Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201106513/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college het verzoek van appellanten om de verleende milieuvergunning voor een varkenshouderij met toepassing van art. 8.23, lid 2 van de Wm te wijzigen, of met toepassing van art. 8.25, lid 3 van de Wm in te trekken, afgewezen.

Appellanten betogen primair dat de voor de varkenshouderij geldende vergunning moet worden ingetrokken vanwege de veroorzaakte geurbelasting. Ingevolge art. 8.25, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van art. 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt. De Afdeling stelt voorop dat voor toepassing van deze bepaling niet doorslaggevend is of de vergunde situatie in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden vergund (vgl. uitspraak van 12 december 2007, LJN: BB9951). Om tot intrekking van een eenmaal verleende en in de regel onherroepelijke vergunning over te kunnen gaan, moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen dermate ernstig zijn, dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt. (…) Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet op goede gronden heeft kunnen oordelen dat een geurbelasting die lager is dan de ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij bij gemeentelijke verordening mogelijk te maken geurbelasting, niet als ontoelaatbaar in de zin van art. 8.25 van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt. Nu niet aannemelijk is dat deze geurbelasting in dit geval overschreden wordt, heeft het college kunnen concluderen dat het niet bevoegd is om op grond van art. 8.25, lid 1, aanhef en onder a, de vergunning voor de varkenshouderij in te trekken.

Appellanten betogen verder dat het college ten onrechte geen geurgrenswaarden heeft gesteld om geurhinder te voorkomen. Deze geurgrenswaarden zouden volgens hen moeten overeenkomen met de geurbelasting die de inrichting zou veroorzaken indien een luchtwasser zou worden toegepast. Ingevolge art. 8.23, lid 1, kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. De Afdeling overweegt dat het college beleidsvrijheid heeft bij de beslissing om toepassing te geven aan art. 8.23 van de Wm. Indien wordt besloten tot deze toepassing, heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. In onder meer haar uitspraak van 20 augustus 2008 (LJN: BE8826) heeft de Afdeling geoordeeld dat geen emissiegrenswaarde hoeft te worden gesteld wanneer is voorgeschreven dat technische maatregelen die tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu leiden, moeten worden getroffen. In de voor de inrichting geldende vergunning zijn dergelijke maatregelen voorgeschreven, zodat het college in zoverre in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om aanvullende geurgrenswaarden aan de vergunning te verbinden.

Voor zover appellanten verzoeken om geurgrenswaarden te stellen die overeenkomen met de geurbelasting die zou worden veroorzaakt wanneer een luchtwasser zou worden toegepast, overweegt de Afdeling dat het stellen van voorschriften, of dat nu gebeurt bij het verlenen van een vergunning of bij toepassing van art. 8.23 van de Wm, er niet toe mag leiden dat de bedrijfsvoering waarvoor de vergunning is gevraagd of verleend, onmogelijk wordt gemaakt. Het stellen van de door appellanten verzochte grenswaarden zou in de praktijk betekenen dat de varkenshouderij waarvoor vergunning is verleend, zou moeten worden gestaakt. Het stellen van dergelijke voorschriften met toepassing van art. 8.23 van de Wm is niet mogelijk. Dit zou in de praktijk neerkomen op een intrekking van de vergunning voor de varkenshouderij. Zoals eerder is geconcludeerd, geeft de Wm in dit geval geen bevoegdheid om de vergunning in te trekken.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.23
Wet milieubeheer 8.25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/2556
JOM 2012/901
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106513/1/A4.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om de verleende milieuvergunning voor de varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te Grashoek met toepassing van artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer te wijzigen, of met toepassing van artikel 8.25, derde lid, van de Wet milieubeheer in te trekken, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college op het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar beslist en het besluit van 5 januari 2011 gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en mr. R.F.E. Kees en ing. C.A.J. Janssen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Voor zover [appellant] en anderen in hun beroepschrift verwijzen naar artikel 2.33, eerste lid, van de Wabo, is dit artikel, gelet op het hiervoor weergegeven overgangsrecht, niet van toepassing op dit geding.

2. [appellant] en anderen betogen dat het college in zijn primaire besluit van 5 januari 2011 ten onrechte heeft geconcludeerd dat, kort weergegeven, een aantal van hen geen belanghebbende is bij een verzoek om wijziging of intrekking van de vergunning voor de varkenshouderij en er in zoverre om die reden reeds geen aanleiding is het verzoek in te willigen. De juistheid van deze in het primaire besluit getrokken conclusie kan in de huidige beroepsprocedure over de beslissing op het daartegen gemaakte bezwaar in het midden blijven. Het college heeft het verzoek namelijk ook op andere, inhoudelijke, gronden afgewezen. Nu, zoals uit het navolgende blijkt, deze afwijzing op haar inhoudelijke gronden bij de bestreden beslissing op bezwaar in stand kon worden gelaten, is voor de uitkomst van het geding bij de Afdeling niet relevant of het oordeel van het college in het primaire besluit over het belang van de indieners van het verzoek om wijziging of intrekking juist was.

3. [appellant] en anderen betogen primair dat de voor de varkenshouderij geldende vergunning moet worden ingetrokken vanwege de veroorzaakte geurbelasting.

3.1. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.

3.2. De Afdeling stelt voorop dat voor toepassing van deze bepaling niet doorslaggevend is of de vergunde situatie in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden vergund (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007 in zaak nr. 200702693/1). Om tot intrekking van een eenmaal verleende en in de regel onherroepelijke vergunning over te kunnen gaan, moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen dermate ernstig zijn, dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt.

3.3. Het college staat op het standpunt dat de door de varkenshouderij veroorzaakte geurbelasting ruimschoots lager is dan de geurbelasting van 35 odour units per kubieke meter lucht die ingevolge artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij bij gemeentelijke verordening mag worden toegestaan. Nu de geurbelasting aldus binnen de marges van de door de wetgever aanvaardbaar geachte waarden valt, kan volgens het college niet worden geoordeeld dat de geurbelasting ontoelaatbaar is in de zin van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.

3.4. [appellant] en anderen hebben hier met name tegen ingebracht dat het in de Wet geurhinder en veehouderij gekozen beschermingsniveau in strijd is met enkele bepalingen van internationaal recht. In haar uitspraak van heden, in zaak nr. 201103950/1/T1/A4 heeft de Afdeling vergelijkbare beroepsgronden besproken, en geconcludeerd dat deze geen grond geven voor het oordeel dat de Wet geurhinder en veehouderij met deze bepalingen in strijd is.

3.5. [appellant] en anderen betogen verder dat het college van een te lage geurbelasting van de geurgevoelige objecten in de omgeving uitgaat. Volgens hen is de geurbelasting maximaal ongeveer 28 odour units per kubieke meter lucht.

De Afdeling constateert dat, ook als het betoog van [appellant] en anderen juist zou zijn, dit niet afdoet aan de conclusie van het college dat de veroorzaakte geurbelasting in alle gevallen lager is dan de op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij mogelijk te maken geurbelasting van 35 odour units per kubieke meter lucht.

3.6. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet op goede gronden heeft kunnen oordelen dat een geurbelasting die lager is dan de ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij bij gemeentelijke verordening mogelijk te maken geurbelasting, niet als ontoelaatbaar in de zin van artikel 8.25 van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt. Nu niet aannemelijk is dat deze geurbelasting in dit geval overschreden wordt, heeft het college kunnen concluderen dat het niet bevoegd is om op grond van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, de vergunning voor de varkenshouderij in te trekken.

4. [appellant] en anderen betogen verder dat het college ten onrechte geen geurgrenswaarden heeft gesteld om geurhinder te voorkomen. Deze geurgrenswaarden zouden volgens hen moeten overeenkomen met de geurbelasting die de inrichting zou veroorzaken indien een luchtwasser zou worden toegepast.

4.1. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Het college heeft beleidsvrijheid bij de beslissing om toepassing te geven aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer. Indien wordt besloten tot deze toepassing, heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

4.2. In onder meer haar uitspraak van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200707261/1 heeft de Afdeling geoordeeld dat geen emissiegrenswaarde hoeft te worden gesteld wanneer is voorgeschreven dat technische maatregelen die tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu leiden, moeten worden getroffen. In de voor de inrichting geldende, bij besluit van 26 mei 1998 verleende, vergunning zijn dergelijke maatregelen voorgeschreven, zodat het college in zoverre in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om aanvullende geurgrenswaarden aan de vergunning te verbinden.

4.3. Voor zover [appellant] en anderen verzoeken om geurgrenswaarden te stellen die overeenkomen met de geurbelasting die zou worden veroorzaakt wanneer een luchtwasser zou worden toegepast, overweegt de Afdeling dat het stellen van voorschriften, of dat nu gebeurt bij het verlenen van een vergunning of bij toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer, er niet toe mag leiden dat de bedrijfsvoering waarvoor de vergunning is gevraagd of verleend, onmogelijk wordt gemaakt.

Het stellen van de door [appellant] en anderen verzochte grenswaarden zou in de praktijk betekenen dat de varkenshouderij waarvoor vergunning is verleend, zou moeten worden gestaakt. Het stellen van dergelijke voorschriften met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer is niet mogelijk. Dit zou in de praktijk neerkomen op een intrekking van de vergunning voor de varkenshouderij. Zoals onder 3.6 al is geconcludeerd, geeft de Wet milieubeheer in dit geval geen bevoegdheid om de vergunning in te trekken.

Deze beroepsgrond faalt.

5. [appellant] en anderen betogen tot slot dat het college voorschriften B15.26 en B15.27 van de voor de varkenshouderij bij besluit van 1 mei 1996 verleende vergunning had moeten wijzigen.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld, dat aan deze voorschriften geen betekenis meer toekomt. Deze voorschriften hebben betrekking op een stalsysteem waarvoor destijds vergunning is verleend, maar inmiddels is, bij besluit van 26 mei 1998, vergunning verleend voor een ander stalsysteem. Reeds hierom heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het wijzigen van deze voorschriften geen aanleiding bestaat.

6. Ook voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

262-720.