoerd.

Ingevolge lid 3.6, onder f, wordt de onder a bedoelde omgevingsvergunning niet verleend indien afbreuk wordt gedaan aan de uitgangspunten van het landschapsbeleidsplan Zuidoost Friesland 2004-2014, vastgesteld door de raad van Ooststellingwerf, op 25 mei 2004.

Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat, in samenhang met het bestemmingsplan "Buitengebied", door de raad een gebiedsbestemming op het perceel is gelegd in plaats van de in het ontwerpplan opgenomen bestemming "Recreatie -hippisch bungalowpark". Deze gebiedsbestemming is "Agrarisch met waarden - Hoge landschappelijke en natuurlijke waarden", waarbij door middel van nadere aanduidingen de recreatiewoningen, de paardenstal en de bedrijfswoning zijn aangegeven. Binnen deze gebiedsbestemming is een omgevingsvergunningstelsel voor diverse werken en werkzaamheden opgenomen om de landschappelijke en natuurlijke waarden van het park te waarborgen.

Volgens de raad strekt dit stelsel tot bescherming van boscomplexen en perceelsrandbeplanting en het onregelmatige patroon van kleine bosjes en houtwallen die zich voornamelijk aan de randen van het plangebied bevinden. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat het een standaard omgevingsvergunningstelsel betreft dat ook in het bestemmingsplan "Buitengebied" zo is neergelegd.

De bestemming "Agrarisch met waarden - Hoge landschappelijke en natuurlijke waarden" maakt, gelet op de doeleindenomschrijving, het bestaande gebruik als hippisch bungalowpark mogelijk. Gelet op het beschikbare beeldmateriaal heeft de raad in redelijkheid de ten tijde van het bestreden besluit aanwezige bosjes en houtwallen bescherming kunnen bieden door het opnemen van artikel 3, lid 3.6, aanhef en onder 8, van de planregels. Het betoog van [appellante] dat de houtwallen inmiddels niet meer aanwezig zijn en daarom voornoemde bescherming niet kan worden geboden, volgt de Afdeling niet, nu de desbetreffende houtwallen na het bestreden besluit zijn verwijderd, zodat de raad hiermee geen rekening kon houden.

Het betoog van de raad dat een standaard omgevingsvergunningplicht is opgenomen in de planregels, heeft naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer tot gevolg dat deze omgevingsvergunningplicht strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor dit specifieke perceel. De Afdeling is van oordeel dat niet valt in te zien dat ter bescherming van voornoemde landschappelijke en natuurlijke waarden voor een groot deel van het perceel een omgevingsvergunningplicht voor alle in artikel 3, lid 3.6, onder a, van de planregels genoemde werken en werkzaamheden nodig is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel reeds geruime tijd wordt gebruikt als hippisch bungalowpark. De landschappelijke en natuurlijke waarden worden reeds beschermd met een omgevingsvergunningplicht voor het vellen en/ of rooien van houtopstanden. Het betoog slaagt in zoverre.

Aantal paardenboxen en te stallen paarden

[appellante] betoogt dat het aantal te stallen paarden en het aantal paardenboxen te strikt worden gereguleerd door hiervoor een maximum op te nemen in het plan. Volgens haar ontbreekt het planologisch nut en de noodzaak om het aantal paardenboxen te beperken, nu de paardenboxen uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenstal" en het bouwen van de boxen binnen de bestaande paardenstal ter plaatse van deze aanduiding omgevingsvergunningvrij is. [appellante] betoogt voorts dat haar bedrijfsvoering onnodig wordt beperkt door het opnemen van een maximum aantal paarden dat mag worden gestald. Ook hiervoor ontbreekt volgens haar een zwaarwegend planologisch belang.

De raad stelt dat het plan recht doet aan het karakter van het hippische bungalowpark en de daar aanwezige hippische voorzieningen. Om het karakter van het hippisch bungalowpark veilig te stellen is volgens de raad het aantal paardenboxen gelimiteerd tot 20, het aantal dat ter plaatse reeds aanwezig is. De raad stelt dat hiermee is aangesloten bij het uitgangspunt van [appellante] van één paardenbox per recreatiewoning. De raad heeft willen voorkomen dat de op het perceel aanwezige bijgebouwen als stallingruimten worden gebruikt en derhalve op het gehele perceel paardenboxen in gebruik worden genomen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 2, van de planregels, wordt de paardenstal uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenstal", met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van de paardenstal ten hoogste 450 m² bedraagt, met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter.

Ingevolge sub 4, bedraagt het aantal paardenboxen ten behoeve van de paardenstal ten hoogste 20, waarvoor geldt dat per recreatiewoning en bedrijfswoning één paard mag worden gestald, met dien verstande dat indien de bedrijfswoning als recreatiewoning in gebruik wordt genomen, er maximaal twee paarden mogen worden gestald.

