Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201110861/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] tot uitwerking van het bestemmingsplan "Bakertand" voor het perceel [locatie] te Tilburg afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/329
OGR-Updates.nl 2012-0175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110861/1/R3.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], [appellant B] en [appellant C], gevestigd onderscheidenlijk wonend, te Tilburg (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] tot uitwerking van het bestemmingsplan "Bakertand" voor het perceel [locatie] te Tilburg afgewezen.

[appellant] en anderen hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de rechtbank Breda ingekomen, heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. De rechtbank heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar de Afdeling doorgezonden.

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant] heeft de gronden van het beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, en M.A.J. de Rooij, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, ingetrokken.

2. Het perceel, waarop [appellant] een varkenshouderij exploiteert, heeft in het bestemmingsplan de bestemmingen "Bedrijven, uit te werken door Burgemeester en Wethouders - B1" en "Bedrijven uit te werken door Burgemeester en Wethouders - B2".

2.1. Ingevolge artikel 3, zevende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen) wordt de verkeersstructuur, voor zover thans van belang, als volgt opgezet: de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein vindt plaats via de gronden met de bestemming "Verkeer & vervoer -V - " (alle ontsluiting vindt plaats vanaf een nieuw aan te leggen rotonde op de Abcovenseweg en vanaf de op de rotonde aan te leggen gebiedsontsluitingsweg in oostelijke richting.);

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 7, tweede lid, aanhef onder a, wordt bij de uitwerking van de onder 2 genoemde bestemmingen de beschrijving in hoofdlijnen als bedoeld in artikel 3 als uitgangspunt gehanteerd.

Ingevolge de artikelen 6, derde lid, en 7, derde lid, mag op de betrokken gronden uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig de uitwerking door burgemeester en wethouders. Uitwerking mag per deel van het gebied plaatsvinden, mits de stedenbouwkundige structuur/het beeldkwaliteitsplan voor het gehele bestemmingsvlak bekend is dan wel uiterlijk gelijktijdig met de uitwerking wordt vastgesteld.

2.1.1. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd voor het bestemmingsvlak een stedenbouwkundige structuur en een beeldkwaliteitsplan vast te stellen en het plan voor dit perceel uit te werken. Het college voldoet daardoor niet aan zijn plicht het plan binnen de planperiode uit te werken dan wel te heroverwegen. Het standpunt van het college dat de uitwerking vanwege de kosten van de aan te leggen ontsluitingsweg vooralsnog financieel niet uitvoerbaar is, gaat er volgens [appellant] aan voorbij dat in het besluit van 20 oktober 2009 van het college van burgemeester en wethouders, waarbij een ontwikkelstrategie voor Bakertand is vastgesteld, naast een aansluiting op de rijksweg A58, ook een budgettair neutrale variant is opgenomen voor een uitwerking van alleen het westelijke deel van het plangebied waarin een afzonderlijke ontsluiting niet noodzakelijk is. Voorts wijst [appellant] erop dat de afwijzing van het verzoek zich niet verdraagt met het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en uitspraken van de Afdeling over de aanvaardbaarheid van uitwerkingsregels in bestemmingsplannen. Hij stelt dat gezien de intrekking van het op het perceel gevestigde voorkeursrecht ook in de toekomst niet zal worden voldaan aan de uitwerkingsplicht en dat dit een noodzakelijke verplaatsing en uitbreiding van de varkenshouderij in de weg staat.

2.1.2. Het college komt een grote mate van vrijheid toe ten aanzien van het tijdstip en de wijze waarop een bestemmingsplan wordt uitgewerkt.

Uit het bestreden besluit en de ontwikkelstrategie blijkt dat het college de bestemmingen vooralsnog niet wil uitwerken, omdat de voor de realisering van het bedrijventerrein noodzakelijke ontsluitingsweg thans financieel niet haalbaar is. Om die reden is er ook nog geen stedenbouwkundige structuur/beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Uit de ontwikkelstrategie blijkt voorts dat een uitwerking die beperkt is tot het westelijke deel van het plangebied zonder aanleg van een afzonderlijke ontsluiting verkeerskundig niet acceptabel is. Uitwerking is volgens de ontwikkelstrategie alleen financieel haalbaar met een rechtstreekse ontsluiting van het plangebied op de rijksweg A58, maar die ontsluiting is voorlopig nog niet aan de orde.

Gelet op het voorgaande heeft het college draagkrachtig gemotiveerd waarom hij vooralsnog niet tot uitwerking wil overgaan. Dat volgens de planvoorschriften een deeluitwerking mogelijk is laat onverlet dat deze uitwerking verkeerskundig acceptabel en financieel haalbaar moet zijn. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten niet op de vaststelling van het gehele uitwerkingsplan vooruit te lopen. Dat, naar niet tussen partijen in geschil is, vóór 1 januari 2013 ter voldoening aan de actualiseringsplicht in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, de op het perceel rustende bestemmingen zullen moeten worden heroverwogen, betekent niet dat het plan vóór die heroverweging alsnog uitgewerkt moet worden.

2.1.3. De overige gronden die [appellant] heeft aangevoerd hebben betrekking op de - hier niet meer aan de orde zijnde - wijze waarop toepassing zou moeten worden gegeven aan de uitwerkingsregels dan wel onderwerpen die het bereik van het bestreden besluit te buiten gaan. Zij kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit.

3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

429-605.