Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201110545/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Veemarktkwartier 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110545/1/R3.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Tilburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Haaren, [appellant sub 2A], wonend te Berkel-Enschot, [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], beiden wonend te Tilburg (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Veemarktkwartier 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2C], en de raad, vertegenwoordigd door D.J. Kersten en ir. A.P. van de Sande, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

1. De bezwaren van [appellant sub 1], die eigenaar is van het perceel grenzend aan het perceel [locatie sub 1], zijn gericht tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - stadsmensa" en de bijbehorende regeling in het plan met betrekking tot het perceel [locatie sub 1]. Hiertoe voert hij aan dat binnen deze functieaanduiding grootschalige activiteiten, waaronder horeca-activiteiten, feesten en optredens niet zijn uitgesloten. Een zodanig gebruik van het perceel leidt tot onaanvaardbare overlast, omdat de afstand tot de bebouwing op zijn perceel te klein is. Volgens [appellant sub 1] dient het begrip stadsmensa beperkter te worden omschreven dan in het plan is opgenomen.

1.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een studentencentrum alsmede allerlei andere functies reeds mogelijk waren binnen de bestemming van het vorige plan "Verspreide terreinen Oude Stad", waarin de gronden waren bestemd tot "Bijzondere doeleinden". Deze mogelijkheden zijn overgenomen in de bestemming "Centrum-Binnenstad" in het voorliggende plan. Mede gelet op het feit dat het studentencentrum buiten de grens van het horecaconcentratiegebied ligt, is gekozen voor maatwerk in de vorm van de functieaanduiding. Voorts heeft de raad gesteld dat de afstand tussen het studentencentrum en de bebouwing op het perceel van [appellant sub 1] voldoende is, nu wordt voldaan aan de criteria in bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten-functiemenging, behorende bij het plan, waarin is aangesloten bij de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (uitgave 2009) (hierna: de VNG-publicatie). Tot slot is voor de exploitatie van een stadsmensa ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 2005 een exploitatievergunning vereist, die de openbare orde en veiligheid waarborgt.

1.2. In artikel 1, onder 1.107, van de planregels wordt het begrip "stadsmensa" als volgt omschreven:

"Studentencentrum tevens gericht op het verstrekken van maaltijden en (alcoholische) dranken aan de gebruikers van het studentencentrum, niet zijnde een reguliere horecavoorziening (horeca 1, 2 of 3)."

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, onder f, zijn de voor "Centrum-Binnenstad" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - stadsmensa" mede bestemd voor een stadsmensa welke uitsluitend is toegestaan op de begane grond.

1.3. Uit de begripsomschrijving volgt dat de functieaanduiding "stadsmensa" een studentencentrum toestaat waarin tevens activiteiten in het kader van een mensa worden uitgevoerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het studentencentrum primair als mensa zal worden gebruikt, maar dat het studentencentrum daarnaast voor symposia en afstudeerborrels en als secretariaat van studentenverenigingen zal worden gebruikt. Gelet op de begripsomschrijving zijn feesten en optredens, zoals [appellant sub 1] aanvoert, echter niet uitgesloten van het gebruik dat ingevolge het plan is toegelaten.

In paragraaf 6.2 van de plantoelichting is vermeld dat de raad voor het toelaten van activiteiten heeft aangesloten bij bijlage 4 van de VNG-publicatie, omdat het studentencentrum in een gemengd gebied ligt, waar wonen en bedrijfsmatige activiteiten beide voorkomen. Op basis hiervan is de Staat van Bedrijfsactiviteiten-functiemenging in bijlage 3 van het plan vastgesteld. De aanvaardbaarheid van de in de bestemming "Centrum-Binnenstad" toegelaten bedrijfsactiviteiten is vervolgens hieraan getoetst. In artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder b, van de planregels is opgenomen dat de bestemming "Centrum-Binnenstad" bedrijven toestaat die onder categorie A of B van bijlage 3 vallen. Uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten volgt dat kantines, restaurants, cafetaria's, snackbars, café's en bars onder categorie A vallen. Discotheken, muziekcafé's en buurt- en clubhuizen vallen onder categorie B. Voor categorie A geldt dat deze bedrijfsactiviteiten zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Bedrijfsactiviteiten die onder categorie B vallen, kunnen in een gemengd gebied worden uitgeoefend, maar hebben een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Activiteiten die worden vermeld in categorie B, doch die een relatief grote verkeersaantrekkende werking hebben waardoor deze een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur nodig hebben, vallen onder categorie C en zijn binnen de bestemming niet toegelaten.

De afstand van de bebouwing op het perceel van [appellant sub 1] tot het studentencentrum bedraagt blijkens de verbeelding ten minste 19 meter vanaf de bebouwing op de [locatie sub 1] en ten minste 28 meter vanaf de bebouwing op de [locatie sub 2b] en [locatie sub 2c] en voldoet derhalve aan de criteria voor bedrijfsactiviteiten in categorie A en B. Gelet op de aard van een studentencentrum en de mate waarin de activiteiten die hierin mogen plaatsvinden autoverkeer aantrekken, is de Afdeling van oordeel dat de raad de activiteiten van het centrum in redelijkheid gelijk heeft mogen stellen aan de activiteiten die vallen onder categorie A en B. Gelet hierop heeft de raad aan het perceel [locatie sub 1] in redelijkheid de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - stadsmensa" kunnen toekennen en geen aanleiding hoeven te zien dit begrip beperkter te omschrijven.

