Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
201204705/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2012, corsanummer 1200024287, heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006, herziening 1" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204705/1/R1.

Datum uitspraak: 19 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex "De Eendracht 2000" te Enschede, gevestigd te Enschede, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2012, corsanummer 1200024287, heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006, herziening 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2012, waar de Vereniging en anderen, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de Vereniging, en C. Grit, en de raad, vertegenwoordigd door M.E. Schaepers-Arends en J.E.A. Delnaay, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Met het bestemmingsplan beoogt de raad een tunnel voor fietsers en voetgangers mogelijk te maken om zo het gebied ten noorden van het station Enschede met het centrum van Enschede te verbinden en een extra ingang naar het stationsgebouw te creëren.

2.    De Vereniging heeft mede namens de huurders van het appartementencomplex De Eendracht beroep ingesteld. Wanneer de ondertekenaar van een beroepschrift, waarmee een geding aanhangig is gemaakt, het oogmerk heeft voor een ander in beroep te komen, dient van de bevoegdheid tot het instellen van een zodanig beroep te blijken. Teneinde deze bevoegdheid vast te stellen, kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden verlangd dat de ondertekenaar zijn bevoegdheid aantoont en kan indien daaraan niet wordt voldaan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.    De Vereniging heeft bij zijn beroepschrift niet aangetoond bevoegd te zijn om mede namens de huurders van het appartementencomplex De Eendracht op te treden. Bij brief van 9 mei 2012 is de Vereniging op dit verzuim gewezen. Daarbij is medegedeeld dat zij tot en met 30 mei 2012 de gelegenheid heeft om dit verzuim te herstellen. Tevens is vermeld dat indien de Vereniging van deze gelegenheid geen gebruik zou maken, er rekening mee gehouden moet worden dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard.

    Bij brief van 21 mei 2012 heeft de Vereniging onder meer een kopie overgelegd van een akte van splitsing van 27 december 2007, bij welke de Vereniging is opgericht. In artikel 46, derde lid, van voornoemde akte staat dat de vereniging het beheer van het gebouw en de grond ten doel heeft en het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de eigenaars. Niet is gebleken dat de Vereniging bevoegd is op te treden namens de huurders van het appartementencomplex. Dat de verhuurder eveneens eigenaar is en diens belangen zodoende door de Vereniging worden behartigd maakt dit niet anders, nu de Vereniging slechts bevoegd is de belangen van de verhuurder in de hoedanigheid van eigenaar te behartigen.

    Het beroep van de Vereniging, voor zover ingesteld namens de huurders van het appartementencomplex De Eendracht, is niet-ontvankelijk.

3.    Wat betreft het betoog van de Vereniging dat de raad niet voor een herziening van het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006" heeft kunnen kiezen, omdat met een herziening van een bestemmingsplan onvoldoende oog bestaat voor de wenselijkheid van de tunnel voor voetgangers en fietsers in zijn omgeving, overweegt de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat het onderhavige plan een herziening van een ander bestemmingsplan betreft geen aanleiding vormt voor het oordeel dat reeds daarom de raad niet de bij de voorbereiding van een bestemmingsplan te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Ook in geval van een beperkte planherziening dienen de gevolgen daarvan voor de omgeving in ogenschouw te worden genomen.

4.    De Vereniging betoogt dat ten onrechte niet is aangegeven waar de tunnel voor voetgangers en fietsers precies zal worden aangelegd en welke afmetingen deze zal hebben. In dit verband stelt zij dat ten onrechte geen verbeelding is vastgesteld waarop de ligging van de tunnel is aangeduid en geen bouwregels zijn vastgesteld. Volgens de Vereniging zou het logisch zijn om de tunnel aansluitend aan de Brandweerstraat te bestemmen en niet tegenover het appartementencomplex. Zij vreest overlast van de tunnel indien deze tegenover het appartementencomplex zal worden gerealiseerd. Voorts wijst zij erop dat de bestemming "Groenvoorzieningen" voor de aangrenzende gronden geen tunnelingang toestaat. Zij betoogt tevens dat de gevolgen van de tunnel voor de waterhuishouding onvoldoende zijn bezien en dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is aangetoond.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet rechtsonzeker is, omdat de tunnel voor voetgangers en fietsers uitsluitend binnen de bestemming "Railverkeer" is toegestaan. Volgens de raad hoeven geen bouwregels te worden vastgesteld, omdat de tunnel voor voetgangers en fietsers een ondergronds bouwwerk is dat niet ruimtelijk ingepast hoeft te worden en vanwege de beschikbare ruimte voor de tunnel naast het stationsgebouw de ontwikkeling al wordt beperkt. Omdat de bestemming "Groenvoorzieningen" in- en uitritten en wandel- en fietspaden toestaat is volgens de raad een toegang naar de tunnel ter plaatse mogelijk. De locatie tegenover de Brandweerstraat heeft volgens de raad als nadeel dat de tunnel onder vier sporen door aangelegd moet worden in plaats van onder één en er dan geen directe aansluiting van de tunnel naar de stationshal mogelijk is.

