Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201102498/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een pluimveeslachterij aan de [locatie] te Epe.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/911
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102498/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Epe,

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een pluimveeslachterij aan de [locatie] te Epe.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door A. Oostwoud en ing. H. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en ing. V. Huizer, als partij gehoord.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Overgangsrecht Wabo

2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

3.1. Van [appellant] en anderen hebben [appellant A] en [appellant B] geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet hierop is het beroep, voor zover door hen ingesteld, niet-ontvankelijk.

Algemeen toetsingskader

4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

5. [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het systeem van de Wet milieubeheer, nu de geluidvoorschriften van de daarbij verleende veranderingsvergunning betrekking hebben op de gehele inrichting en niet alleen op de vergunde veranderingen van de inrichting. Zij voeren verder aan dat de inrichting meer geluidruimte krijgt dan nodig, doordat de geluidvoorschriften van de onderliggende revisievergunning van 3 maart 2009 blijven gelden naast de geluidvoorschriften van de veranderingsvergunning.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de geluidproductie van de veranderingen niet los kan worden gezien van de geluidproductie van de rest van de inrichting. Voorts volgt uit voorschrift 1.2.1 dat de geluidvoorschriften van de revisievergunning uit 2009 niet van kracht blijven, aldus het college.

5.2. In voorschrift 1.2.1 is bepaald dat de hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 van de voorschriften behorende bij de revisievergunning van 3 maart 2009 met kenmerk 08mv0058 van kracht blijven op het bestaande en reeds vergunde gedeelte van de inrichting en ook van toepassing zijn op de veranderingen verleend in onderhavige vergunning, tenzij in de voorschriften anders is bepaald.

5.3. In de revisievergunning van 3 maart 2009 waren in hoofdstuk 6 van de vergunningvoorschriften geluidvoorschriften opgenomen. In hoofdstuk 4 van de voorschriften van de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning zijn nieuwe geluidvoorschriften opgenomen die voor de gehele inrichting gelden. Gelet hierop en nu hoofdstuk 6 van de revisievergunning niet wordt genoemd in voorschrift 1.2.1, moet het bestreden besluit aldus worden begrepen dat het college de geluidvoorschriften van de revisievergunning met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer heeft vervangen door de geluidvoorschriften in hoofdstuk 4 van de veranderingsvergunning. Dit is niet in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer. Uit het voorgaande volgt verder dat, anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, hoofdstuk 6 van de revisievergunning thans niet meer van kracht is.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellant] en anderen betogen dat de veranderingsvergunning in strijd is met de rechtszekerheid. In dat verband voeren zij aan dat voor een aantal beoordelingspunten in de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.1.1 en 4.2.1 uiteenlopende grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voorschrift 4.1.1 is opgenomen om de inrichting inpasbaar te maken in het zonemodel voor een gezoneerd industrieterrein.

6.2. In voorschrift 4.1.1 en voorschrift 4.2.1 zijn voor de woningen aan de Neustrinkweg 1-7, Neustrinkweg 2, Kweekweg 5 oost en Zuukerweg 29, alsmede voor een 50 dB(A) zonebewakingspunt uiteenlopende grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld.

Ten tijde van het bestreden besluit was de inrichting niet gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Het is, zo begrijpt de Afdeling, de bedoeling van het college dat de in voorschrift 4.1.1 gestelde grenswaarden gelden vanaf het moment dat de inrichting deel gaat uitmaken van een geluidgezoneerd industrieterrein en dat tot dat moment de in voorschrift 4.2.1 gestelde grenswaarden gelden. Dit volgt echter niet uit de verleende vergunning. Dat boven voorschrift 4.1.1 het kopje 'Representatieve bedrijfssituatie toetsing aan zone Wet geluidhinder' is geplaatst en boven voorschrift 4.2.1 het kopje 'Representatieve bedrijfssituatie toetsing aan de Wet milieubeheer', is daarvoor onvoldoende. Hierdoor is op grond van het bestreden besluit onvoldoende duidelijk aan welke van deze voorschriften de inrichting op enig moment moet voldoen, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de rechtszekerheid.

De beroepsgrond slaagt.

7. [appellant] en anderen betogen dat de in de voorschrift 4.2.1 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gestelde grenswaarden onvoldoende bescherming bieden. Volgens hen dient de omgeving van de inrichting te worden aangemerkt als rustige woonwijk met weinig verkeer als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Het college heeft niet gemotiveerd waarom in voorschrift 4.2.1 voor een aantal woningen in de nachtperiode een hogere grenswaarde is gesteld dan de in de Handreiking voor een rustige woonwijk met weinig verkeer genoemde richtwaarde, aldus [appellant] en anderen.

7.1. Het college heeft bij de vaststelling van de in voorschrift 4.2.1 opgenomen geluidgrenswaarden de Handreiking als uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een rustige woonwijk met weinig verkeer zijn richtwaarden aanbevolen van 45, 40 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen opnieuw te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

7.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de overschrijdingen van de in de Handreiking voor een rustige woonwijk met weinig verkeer genoemde richtwaarden geen wijzigingen ten opzichte van de revisievergunning uit 2009 zijn, zodat er geen verslechtering in de nachtperiode is.