1.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden planonderdeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2. [appellant sub 2], die eigenaar is van percelen [locaties sub 2] (ongenummerd), heeft bezwaar tegen de in het plan opgenomen beperking van zijn bouwmogelijkheden. Hiertoe voert hij aan dat op de gronden waaraan de functieaanduiding "erf" is toegekend, ingevolge het plan slechts beperkte bebouwing ten behoeve van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is toegestaan. Nu het ten gevolge van het niet opnemen van een bouwvlak niet mogelijk is een hoofdgebouw op te richten, kan volgens [appellant sub 2] zelfs van deze beperkte bouwmogelijkheden geen gebruik worden gemaakt. Volgens hem kunnen de percelen alleen als braakliggend terrein worden gebruikt. Het feit dat er nooit een bouwaanvraag is ingediend, is onvoldoende reden hem geen bouwmogelijkheden toe te kennen.

Verder heeft [appellant sub 2] bezwaar tegen de gebiedsaanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 1" die ziet op de gronden waaraan de bestemming "Centrum-Binnenstad" en de functieaanduiding "erf" is toegekend, omdat de bestemming "Centrum-Binnenstad" hierdoor kan worden gewijzigd in de bestemming "Verkeer-Verblijf", waardoor zijn percelen alleen als openbare ruimte kunnen worden gebruikt.

Ten slotte verwijst [appellant sub 2] naar de ingediende zienswijzen, die als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ingevolge het plan minder bouwmogelijkheden op de percelen van [appellant sub 2] bestaan dan op basis van het vorige plan "Tivoli". [appellant sub 2] heeft echter geen gebruik gemaakt van de bouwmogelijkheden in dat plan. Met het oog op de gewenste ontwikkeling van het gebied, die is neergelegd in de Stedenbouwkundige visie Veemarktkwartier, is het niet meer gewenst dat op deze percelen wordt gebouwd overeenkomstig de vorige planologische regeling. De raad acht het gewenst dat op een deel van de percelen bebouwing kan worden gerealiseerd, maar dat er hierbij rekening mee moet worden gehouden dat de verbinding van de [locaties sub 2] met de omliggende stedelijke ruimte dient te worden verbeterd.

2.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Aan de percelen van [appellant sub 2] is de bestemming "Centrum-Binnenstad" toegekend, die verscheidene functies toelaat. Voorts blijkt uit de verbeelding dat aan een gedeelte van de percelen een bouwvlak van omstreeks 9 meter bij omstreeks 15 meter is toegekend. Volgens de Stedenbouwkundige visie Veemarktkwartier, die aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt, is het gewenst de verbinding van de Veemarkstraat met omliggende stedelijke ruimten te verbeteren, waardoor het centrum en de Interpolistuin beter toegankelijk worden. Ook dient het zicht op de koepelhal in de Spoorzone vanuit de [locaties sub 2] behouden te blijven. Om deze reden is bebouwing met grotere bouwvolumes wel mogelijk, maar alleen op een deel van de percelen van [appellant sub 2]. Het andere deel van deze percelen, dat is aangeduid als "erf" en waarop uitsluitend aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen worden gebouwd, zal in de toekomst onderdeel gaan uitmaken van een pleintje dat bemiddelt tussen de beschermde stadshistorische straat, de nieuwbouw en de parkeergarage. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang de bouwmogelijkheden die het vorige plan bood op een deel van de percelen van [appellant sub 2] te beperken. Hierbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat [appellant sub 2] de in het vorige plan opgenomen bouwmogelijkheden onbenut heeft gelaten.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels het plan kan wijzigen. Beoogd is met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen. Juist met het oog hierop is bepaald dat op de voorbereiding van een wijzigingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

Ingevolge artikel 19, lid 19.4, onder a, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders wat betreft de gronden gelegen binnen "wro-zone-wijzigingsgebied 1" bevoegd de bestemming "Centrum-Binnenstad" te wijzigen in de bestemming "Verkeer-Verblijf", mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. De percelen van [appellant sub 2] zijn thans niet bebouwd. Met deze wijzigingsbevoegdheid wordt beoogd bedoeld pleintje overeenkomstig de Stedenbouwkundige visie mogelijk te maken. Gelet hierop en op het feit dat binnen de bestemming "Centrum-Binnenstad" bebouwing op de percelen van [appellant sub 2] mogelijk is voor zover en zolang geen toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, is het niet onredelijk dat de raad deze bevoegdheid in het plan heeft opgenomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het geval het college van burgemeester en wethouders toepassing geeft aan de wijzigingsbevoegdheid, [appellant sub 2] de mogelijkheid heeft tegen het ontwerp van het wijzigingsplan een zienswijze in te dienen en zo nodig tegen de vaststelling van het wijzigingsplan beroep in te stellen.

2.3. Voor zover [appellant sub 2] in het beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

2.4. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

177-758.