Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201203871/1/A4 en 201203872/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij twee besluiten van 4 oktober 2011 heeft het college verzoeken van [appellant A] onderscheidenlijk [appellant B] en [appellant C] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen vanwege het door de vennootschap onder firma De Heerenkeet plaatsen en in gebruik nemen van een bedrijfsgebouw aan de Boogerdweg 1b te Kerkwerve afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203871/1/A4 & 201203872/1/A4.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 4 oktober 2011 heeft het college verzoeken van [appellant A] onderscheidenlijk [appellant B] en [appellant C] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen vanwege het door de vennootschap onder firma De Heerenkeet plaatsen en in gebruik nemen van een bedrijfsgebouw aan de Boogerdweg 1b te Kerkwerve afgewezen.

Bij twee besluiten van 27 maart 2012 heeft het college de door [appellant A] onderscheidenlijk [appellant B] en [appellant C] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] onderscheidenlijk [appellant B] en [appellant C] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 6 augustus 2012, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C], vertegenwoordigd door mr. C.J. Verhage, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Versteeg en ing. M. van Antwerpen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Heerenkeet heeft aan de Boogerdweg 1b een bedrijfsgebouw geplaatst voor de verwerking, opslag en verkoop van vis. In de omgeving van het perceel liggen gronden die behoren tot het Natura 2000-gebied Oosterschelde en de voorheen als beschermde natuurmonumenten aangewezen Oosterschelde-binnendijks en Oosterschelde-buitendijks. Deze voormalige natuurmonumenten vallen in het geheel binnen het Natura 2000-gebied.

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen vanwege het zonder krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) verleende vergunningen bouwen en in gebruik nemen van het bedrijfsgebouw.

2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Nbw, voor zover hier van belang, kan de minister bij besluit een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument.

Ingevolge artikel 10a, eerste lid, wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) (hierna: Vogelrichtlijn) en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) (hierna: Habitatrichtlijn).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel n, onder 1, is een Natura 2000-gebied een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid.

Ingevolge artikel 15a, tweede lid, vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, voor zover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, is het verboden zonder vergunning in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren en planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, moet voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling worden gemaakt.

3. Het gebied Oosterschelde in de omgeving van het bedrijfsgebouw aan de Boogerdweg 1b is op 23 december 2009 aangewezen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Nbw en is daarom ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel n, onder 1, een Natura 2000-gebied. De gronden van dit gebied die direct grenzen aan het perceel zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Op grotere afstand bevinden zich gronden die zowel zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied als Vogelrichtlijngebied.

De aanwijzingen als beschermd natuurmonument van Oosterschelde-binnendijks en Oosterschelde-buitendijks zijn ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw vervallen, zodat voor de plaatsing en het gebruik van het betrokken bedrijfsgebouw geen vergunning als bedoeld in artikel 16 is vereist. Ter beoordeling ligt daarom alleen voor, of een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw is vereist.

4. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen dat het college miskent dat een artikel 19d-vergunning is vereist wegens de effecten van het bouwen en in gebruik nemen van het bedrijfsgebouw voor het Natura 2000-gebied.

4.1 Het bedrijfsgebouw is inmiddels opgericht. Effecten van de bouwactiviteiten voor het Natura 2000-gebied kunnen niet alsnog ongedaan worden gemaakt met een gegrondverklaring van de beroepen. De Afdeling beoordeelt in het hiernavolgende dan ook alleen, of in verband met de effecten van het gebruiken van het bedrijfsgebouw voor de verwerking, opslag en verkoop van vis aanleiding bestaat om de beroepen gegrond te verklaren.

5. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] stellen dat het gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats kan verslechteren en tevens een verstorend effect kan hebben op de habitats van soorten, zoals de noordse woelmuis, de grote stern en de kluut, in het Natura 2000-gebied. Zij wijzen in dit verband op geluidhinder en verontreiniging als gevolg van vrachtverkeer van en naar het bedrijf en optische verstoring door het gebouw. Zij voeren aan dat het gebruik een grootschalig karakter heeft dat niet in omvang en tijd is beperkt, omdat geen omgevingsvergunning is vereist. Bovendien horen industriƫle activiteiten, zoals visverwerking, planologisch niet thuis in een natuurgebied, aldus [appellant A], [appellant B] en [appellant C].

5.1 Naar aanleiding van de verzoeken van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] heeft het college door ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van het gebruik van het bedrijfsgebouw voor het Natura 2000-gebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Voortoets in het kader van de Natuurbeschermingset 1998 bij de realisatie van een bedrijfsgebouw aan de Boogerdweg te Kerkwerve" van september 2011 (hierna: de Voortoets). In de Voortoets is gebruik gemaakt van de zogenoemde Effectenindicator voor Natura 2000-gebieden van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Door het invoeren van het gebied "Oosterschelde" en de activiteit bedrijventerrein, zijn de voor het gebruik van het bedrijfsgebouw relevante storingsfactoren bepaald.

