Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX8251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
201107635/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijverkamp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107635/2/R3.

Datum uitspraak: 26 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Veenendaal,

en

de raad van de gemeente Veenendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijverkamp" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2012, waar onder meer [appellant], bijgestaan door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. E.J.A. Groen in 't Wout en J. van Manen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van dit beroep afgesplitst van zaak nr. 201107635/1/R3. De behandeling van het beroep van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Heuvelman Staalhandel B.V. en Dynamostaal B.V. zal onder laatstgenoemd nummer worden voortgezet.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" aan de [locatie A] heeft vastgesteld, omdat ter plaatse geen detailhandel is toegestaan. Daartoe voert hij aan dat hij in het kader van eerdere besluitvorming over het gebruik van de percelen [locatie B], [locatie C], [locatie D] en [locatie A] reeds heeft aangetoond dat hij op alle percelen detailhandel uitoefende. Tegen het gebruik van het perceel [locatie A] voor detailhandel is nooit handhavend opgetreden en dit gebruik valt onder het overgangsrecht. Gelet hierop mocht [appellant] ervan uitgaan dat op zijn percelen de detailhandelsactiviteiten mogelijk zouden worden gemaakt.

Volgens [appellant] handelt de raad in strijd met zijn eigen beleid en hij verwijst naar het perceel [locatie E], waar detailhandel, hoewel dit gebruik ook plaatsvond in strijd met het vorige plan, wel als zodanig is bestemd.

2. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de voorbereiding van dit plan een perceelsgewijze inventarisatie van het bedrijventerrein heeft plaatsgevonden en dat de resultaten hiervan zijn beoordeeld en verwerkt in dit plan. Bij deze inventarisatie is geconstateerd dat bij een aantal bedrijven verschil bestond tussen de feitelijke situatie en het geldende planologische regime. Bij die gevallen is ervoor gekozen om detailhandel die al langere tijd bestond en waartegen volgens de raad redelijkerwijs niet meer kan worden opgetreden als zodanig te bestemmen door middel van een bestemmingsregeling op maat. Met betrekking tot het perceel [locatie A] stelt de raad dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat al gedurende lange tijd detailhandel plaatsvond en dat dit inmiddels is gestaakt.

Uit onderzoek volgt dat ter plaatse pas sinds 2007 detailhandel plaatsvond. Ten aanzien van het perceel [locatie E] stelt de raad dat al in 1991 is geconstateerd dat het perceel voor detailhandel in meubels werd gebruikt. Destijds zijn afspraken gemaakt met de eigenaar van het perceel. Omdat nooit handhavend is opgetreden en geen voornemen bestaat om dit alsnog te gaan doen is de detailhandel ter plaatse in de huidige omvang als zodanig bestemd. Van gelijke gevallen is derhalve geen sprake.

3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijf in de vorm van bedrijven en bedrijfsactiviteiten maximaal tot en met de ter plaatse aangegeven milieucategorie zoals die is weergegeven op de verbeelding en nader is omschreven in de lijst van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge lid 3.4, sub 3.4.1, aanhef en onder g, wordt tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval gerekend het gebruik voor detailhandel, met uitzondering van het bepaalde in lid 3.1, sub w.

Ingevolge lid 3.4, sub 3.4.2, aanhef en onder b, is de hiervoor onder g omschreven gebruiksregel niet van toepassing op overige vormen van detailhandel in reeds bestaande detailhandelsvestigingen zoals deze nader zijn omschreven in de bij deze regels behorende Staat van Detailhandelsactiviteiten (bijlage 2), uitsluitend in de aangegeven bedrijfsvoering, aard en omvang.

Volgens de Staat van Detailhandelsactiviteiten is op het perceel [locatie B tot en met D] detailhandel in ICT en ski-artikelen tot maximaal 980 m² toegestaan. Het perceel [locatie A] is niet vermeld. Op het perceel [locatie E] is blijkens de Staat van Detailhandelsactiviteiten detailhandel voor meubels tot een oppervlakte van 1075 m² toegestaan.

Ingevolge artikel 13, lid 13.2, sub 13.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 13.2, sub 13.2.4, is het bepaalde in 13.2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

4. Voor zover [appellant] betoogt dat op het perceel [locatie A] detailhandel mogelijk had moeten worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat vast is komen te staan dat ten tijde van de vaststelling en de inwerkingtreding van het plan dit perceel niet meer in gebruik was voor detailhandel. Van gebruik dat onder het overgangsrecht valt is dan ook geen sprake. Voorts staat vast dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse detailhandel niet was toegestaan en dat de raad het verbod op detailhandel op het bedrijventerrein heeft willen voortzetten, behoudens voor de gevallen waarin de reeds langere tijd aanwezige detailhandel is opgenomen in de bij het plan behorende Staat van Detailhandelsactiviteiten. In die gevallen is voorzien in een bestemmingsregeling op maat, waarbij de bestaande bedrijfsvoering in aard en omvang is vastgelegd. De Afdeling acht dit niet onredelijk. [appellant] wenst dat op voormeld perceel detailhandel als zodanig wordt mogelijk gemaakt, nu een maatbestemming in verband met bestaande detailhandel ter plaatse niet meer aan de orde is. Gelet op het voorgaande heeft de raad echter in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om ter plaatse te voorzien in een dergelijke bestemming, nu zo'n bestemming, anders dan voormelde bestemmingsregeling op maat in verband met voortgezet bestaand gebruik, ongewenste nieuwvestiging van detailhandel op het bedrijventerrein mogelijk maakt.

5. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie E] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op de [locatie E] vanaf 1990 detailhandel voor meubels met een omvang van 1075 m² plaatsvindt en dit gebruik ten tijde van de vaststelling en inwerkingtreding van het plan werd voortgezet.

Dit gebruik is opgenomen in de Staat van Detailhandelsactiviteiten en door middel hiervan toegestaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" aan de [locatie A] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012

459-661.