Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
201206080/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2012 is onder meer aangegeven dat de controle overeenkomstig art. 4.17a, lid 1, onder c, van het Vb 2000 en met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf is uitgevoerd, dat de toezichtscontrole en de daarop volgende staandehouding hebben plaatsgevonden binnen een zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België, dat op voormelde openbare weg in de periode van 1 tot en met 16 mei 2012 een toezichtscontrole van in totaal vijf minuten heeft plaatsgevonden, te weten op 16 mei 2012, en dat tijdens die controle daadwerkelijk één vervoermiddel is stilgehouden, zijnde een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen. Met het vorenstaande is voldoende inzicht gegeven in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Voorts blijkt daaruit genoegzaam dat bij de controle de voorschriften van art. 4.17a van het Vb 2000 in acht zijn genomen. De vreemdeling heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die op het tegendeel wijzen. De enkele opmerking van de vreemdeling dat de controle slechts vijf minuten heeft geduurd, waarbij slechts één vervoermiddel is gecontroleerd, is daartoe niet voldoende.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.17a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/11 met annotatie van Mr. F. Fonville
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206080/1/V4.

Datum uitspraak: 19 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 12 juni 2012 in zaken nrs. 12/17230 en 12/16457 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juni 2012, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de controle, die in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: MTV-controle) is gehouden en tot de staandehouding van de vreemdeling heeft geleid, niet in strijd is met Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode).

Daartoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de strafsectoren van de rechtbank Roermond en van het Gerechtshof 's Hertogenbosch, anders dan de Afdeling in haar jurisprudentie, hebben geoordeeld dat het uitvoeren van MTV-controles in strijd is met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode. Daar komt bij dat de MTV controle in het onderhavige geval slechts vijf minuten heeft geduurd, waarbij maar één vervoermiddel is gecontroleerd, terwijl geen informatie is verschaft over de werkwijze en het doel van de controle. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat voor een ieder duidelijkheid dient te bestaan over de geldende wetten en beleidsregels. Nu ten tijde van belang bij verschillende instanties, waaronder de strafrechter, verschil in opvatting bestond over de toelaatbaarheid van MTV-controles, zijn volgens de vreemdeling in het onderhavige geval ook de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid geschonden.

2. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen, op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

2.1. Bij verwijzingsuitspraak van 4 juni 2012 in zaak nr. 201204130/1/V4 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over, samengevat weergegeven, de vraag of de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als vervat in artikel 4.17a van het Vb 2000. Het Hof heeft die vraag bij arrest van 19 juli 2012 (zaak C-278/12 PPU; www.curia.europa.eu; hierna: het arrest) bevestigend beantwoord.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat een met toepassing van artikel 4.17a van het Vb 2000 uitgevoerde MTV-controle verenigbaar is met de Schengengrenscode.

2.2. Uit onder meer de punten 75 en 76 van het arrest volgt dat, indien er aanwijzingen zijn dat een controle in een grensgebied, zoals een MTV controle, eenzelfde effect kan hebben als een grenscontrole, de uitoefening van de controlebevoegdheid niet alleen in een wettelijk kader dient te zijn gepreciseerd en beperkt ter voorkoming van dat effect, maar ook dat deze preciseringen en beperkingen strikt dienen te worden nageleefd. De Afdeling overweegt hierover, mede gelet op punt 85 van het arrest, het volgende.

2.3. Blijkens het op ambtseed opgestelde proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 16 mei 2012 is de vreemdeling die dag tijdens een MTV-controle krachtens artikel 50 van de Vw 2000 staande gehouden als passagier van een vervoermiddel dat zich bevond op de Maasboulevard in de gemeente Maastricht. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2012 is onder meer aangegeven dat de controle overeenkomstig artikel 4.17a, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 en met het oog op het verkrijgen van informatie over illegaal verblijf is uitgevoerd, dat de toezichtscontrole en de daarop volgende staandehouding hebben plaatsgevonden binnen een zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België,

dat op voormelde openbare weg in de periode van 1 tot en met 16 mei 2012 een toezichtscontrole van in totaal vijf minuten heeft plaatsgevonden, te weten op 16 mei 2012, en dat tijdens die controle daadwerkelijk één vervoermiddel is stilgehouden, zijnde een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Met het vorenstaande is voldoende inzicht gegeven in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Voorts blijkt daaruit genoegzaam dat bij de controle de voorschriften van artikel 4.17a van het Vb 2000 in acht zijn genomen. De vreemdeling heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die op het tegendeel wijzen. De enkele opmerking van de vreemdeling dat de controle slechts vijf minuten heeft geduurd, waarbij slechts één vervoermiddel is gecontroleerd, is daartoe niet voldoende.

2.4. Grief 1 faalt.

3. Hetgeen in grief 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

393.

Verzonden: 19 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser