Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201201077/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201077/1/A3.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 27 december 2011 in zaak nrs. 11/6428 en 11/6579 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid.

Bij besluit van 7 december 2011 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 december 2011 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, legt het CBR in de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde gevallen bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c, geschiedt een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de Wvw 1994, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.

Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III Rijgedrag, of onder B, onderdeel III Drogerende stoffen, onder Alcohol.

In bijlage 1, onder A, is het volgende vermeld:

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

[…]

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:

a. slingerend wordt gereden;

[…]

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

[…]

2. Gebrekkige rijvaardigheid

Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:

[…]

b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

[…]

2. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit genomen naar aanleiding van een mededeling van de Regiopolitie Hollands-Midden van 14 juli 2011 als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994. In het bij de mededeling gevoegde proces-verbaal van bevindingen is onder meer vermeld dat [appellant] met een snelheid van ongeveer 50 km/h reed op een weg waar de maximumsnelheid 80 km/h is, dat hij slingerend reed en dat hij enkele malen tegen een tussen de rijbaan en het fietspad liggende verhoogde rand aanreed. Met toepassing van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 133, eerste lid, van de Wvw 1994, gelezen in verbinding met artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling, heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, omdat hij slingerend en met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid heeft gereden.

3. [appellant] betoogt dat ten onrechte is gesteld dat hij betrokken is geweest bij een aanrijding. Die stelling vindt geen steun in het bij de mededeling gevoegde proces-verbaal, aldus [appellant].

3.1. Het CBR heeft reeds in het besluit op bezwaar erkend dat in het besluit van 3 augustus 2011 abusievelijk is vermeld dat [appellant] volgens de mededeling op 29 juni 2011 een aanrijding heeft veroorzaakt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het CBR deze onjuistheid heeft mogen herstellen bij het besluit op bezwaar.

Het betoog faalt.

4. Verder betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft onderkend, dat de mededeling en het proces-verbaal tegenstrijdige informatie bevatten. Voorts is de voorzieningenrechter er volgens [appellant] ten onrechte aan voorbij gegaan dat in de mededeling ten onrechte is vermeld dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat hij lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt. De betrokken politieagent beschikt niet over de deskundigheid om dergelijke vaststellingen te mogen doen, aldus [appellant].

4.1. In de mededeling is vermeld dat [appellant] de Nederlandse taal beheerst, terwijl in het proces-verbaal staat dat hij zeer gebrekkig Nederlands spreekt. Daargelaten of deze vermeldingen met elkaar in strijd zijn, is er geen grond voor het oordeel dat het onderscheid tussen beide vermeldingen maakt dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde mededeling en het proces-verbaal.

In de door [appellant] gewraakte passage uit de mededeling wordt artikel 5, aanhef en onder c, van de Regeling geciteerd, zijnde de grond waarop overgifte van het rijbewijs van hem is gevorderd. In deze procedure staat niet ter toets of deze vordering op juiste gronden heeft plaatsgevonden. Voorts is voormelde passage niet aan de oplegging van een onderzoek naar de rijvaardigheid ten grondslag gelegd. Hetgeen [appellant] over deze passage heeft aangevoerd, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde mededeling en kan daarom niet afdoen aan het oordeel van de rechtbank over de juistheid van het besluit van het CBR.

Het betoog faalt.

5. Het betoog van [appellant], dat het CBR hem hangende hoger beroep niet mocht oproepen om te verschijnen bij een onderzoek naar de rijvaardigheid, faalt. Ingevolge artikel 6:16, gelezen in verbinding met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht, schorst het instellen van hoger beroep niet de werking van de uitspraak van de rechtbank waartegen het is gericht.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

640.