Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201113042/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college de bijhouding van de persoonslijst van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Den Haag (hierna: de gba) ambtshalve opgeschort met de aanduiding "vertrokken naar onbekend".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113042/1/A3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2011 in zaak nr. 11/5750 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college de bijhouding van de persoonslijst van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Den Haag (hierna: de gba) ambtshalve opgeschort met de aanduiding "vertrokken naar onbekend".

Bij besluit van 6 december 2010 heeft het college het besluit van

23 november 2010 gewijzigd in die zin dat het college [appellant] ambtshalve in de gba heeft opgenomen met "adres onbekend".

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 23 november 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 6 december 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2012, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs en

R.H. de Roy van Zuydewijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

- woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, worden gegevens betreffende het adres ontleend aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft.

Ingevolge het tweede lid draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd in gebreke is met het doen van aangifte, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder d, worden een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2. [appellant] was in de gba ingeschreven op het adres [locatie A] te Den Haag. Op 21 oktober 2010 hebben medewerkers van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (hierna: de onderzoeksmedewerkers) in het kader van het project Haagse Pand Brigade een huisbezoek afgelegd op het adres [locatie A] en [locatie B] te Den Haag. Hiervan is op 22 oktober 2010 een rapport opgemaakt. Op 8 november 2010 heeft op het adres [locatie A] een tweede controle plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen tijdens deze controles, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet woonachtig was op het in de gba geregistreerde adres en heeft het besloten ambtshalve zijn adresgegevens te wijzigen in "adres onbekend".

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] niet woonachtig was op het adres [locatie A]. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat het college hem te kennen had gegeven dat er een nader huisbezoek zou plaatsvinden, maar dat dit huisbezoek om een onduidelijke reden werd afgelast. Voorts is de rechtbank voorbij gegaan aan de omstandigheid dat het college het dossier niet op orde heeft. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank immers zelf toegegeven dat er bijzonder slecht verslag is gelegd van de bevindingen. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat het college de mededeling van een bewoner, die heeft verklaard dat hij een kamer van [appellant] onderhuurt, niet aan zijn beslissing ten grondslag had mogen leggen. Hij voert hiertoe aan dat die bewoner een dakloze, verslaafde man is. Ook heeft het college de mededeling niet geverifieerd, aldus [appellant].

3.1. Uit het rapport van 22 oktober 2010 volgt dat [appellant] tijdens het huisbezoek niet in de woning aanwezig was. Voorts zijn in de woning geen persoonlijke spullen van [appellant] aangetroffen. In de kamer die hij zou bewonen was een ander persoon aanwezig die desgevraagd verklaarde dat hij de kamer van [appellant] huurt. Naar aanleiding van dat rapport heeft het college bij brief van 25 oktober 2010 aan [appellant] een voornemen tot het wijzigen van zijn gegevens in de gba gezonden. [appellant] heeft zich vervolgens op 29 oktober 2010 bij de balie van een stadsdeelkantoor gemeld. Hierbij gaf hij volgens het college te kennen dat hij wel woonachtig is op het adres [locatie A]. Tevens heeft hij aan de balie een huurovereenkomst getoond. Naar aanleiding hiervan heeft op 8 november 2010 een nadere controle plaatsgevonden. Toen de onderzoeksmedewerkers bij de woning aanbelden, werd echter niet open gedaan. Wel zagen zij een voor hen onbekende man achter het raam op de tweede verdieping staan. Van deze controle is geen rapport opgemaakt. De bevindingen van die controle zijn wel bijgeschreven in het onderzoeksdossier, gedateerd 3 december 2010, waarin door de gemeente wordt bijgehouden welke stappen met betrekking tot de woning zijn ondernomen in het kader van het project Haagse Pand Brigade.

Voor het oordeel dat het dossier onvoldoende op orde is, bestaat geen grond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de onderzoeksmedewerkers een uitgebreid verslag hebben gemaakt van het huisbezoek op 21 oktober 2010 en de gemeente met betrekking tot het adres [locatie A] een onderzoeksdossier bijhoudt. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat na 21 oktober 2010 geen nader huisbezoek heeft plaatsgevonden, omdat dat huisbezoek zou zijn afgelast, kan dit niet leiden tot het ermee beoogde resultaat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op 8 november 2010 een nadere controle heeft plaatsgevonden op het adres [locatie A]. Daargelaten de omstandigheid dat de onderzoeksmedewerkers niet in de woning zijn binnengelaten, mocht het college waarde hechten aan de constatering dat [appellant] bij die controle niet in de woning aanwezig was. Gelet hierop en op het rapport van 22 oktober 2010 heeft de rechtbank terecht overwogen dat er voor het college voldoende grond bestond waarop het zijn vermoeden dat [appellant] niet woonachtig was op het adres [locatie A] heeft kunnen baseren. Dat de verklaring van een bewoner, zoals [appellant] heeft betoogd, niet betrouwbaar zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Die mededeling was immers, gelet op het besluit van 31 mei 2011, niet van doorslaggevende betekenis. Bovendien wordt het vermoeden dat [appellant] niet woonachtig was op het adres [locatie A] ondersteund door voldoende waarnemingen van de onderzoeksmedewerkers.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

280-730.