Per storingsfactor is gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitatsoorten en types een beoordeling gemaakt.

Geconcludeerd is dat wegens het al bestaande, relatief intensieve recreatieve medegebruik van de omgeving, geen significant negatief effect te verwachten is, zodat geen artikel 19d-vergunning is vereist. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben met hun betoog over de gestelde grootschaligheid van het gebruik niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Alleen het noemen van de bouwkosten en de oppervlakte van de bebouwing is daartoe ontoereikend. Daar komt bij dat zij het standpunt van het college, dat het bedrijfsgebouw een type B-inrichting is dat moet voldoen aan de regelgeving van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, niet hebben betwist, zodat hun stelling dat de activiteiten niet in omvang en tijd zijn begrensd, reeds hierom faalt. Voorts zijn de door hen gestelde planologische aspecten in het kader van deze procedure niet van belang.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] stellen zich op het standpunt dat het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de Voortoets. Hiertoe voeren zij aan dat de Voortoets vermeldt, dat het gebruik van het bedrijfsgebouw effecten heeft voor het Natura 2000-gebied, dat de Voortoets niet is opgesteld door onafhankelijke deskundigen en dat in de Voortoets gebruik is gemaakt van gegevens van bronnen zonder dat daarvoor toestemming is verleend. Voorts voeren zij aan dat de conclusie van de Voortoets niet volgt uit de daarin beschreven bevindingen en dat in de Voortoets ten onrechte mitigerende maatregelen zijn betrokken.

Verder voeren zij aan dat in de Voortoets ten onrechte is uitgegaan van een 5 m brede groenstrook op het perceel, dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat in het bedrijfsgebouw ook vis zal worden gerookt en dat het bedrijfsgebouw in afwijking van de verleende bouwvergunning is opgericht.

6.1 Het enkele feit dat de Voortoets vermeldt dat effecten kunnen optreden als gevolg van het gebruiken van het bedrijfsgebouw betekent niet dat dit gebruik reeds om die reden vergunningplichtig is. Alleen projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten als bedoeld in artikel 19d van de Nbw zijn vergunningplichtig. Concrete omstandigheden zijn in dit kader in het beroepschrift noch ter zitting gesteld. Dat in de Voortoets gebruik zou zijn gemaakt van gegevens van bronnen zonder dat daarvoor door de rechthebbende toestemming is verleend is in dit verband niet van belang. De enkele omstandigheid dat het ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal op diens website ten onrechte zou hebben gesteld dat het lid is van het netwerk Groene Bureaus, betekent verder niet dat de Voortoets niet objectief zou zijn.

De passages die [appellant A], [appellant B] en [appellant C] in hun beroepschrift aanhalen, geven geen grond om aan de deugdelijkheid van de Voortoets te twijfelen. Voorts blijkt uit de Voortoets dat de in hoofdstuk 4 genoemde mogelijk nog te nemen maatregelen ter verdere beperking van de effecten van het gebruiken van het bedrijfsgebouw, daargelaten de vraag of die maatregelen als mitigerend moeten worden aangemerkt, niet zijn meegenomen in de hoofdstuk 3 weergegeven beoordeling van de effecten wegens het gebruik.

De grond over de groenstrook faalt, omdat niet aannemelijk is, gelet op de aard van de activiteiten en het al bestaande, relatief intensieve recreatieve medegebruik van de omgeving, dat zelfs als de breedte van de aangebrachte groenstrook niet 5 m maar 1,6 m zou bedragen, dit tot een wezenlijk andere uitkomst van de Voortoets zou leiden. Ter zitting heeft het college voorts onbestreden gesteld dat het roken van vis ter plaatse de kwaliteit van de habitats niet verslechtert en geen significant verstorend effect heeft op de soorten in het gebied, zodat met de effecten hiervan in de Voortoets terecht geen rekening is gehouden. Voorts is de stelling over bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning in het kader van deze procedure niet van belang.

Gelet op het voorafgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij het nemen van het bestreden besluit niet van de Voortoets heeft mogen uitgaan.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen dat ten onrechte geen passende beoordeling van de gevolgen is gemaakt als bedoeld in artikel 19f van de Nbw.

Dit betoog faalt, reeds omdat het geen betrekking heeft op de vraag, of artikel 19d van de Nbw is overtreden.

8. Gezien het voorgaande geeft het betoog van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] geen reden voor het oordeel dat het college niet op goede gronden heeft geoordeeld, dat het gebruik van het bedrijfsgebouw de kwaliteit van de habitats niet verslechtert en dat dit gebruik geen verstorend effect heeft op de soorten. Het college mocht dan ook concluderen dat artikel 19d van de Nbw niet is overtreden, zodat het zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was handhavend op te treden.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Aal

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

584.