7.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2008 in zaak nr. 200705901/1), hebben bestaande rechten betrekking op eerder vergunde activiteiten en niet op de milieubelasting daarvan.

Nu de in voorschrift 4.2.1 voor de nachtperiode gestelde geluidgrenswaarden de richtwaarde bij de woning aan de Neustrinkweg 2 met 1 dB(A) en bij de woning aan de Kweekweg 5 met 4 dB(A) overschrijden, had op grond van de Handreiking het referentieniveau van het omgevingsgeluid moeten worden vastgesteld en had, indien uit die vaststelling was gebleken dat ook het referentieniveau werd overschreden, het in hoofdstuk 4 van de Handreiking bedoelde bestuurlijke afwegingsproces moeten plaatsvinden. Niet is gebleken dat het college onderzoek heeft verricht naar het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voorts blijkt uit het bestreden besluit niet dat een bestuurlijke afweging heeft plaatsgevonden. Het college heeft het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

8. [appellant] en anderen voeren aan dat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau in voorschrift 4.2.2 bij zoneringspunt 4 ten onrechte afwijken van de in hoofdstuk 3 van de Handreiking aanbevolen grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

8.1. Uit het op 1 juli 2010 uitgebrachte rapport 'Akoestisch onderzoek [vergunninghoudster], [locatie] te Epe' dat in opdracht van [vergunninghoudster] is opgesteld door Oranjewoud B.V. (hierna: het akoestisch rapport) volgt dat zoneringspunt 4 is gelegen op het parkeerterrein van de inrichting. Het college heeft dit beoordelingspunt uitsluitend in voorschrift 4.2.2 opgenomen als controlepunt ten behoeve van de handhaving. In zoverre heeft het college geen aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3 van de Handreiking en behoefde het dit ook niet te doen.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellant] en anderen voeren aan dat de geluidvoorschriften niet naleefbaar zijn. In dit verband voeren zij aan dat in het akoestisch rapport, dat door het college ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, diverse geluidbronnen onvoldoende zijn meegenomen. Zo is het geluid van de kippen niet meegenomen, is het uitgangspunt dat de rangeertijd per vrachtwagen beperkt is tot 30 seconden niet realistisch, is ten onrechte geen straffactor voor tonaal en impulsachtig geluid toegepast, is niet onderkend dat de overheaddeuren van de inrichting ook in gesloten toestand veel geluid doorlaten en is geen rekening gehouden met muziekgeluid en met het geluid van motoren van vrachtwagens die staan warm te draaien, aldus [appellant] en anderen.

9.1. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de aan- en afvoer van pluimvee bij de berekening van de geluidbelasting is betrokken. Daarbij is rekening gehouden met een bronsterkte van 104 dB(A). [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geluid dat afkomstig is van het pluimvee hoger is dan 104 dB(A). Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met het geluid van het pluimvee in het akoestisch rapport onvoldoende rekening is gehouden.

Het akoestisch rapport is mede gebaseerd op geluidmetingen die in 2008 bij de inrichting zijn verricht. Uit het akoestisch rapport blijkt dat destijds ter plaatse van de woningen van derden geen tonaal, impulsachtig of muziekgeluid afkomstig van de inrichting is geconstateerd. Wat mogelijk tonaal geluid vanwege de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens betreft, heeft [vergunninghoudster] ter zitting voorts verklaard dat dit zich niet voordoet, omdat de koelwagens geen achteruitrijdsignalering hebben en de overige vrachtwagens de inrichting kunnen aandoen zonder daarbij achteruit te hoeven rijden. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een straffactor voor tonaal of impulsachtig geluid had moeten worden toegepast. De enkele stelling dat zij dergelijk geluid bij hun woning hebben gehoord, is daarvoor onvoldoende.

Verder blijkt uit het akoestisch rapport dat rekening is gehouden met geluiduitstraling via de overheaddeuren van de inrichting zowel wanneer deze zich in open als in gesloten toestand bevinden. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit op onjuiste wijze is gebeurd. [appellant] en anderen hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat het warmdraaien van vrachtwagens met de huidige dieselmotoren niet nodig is, onjuist is. Voorts hebben [appellant] en anderen geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het uitgangspunt dat de rangeertijd per vrachtwagen beperkt is tot 30 seconden niet realistisch is.

Nu [appellant] en anderen ook voor het overige geen concrete aanknopingspunten naar voren hebben gebracht voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het akoestisch rapport, bestaat geen grond voor het oordeel dat de geluidvoorschriften niet naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter voorkoming van geluidhinder van zware vrachtwagens en luide muziek.

Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college, naast voorschriften met geluidgrenswaarden, middelvoorschriften ter voorkoming van geluidhinder van zware vrachtwagens en luide muziek aan de vergunning had moeten verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

11. [appellant] en anderen voeren aan, zo begrijpt de Afdeling hun betoog, dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de grenswaarden voor stikstofdioxide in voorschrift 2.1, eerste lid, van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer worden overschreden.

11.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bezien in samenhang met het tweede lid, voor zover hier van belang, maken bestuursorganen bij de uitoefening van de bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, welke uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken zij daarbij aannemelijk:

c. dat de uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

Ingevolge voorschrift 2.1, eerste lid, van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), voor zover hier van belang, draagt de uitoefening van een of meer bevoegdheden van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij, als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder 3% grens verstaan: 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide.

11.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een interne wijziging van ruimten, een verandering van de locatie van de laadperrons en een uitbreiding daarvan, een uitbreiding van de parkeerplaats met verharde parkeerplaatsen voor personenauto's en een verplaatsing van de inrit. Het college stelt zich op het standpunt dat de veranderingen marginale gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, omdat de capaciteit van de inrichting niet wordt uitgebreid. Gelet op de aard en omvang van de veranderingen waarop het bestreden besluit ziet, acht de Afdeling aannemelijk dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide als gevolg van die veranderingen de 3% grens niet overschrijdt. Nu de uitoefening van de bevoegdheid tot verlening van de gevraagde veranderingsvergunning niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen, als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer, behoefde het college niet te onderzoeken of de grenswaarden voor stikstofdioxide in voorschrift 2.1, eerste lid, van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer worden overschreden.

De beroepsgrond faalt.

Stof

12. [appellant] en anderen voeren aan dat voorschrift 1.1.2 te algemeen is en daarom onvoldoende rechtszekerheid biedt. Volgens hen hadden aanvullende voorschriften gesteld moeten worden ter bescherming tegen stofhinder. Verder ziet voorschrift 1.1.2 volgens hen ten onrechte niet mede op stofhinder als gevolg van het manoeuvreren van vrachtwagens.

12.1. Ingevolge voorschrift 1.1.2 dient stofverspreiding buiten de inrichting ten gevolge van het af- en aanrijden van vrachtwagens zoveel mogelijk te worden tegengegaan.

12.2. Het college heeft voorschrift 1.1.2 aan de vergunning verbonden om stofhinder vanwege verkeersbewegingen te beperken. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit voorschrift te algemeen geformuleerd is en daarom in strijd met de rechtszekerheid. In de praktijk wordt aan het voorschrift invulling gegeven door het terrein af en toe te besproeien. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 1.1.2 voldoende bescherming biedt tegen stofhinder.

Visuele hinder

13. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden, inhoudende dat de inrichting aan het zicht wordt onttrokken door groenblijvende aanplant. Hierdoor biedt de vergunning volgens hen onvoldoende bescherming tegen visuele hinder.

13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat reeds twee groensingels aanwezig zijn die de bedrijvigheid in de inrichting achter groen doen verdwijnen. Beide groensingels blijven volgens het college intact.

13.2. De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

De beroepsgrond faalt.

Bodemverontreiniging

14. [appellant] en anderen voeren aan dat bodemverontreiniging optreedt doordat vrachtwagens met pluimvee langere tijd staan te wachten op onverhard terrein, waardoor mest en urine in de bodem kunnen komen. Volgens hen had het college moeten voorschrijven dat het betrokken terrein verhard dient te worden.

14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het uitvloeien van mest en urine uit de vrachtwagens nihil is, waarbij het erop wijst dat de kratten waarin het pluimvee wordt vervoerd een dichte bodem hebben. [appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de juistheid van dit standpunt van het college.

De beroepsgrond faalt.

Bestuurlijke lus

15. Met het oog op een spoedige beƫindiging van het geschil zal de Afdeling het college op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State opdragen de gebreken in het bestreden besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. Het college dient daartoe met inachtneming van overweging 6.2 voorschriften aan de vergunning te verbinden waaruit blijkt aan welke geluidgrenswaarden de inrichting moet voldoen. Indien de inrichting inmiddels is gelegen binnen een geluidgezoneerd industrieterrein, dient het college te beoordelen of de vergunning met inachtneming van de Wet geluidhinder kan worden verleend. Indien de inrichting niet binnen een geluidgezoneerd industrieterrein is gelegen, dient het college met inachtneming van overweging 7.3 overeenkomstig hoofdstuk 4 van de Handreiking het referentieniveau van het omgevingsgeluid vast te stellen en, indien uit die vaststelling blijkt dat het referentieniveau wordt overschreden, een bestuurlijke afweging te maken waarom de overschrijding in dit geval toelaatbaar is. Voornoemde gebreken kunnen worden gerepareerd door het bestreden besluit te wijzigen en het wijzigingsbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht behoeft bij de voorbereiding van het wijzigingsbesluit niet opnieuw te worden toegepast.

16. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Epe op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 15 de daarin omschreven gebreken te herstellen.

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

462-720.