De raad komt in beginsel beleidsvrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bestaande situatie van 20 paardenboxen als zodanig is bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het hippische bungalowpark zich in de nabijheid van het natuurgebied Het Drents Friese Wold bevindt en dat hij ter voorkoming van het bedrijfsmatig stallen van paarden en de milieueffecten die dat met zich brengt het aantal te stallen paarden heeft gemaximeerd tot 20. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is het aantal paarden dat mag worden gestald van invloed op de ruimtelijke uitstraling van het hippisch bungalowpark op de omgeving.

Voor zover [appellante] betoogt dat planologische noodzaak voor het beperken van het aantal paardenboxen binnen de bestaande paardenstal ontbreekt, nu het bouwen van deze paardenboxen omgevingsvergunningvrij is, overweegt de Afdeling, in lijn met haar uitspraak van 2 mei 2012, zaak nr. 201105538/1/R3, als volgt. Voor zover de desbetreffende planregel beperkingen stelt aan de mogelijkheid om vergunningvrij bouwwerken op te richten die voldoen aan de eisen van artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, valt niet in te zien dat de raad deze planregel met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid in het plan heeft mogen opnemen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het aantal paardenboxen is afgestemd op het aantal paarden dat mag worden gestald.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestaande situatie als zodanig heeft kunnen bestemmen. Daarbij overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met limitering van het aantal paardenboxen en paarden dan aan het belang dat [appellante] heeft bij het niet opnemen van een maximum aantal paardenboxen en te stallen paarden.

Het betoog faalt.

Maatvoering

[appellante] betoogt dat de toegestane goot- en nokhoogte van de recreatiewoningen niet past in de architectuur van de huidige bebouwing in het hippisch bungalowpark en de geschakelde structuur van het ontwerp hiervan ernstig aangetast kan worden. Zij betoogt voorts dat het plan ten onrechte het oprichten van bijgebouwen toelaat van 12 m² met een nokhoogte van 5,50 m. Als gevolg hiervan kan volgens haar de bezonning van naastgelegen tuintjes in het bungalowpark ernstig worden beperkt en daarmee wordt de belevingswaarde en kwaliteit ernstig aangetast.

De raad stelt dat ten aanzien van de goot- en nokhoogte van de recreatiewoningen en het oprichten van een bijgebouw bij de recreatiewoning wat betreft maatvoering is aangesloten bij de regels zoals die zijn opgenomen in de het bestemmingsplan "Buitengebied".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 5, van de planregels, bedraagt de oppervlakte van een recreatiewoning ten hoogste 65 m², met een goot- en bouwhoogte van ten hoogste respectievelijk 3 m en 5,5 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt.

Ingevolge sub 6 mag per recreatiewoning een bijgebouw gebouwd worden, met een oppervlakte van ten hoogste 12 m².

Ingevolge sub 7 bedraagt de goot- en bouwhoogte van een bijgebouw per recreatiewoning respectievelijk 2,5 m en 5,5 m.

De raad komt in beginsel beleidsvrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het standpunt van de raad dat wat betreft de bouwhoogte van recreatiewoningen en bijgebouwen een eenduidig beleid wordt voorgestaan en daarom is aangesloten bij de mogelijkheden voor recreatiewoningen als voorzien in het bestemmingsplan "Buitengebied", komt de Afdeling niet onredelijk voor. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de nokhoogte van bijgebouwen ernstige schaduwwerking met zich brengt, nu de toegestane oppervlakte van bijgebouwen gering is ten opzichte van de toegestane oppervlakte van recreatiewoningen. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk is dat de bezonning zodanig extra wordt beperkt door de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen dat de raad aan het belang van [appellante] bij een lagere toegestane goot- en bouwhoogte doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Het betoog faalt.

Conclusie

Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 2 van de planregels en de in artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 5, van de planregels toegestane oppervlakte van recreatiewoningen.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen zij heeft overwogen onder 3.5 aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de omgevingsvergunningplicht zoals neergelegd in artikel 3, lid 3.6, onder a, van de planregels, behoudens de aanhef en onderdeel 8: het vellen en/of rooien van houtopstanden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 2 van de planregels en de in artikel 3, lid 3.2, onder a, sub 5, van de planregels toegestane oppervlakte van recreatiewoningen;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ooststellingwerf van 19 april 2011, voor zover artikel 3.6, onder a, van de planregels, behoudens de aanhef en onderdeel 8: het vellen en/of rooien van houtopstanden, is vastgesteld;

IV. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Ooststellingwerf tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,52 (zegge: tweeënveertig euro en tweeënvijftig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Ooststellingwerf aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Van Steenbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

528-690.