4.2.    Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, aanhef en onder f en onder n, van de planregels, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Railverkeer" - binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak en daarbuiten - bestemd voor tunnels voor voetgangers en fietsers.

4.3.    Aan de gronden voor het station en de spoorlijnen is in het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006" de bestemming "Railverkeer" toegekend. Het plandeel met de bestemming "Railverkeer" ligt op een afstand van ongeveer 28 m van het appartementencomplex. Aan het plandeel dat ligt tussen het appartementencomplex en het plandeel met de bestemming "Railverkeer" is in het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006" de bestemming "Groenvoorzieningen" toegekend.

    Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006" zijn de op de kaart voor "Groenvoorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. (de aanleg en instandhouding van) groenstroken, waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen in het kader van de waterberging;

b. in- en uitritten, wandel- en fietspaden;

c. speelvoorzieningen;

d. nutsvoorzieningen, genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdrubriek Nutsvoorzieningen van de bij deze voorschriften behorende bijlage A;

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair en andere werken.

    Ingevolge lid 7.2.1 mogen op de voor "Groenvoorzieningen" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van deze bestemming, zoals straatmeubilair, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen.

    Ingevolge lid 7.2.2, aanhef en onder f, geldt voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde dat voor overige bouwwerken een maximale hoogte van 3 m geldt.

4.4.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat uitsluitend direct naast het stationsgebouw ten westen daarvan een tunnel voor voetgangers en fietsers zal worden gebouwd om zo het gebied ten noorden van het station met het centrum te verbinden en tevens een extra ingang te realiseren naar het stationsgebouw. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze locatie geschikt is voor een tunnel voor voetgangers en fietsers. Daarbij acht zij van belang dat indien de tunnel tegenover de Brandweerstraat gerealiseerd zou worden het niet mogelijk is om via de tunnel een ingang naar het stationsgebouw te realiseren en er op die locatie meer sporen ondergraafd moeten worden, waardoor de bouwkosten hoger zullen zijn. Ook in de door de Vereniging gevreesde overlast vanwege verstoring van de openbare orde en aantasting van de sociale veiligheid ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De enkele aanwezigheid van een tunnel voor voetgangers en fietsers leidt er niet toe dat onaanvaardbare hinder zal plaatsvinden. Voorts is niet gebleken dat de gevreesde hinder niet door middel van handhaving bestreden of voorkomen kan worden. Wat betreft het betoog van de Vereniging dat de gevolgen van de tunnel voor de waterhuishouding onvoldoende in de plantoelichting zijn bezien, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat het waterschap Regge en Dinkel in een vroeg stadium bij het plan betrokken is en dat de invloed van de tunnel op de waterhuishouding beperkt is en acceptabel wordt geacht. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van de tunnel voor de waterhuishouding onvoldoende zijn bezien.

    De Afdeling stelt echter vast dat het plan overal ter plaatse van de bestemming "Railverkeer" tunnels voor voetgangers en fietsers toestaat. Tevens stelt de Afdeling vast dat het plan noch het bestemmingsplan "Stadscentrum 2006" regels bevat over de maximale lengte of breedte van tunnels voor voetgangers en fietsers. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het plan wat betreft het toestaan van de tunnels voor voetgangers en fietsers niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

    Daarenboven merkt de Afdeling op dat met de tunnel wordt beoogd dat deze de functie van verbinding tussen het gebied ten noorden van het station en het centrum zal krijgen. Nu de raad voor de toegangswegen naar de tunnel verwijst naar de mogelijkheid om binnen de bestemming "Groenvoorzieningen" voet- en fietspaden aan te leggen, overweegt de Afdeling dat daarmee onvoldoende duidelijk is of de raad met deze wijze van bestemmen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat vanwege de beoogde functie van de tunnel de toegangsweg een de zijde van het appartementencomplex een veelgebruikte verbindingsroute zal worden. Dat de raad heeft volstaan met de bestemming "Groenvoorzieningen" voor de gronden voor de toegangsweg duidt erop dat de raad dit niet heeft gedaan.

    Voorts overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat de tunnel voor voetgangers en fietsers deel uitmaakt van het project Stationsomgeving Noord. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat hoewel de gemeente beschikt over voldoende middelen om de tunnel te realiseren, deze alleen gelegd zal worden indien het project Stationsomgeving Noord ook gerealiseerd wordt. Voor dit laatste project is een subsidie nodig van de provincie Overijssel, die nog niet is verleend. De raad zal in september 2012 besluiten of het project doorgang kan vinden, aldus de raad ter zitting. Daaruit leidt de Afdeling af dat de uitvoerbaarheid van de tunnel voor voetgangers en fietsers nog niet verzekerd is.

5.    In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 13, lid 13.1.1, onder f en onder n, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de vereniging Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex "De Eendracht 2000" te Enschede, voor zover ingesteld namens de huurders van het appartementencomplex De Eendracht, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van de vereniging Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex "De Eendracht 2000" te Enschede voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Enschede van 12 maart 2012, corsanummer 1200024287, wat betreft artikel 13, lid 13.1.1, onder f en onder n, van de planregels;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Enschede aan de vereniging Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex "De Eendracht 2000" te Enschede het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012

91-655.