Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
201204714/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij verwijzingsuitspraak van 4 juni 2012 in zaak nr. 201204130/1/T1/V4 (LJN: BW7489) heeft de Afdeling het Hof verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over, samengevat weergegeven, de vraag of de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als vervat in art. 4.17a van het Vb 2000. Het Hof heeft die vraag bij arrest van 19 juli 2012 (LJN: BX2936) bevestigend beantwoord. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat een met toepassing van art. 4.17a van het Vb 2000 uitgevoerde MTV-controle verenigbaar is met de Schengengrenscode.

Uit onder meer de punten 75 en 76 van het arrest volgt dat, indien er aanwijzingen zijn dat een controle in een grensgebied, zoals een MTV controle, eenzelfde effect kan hebben als een grenscontrole, de uitoefening van de controlebevoegdheid niet alleen in een wettelijk kader dient te zijn gepreciseerd en beperkt ter voorkoming van dat effect, maar ook dat deze preciseringen en beperkingen strikt dienen te worden nageleefd. (…)

[De] (…) processen-verbaal geven voldoende inzicht in de omstandigheden die aanleiding vormden voor de staandehouding. Voorts blijkt uit het vorenstaande genoegzaam dat bij de controle de voorschriften van art. 4.17a van het Vb 2000 in acht zijn genomen. De vreemdeling heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Rb. een nader onderzoek had moeten instellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204714/1/V4.

Datum uitspraak: 14 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 2 mei 2012 in zaak nr. 12/12256 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij de Raad van State hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan de bewaring voorafgegane staandehouding, die is verricht na een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: MTV controle), rechtmatig is.

Daartoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 & C-189/10, Melki en Abdeli (www.curia.europa.eu), heeft miskend dat het proces-verbaal onvoldoende inzichtelijk maakt of is voldaan aan artikel 21, eerste lid, sub a, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode), of sprake is van een krachtens de Schengengrenscode ongeoorloofde grenscontrole en of gehandeld is in strijd met het verbod op willekeurige staandehouding neergelegd in de artikelen 6 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Voorts heeft de rechtbank volgens de vreemdeling miskend dat het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding onvoldoende inzichtelijk maakt op welke grond hij is staande gehouden en hoe de staandehouding is geschied, waardoor de waarborgen die bij de controle gelden onvoldoende kunnen worden getoetst. De enkele vermelding dat de controle conform artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna; het Vb 2000) is uitgevoerd en uit informatie of ervaringsgegevens is gebleken dat via deze route illegaal verblijf en illegale immigratie plaatsvindt, is daartoe onvoldoende. In dit verband heeft de vreemdeling verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 20 oktober 2011, zaak nr. 201108181/1/V4, van 24 oktober 2011, zaak nr. 201107646/1/V4, en van 25 oktober 2011, zaak nr. 201102743/1/V4 (www.raadvanstate.nl).

Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat de rechtbank Roermond aan het Hof prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van de MTV-controles met de Schengengrenscode, was de staandehouding onrechtmatig, aldus de vreemdeling.

1.1. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen, op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

1.2. Bij verwijzingsuitspraak van 4 juni 2012 in zaak nr. 201204130/1/T1/V4 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het Hof verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over, samengevat weergegeven, de vraag of de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als vervat in artikel 4.17a van het Vb 2000. Het Hof heeft die vraag bij arrest van 19 juli 2012 (zaak C-278/12 PPU; www.curia.europa.eu) bevestigend beantwoord.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat een met toepassing van artikel 4.17a van het Vb 2000 uitgevoerde MTV-controle verenigbaar is met de Schengengrenscode.

1.3. Uit onder meer de punten 75 en 76 van het arrest volgt dat, indien er aanwijzingen zijn dat een controle in een grensgebied, zoals een MTV controle, eenzelfde effect kan hebben als een grenscontrole, de uitoefening van de controlebevoegdheid niet alleen in een wettelijk kader dient te zijn gepreciseerd en beperkt ter voorkoming van dat effect, maar ook dat deze preciseringen en beperkingen strikt dienen te worden nageleefd. De Afdeling overweegt hierover, mede gelet op punt 85 van het arrest, het volgende.

1.4. Blijkens het op ambtseed opgestelde proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 11 april 2012 is de vreemdeling die dag tijdens een MTV-controle, uitgevoerd krachtens artikel 50 van de Vw 2000, staande gehouden als passagier van een vervoermiddel dat zich bevond op de Rijksweg A16/E19 in de gemeente Breda. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2012 is onder meer aangegeven dat de controle overeenkomstig artikel 4.17a, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 en op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding is uitgevoerd, dat de toezichtscontrole en de daarop volgende staandehouding hebben plaatsgevonden binnen een zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België, dat in de maand april op voormelde openbare weg één of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor een totale duur van 30 uur en 50 minuten, dat op 11 april 2012 op deze weg één of meerdere toezichtscontroles hebben plaatsgevonden voor een totale duur van 4 uur en 30 minuten en dat tijdens die controle daadwerkelijk 26 vervoermiddelen zijn stilgehouden, zijnde een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Voormelde processen-verbaal geven voldoende inzicht in de omstandigheden die aanleiding vormden voor de staandehouding. Voorts blijkt uit het vorenstaande genoegzaam dat bij de controle de voorschriften van artikel 4.17a van het Vb 2000 in acht zijn genomen. De vreemdeling heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank een nader onderzoek had moeten instellen.

1.5. Grief 1 faalt.

2. Hetgeen in grief 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012

393.

Verzonden: 14 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser