Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201107737/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006, waarbij zijn verzoeken van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen zijn afgewezen, en heeft het aan [partij] alsnog een last onder dwangsom opgelegd vanwege niet-naleving van de ten behoeve van de varkenshouderij op 22 maart 1994 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/910
JM 2012/145 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107737/1/A4.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Nijefurd,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006, waarbij zijn verzoeken van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen zijn afgewezen, en heeft het aan [partij] alsnog een last onder dwangsom opgelegd vanwege niet-naleving van de ten behoeve van de varkenshouderij op 22 maart 1994 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning.

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college het besluit van 23 november 2010 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant].

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.G.H. van der Kolk, advocaat te Stadskanaal, en het college, vertegenwoordigd door F. Nijp en R. Tekstra, werkzaam bij de gemeente Súdwest Fryslân, zijn verschenen.

Overwegingen

Omvang beroep

1. Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college het besluit van 23 november 2010 ingetrokken. Daarbij heeft het college aangekondigd dat nieuw onderzoek zal worden verricht naar de tonaliteit van het geluid van de ventilatoren van de stal en dat op basis daarvan een nieuw besluit op het op15 januari 2007 gemaakte bezwaar van [appellant] zal worden genomen.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant]. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Afdeling gaat ervan uit, dat bij dit besluit alsnog de verzoeken om handhaving wat betreft het aspect geluid zijn afgewezen.

Tussen de besluiten van 10 mei 2011 en 14 mei 2012 bestaat een onverbrekelijk samenhang, zodat ze dienen te worden opgevat als de samenstellende delen van de nieuwe beslissing op het bezwaar ter vervanging van de beslissing op bezwaar van 23 november 2010.

1.1. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 mei 2011 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geacht mede een beroep tegen het besluit van 14 mei 2012 in te houden. Bij brief van 26 juni 2012 heeft [appellant] ter zake gronden naar voren gebracht.

Besluit van 10 mei 2011

2. [appellant] betoogt dat het college niet de bevoegdheid toekomt om het besluit van 23 november 2010 in te trekken en betoogt dat het op onjuiste gronden het besluit van 23 november 2010 heeft ingetrokken. Hij acht de intrekking verder in strijd met het beginsel van rechtszekerheid, nu het besluit formele rechtskracht heeft verkregen. Volgens [appellant] wekt de gang van zaken de indruk dat het college iets heeft willen regelen voor [partij], ook al heeft deze niet tijdig een rechtsmiddel aangewend ten aanzien van het besluit van 23 november 2010.

2.1. Het college heeft het besluit van 23 november 2010 ingetrokken omdat dat volgens hem bij nader inzien niet met de vereiste zorgvuldigheid was genomen. Volgens het college was [partij] ten onrechte niet gehoord over een nieuw akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het besluit om hem een last onder dwangsom op te leggen. Voorts is volgens het college alsnog gebleken dat de conclusies in het akoestisch rapport onvoldoende aanleiding vormden voor handhavend optreden omdat in het daaraan ten grondslag liggende onderzoek niet op deugdelijke wijze was onderzocht of de ventilatoren tonaal geluid veroorzaakten. Het college acht ter zake een nieuw onderzoek nodig.

2.2. Vooropgesteld wordt dat het college de bevoegdheid toekomt om een door hem genomen besluit in te trekken. Of het college in een concreet geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kan maken, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Uit de stukken blijkt dat [partij] bij brief van 17 december 2010 tegen het besluit van 23 november 2010 bezwaar heeft gemaakt bij het college. Het college heeft het bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgestuurd naar de Afdeling, waar het op 12 juli 2011 is ingekomen. Aangezien ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan ter zake bepalend is, is tijdig beroep ingesteld, zodat het besluit van 23 november 2010 geen formele rechtskracht heeft verkregen.

Na de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie heeft het college een akoestisch onderzoek laten verrichten. Op basis van het daarvan opgemaakte rapport, waarin staat dat het deelgeluidniveau van de ventilatoren 37 dB(A) bedraagt en dat derhalve de ingevolge de milieuvergunning geldende geluidgrenswaarde van 30 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden, heeft het college aanleiding gezien om aan [partij] een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van de milieuvergunning wat betreft de geluidvoorschriften. Het akoestisch rapport was voor de op het bezwaar te nemen beslissing derhalve van aanmerkelijk belang, zodat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat [partij] in strijd met artikel 7:9 van de Awb daarover niet is gehoord.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college reeds hierom niet in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien om het besluit van 23 november 2010 in te trekken. Aan de vraag of het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat bij nader inzien het akoestisch rapport, nu daarin geen definitief oordeel ten aanzien van het (mogelijk) tonale karakter van de situatie kon worden gegeven, niet had moeten leiden tot oplegging van de last onder dwangsom en derhalve ook de intrekking van het besluit van 23 november 2010 rechtvaardigde, wordt dan ook niet toegekomen.

Het beroep is ongegrond.

Besluit van 14 mei 2012

3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte bij het bestreden besluit van 14 mei 2012 zijn verzoeken om handhaving heeft afgewezen. Hij betwijfelt of het aan het besluit ten grondslag gelegde rapport, reeds nu dat door het college is opgesteld, daarvoor voldoende grond kan bieden. Ook stelt hij dat in het aan het besluit ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek niet is uitgegaan van de representatieve situatie. Hiertoe voert hij aan dat [partij] van tevoren was geïnformeerd over de datum en het tijdstip waarop de metingen zouden worden uitgevoerd, zodat de ventilatoren ten tijde van de metingen mogelijk niet voluit in werking waren. Hij acht het voorts niet juist dat alleen de geluidemissie in de nachtperiode is beschouwd.

3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor bestuurlijke handhaving van de milieuvergunning, nu uit een rapport van 11 november 2011, opgemaakt van een akoestisch onderzoek, volgt dat het geluid van de ventilatoren geen tonaal karakter heeft en het geluidniveau zodanig is dat de in de milieuvergunning opgenomen geluidgrenswaarden niet worden overschreden.

3.2. Ingevolge het aan de vergunning van 22 maart 1994 verbonden voorschrift 1.1, eerste lid, mag, voor zover van belang, het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige vast opgestelde toestellen ter plaatse van de ter plaatse van woningen van derden niet meer bedragen dan het referentieniveau ter plaatse, met dien verstande dat het equivalent geluidsniveau niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode en het equivalent geluidsniveau niet minder behoeft te bedragen dan 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode.

3.3 Aan het bestreden besluit heeft het college een intern rapport van 11 november 2011 ten grondslag gelegd. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek, reeds omdat dit ten dele is verricht door iemand die werkzaam is bij de gemeente, ondeugdelijk is.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de geluidmetingen niet een representatief beeld van de te verwachten geluidhinder geven. Anders dan [appellant] stelt, is niet aannemelijk geworden dat de ventilatoren niet normaal in gebruik waren. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat op het moment van de meting varkens aanwezig waren in de stallen, en wegens het welzijn van de varkens de ventilatoren normaal in gebruik waren.

De van belang zijnde geluidmeting betreffende het karakter van het door de ventilatoren veroorzaakte geluid is verricht door DGMR raadgevende ingenieurs B.V. Bij de beoordeling van de tonaliteit van het geluid is toepassing gegeven aan de kritische bandbreedtemethode. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juni 2006 in zaak nr. 200509480/1) is de kritische bandbreedtemethode een representatieve methode waarmee tonaliteit kan worden vastgesteld. In het rapport wordt geconcludeerd dat het door de ventilatoren veroorzaakte geluid geen tonaal karakter heeft. Gesteld noch gebleken is dat dit onjuist is. Nu in het rapport staat vermeld dat in de nachtperiode een equivalent geluidniveau optreedt van 30 dB(A), wordt de geluidgrenswaarde van 30 dB(A) in die periode niet overschreden. Anders dan door [appellant] betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het rapport de nachtperiode ten onrechte als de maatgevende periode is beschouwd. In de nachtperiode is het referentieniveau van het omgevingsgeluid en in dit geval eveneens de geluidgrenswaarde het laagst en zal een mogelijke overtreding zich eerder voordoen. Uit de omstandigheid dat in de nachtperiode aan de voorgeschreven geluidgrenswaarde wordt voldaan volgt in dit geval dat ook in de andere perioden de geluidgrenswaarden worden nageleefd.

Gelet hierop was het college niet bevoegd ter zake handhavend op te treden en heeft het terecht bij besluit van 14 mei 2012 het verzoeken om handhavend op te treden afgewezen.

Het beroep is ongegrond.

4. Omdat het college [appellant] niet erover heeft geïnformeerd dat tegen het besluit van 23 november 2010 door [partij] beroep was ingesteld, verkeerde hij ten tijde van het indienen van beroep tegen het besluit van 10 mei 2011 in de veronderstelling dat het besluit van 23 november 2010 formele rechtskracht had. Deze vermeende formele rechtskracht vormde voor hem een belangrijke grond om de juistheid van de intrekking van dat besluit in rechte te betwisten. Gelet hierop en gezien de lange duur van de procedure, ziet de Afdeling aanleiding voor veroordeling van het college in de proceskosten, welke bestaan uit rechtsbijstand- en reiskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 924,72, (zegge: negenhonderdvierentwintig euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

163-738.