Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
201207532/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dat de vreemdeling zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden geeft, tezamen met de aan de maatregel ten grondslag gelegde, niet betwiste grond dat hij zich niet heeft gehouden aan één of meer voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000, in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal ontrekken dan wel de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. […].

De vreemdeling heeft in dit geval onweersproken aangevoerd dat hij in een door de gemeente Tubbergen beschikbaar gestelde woning woont en dat hij tot en met juni 2012 een bijstandsuitkering en zorgtoeslag heeft ontvangen. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en dat zijn Burundese identiteitskaart reeds in het bezit was van de Vreemdelingenpolitie Twente. Voorts heeft de vreemdeling onweersproken aangevoerd dat hij zich tijdens de twee jaren voorafgaand aan de inbewaringstelling steeds aan zijn wekelijkse meldplicht gehouden, waarbij hem nimmer te kennen is gegeven dat hij Nederland dient te verlaten. Tevens heeft de vreemdeling steeds te kennen gegeven dat hij naar Burundi terug wil keren als hij in Nederland is uitgeprocedeerd.

Onder deze omstandigheden bestond ten tijde van het besluit tot oplegging van de maatregel geen grond om aan te nemen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan in dit geval niet worden gedragen door de daarin genoemde omstandigheden en is van meet af aan onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/442
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207532/1/V3.

Datum uitspraak: 6 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 26 juli 2012 in zaak nr. 12/21363 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juli 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de enige grief onder meer dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

De vreemdeling betoogt hiertoe dat hij zich tot zijn staandehouding steeds aan zijn wekelijkse meldplicht heeft gehouden, een door de gemeente Tubbergen beschikbaar gestelde vaste woon- of verblijfplaats heeft en beschikt over voldoende middelen van bestaan, omdat hij een uitkering ontvangt. Gelet hierop en nu de vreemdeling niet op de hoogte was van (de inhoud van) de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2009 in de procedure tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel, verkeerde hij in de veronderstelling nog steeds rechtmatig in Nederland te verblijven. Voorts heeft de vreemdeling steeds te kennen gegeven dat hij naar Burundi terug wil keren als hij in Nederland is uitgeprocedeerd, is zijn Burundese identiteitsdocument reeds enige tijd in het bezit van de Vreemdelingenpolitie Twente en heeft hij nimmer een misdrijf gepleegd.

1.1. In de maatregel van bewaring is aangegeven dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

- zich niet heeft gehouden aan een of meer voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000); en

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daartoe besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven.

1.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Bij uitspraak van 11 augustus 2009, verzonden op 20 augustus 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 december 2009 heeft de Afdeling het door de vreemdeling tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. De minister heeft zich ter zitting bij de rechtbank onweersproken op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een vertrektermijn van 28 dagen heeft gekregen.

1.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling bekend is met voormeld besluit van 3 oktober 2008 en voormelde uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2009. Nu het tegen deze uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep geen schorsende werking heeft, is zijn vertrektermijn reeds op 17 september 2009 verstreken en is de vraag, of de vreemdeling bekend was met voormelde uitspraak van de Afdeling van 31 december 2009, in zoverre niet relevant. Nu de vreemdeling Nederland niet voor 17 september 2009 heeft verlaten, kon aan de maatregel ten grondslag worden gelegd dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden.

1.4. Dat de vreemdeling zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden geeft, tezamen met de aan de maatregel ten grondslag gelegde, niet betwiste grond dat hij zich niet heeft gehouden aan één of meer voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000, in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal ontrekken dan wel de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure zal ontwijken of belemmeren.

1.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2011 in zaak nr. 201107762/1/V3; www.raadvanstate.nl) dient het gedrag van de betrokken vreemdeling van geval tot geval te worden beoordeeld. Telkenmale dient te worden beoordeeld of de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden ten tijde van het besluit tot oplegging van de maatregel aanleiding gaven voor het oordeel dat geen grond bestond om aan te nemen dat er een risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken of dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.

De vreemdeling heeft in dit geval onweersproken aangevoerd dat hij in een door de gemeente Tubbergen beschikbaar gestelde woning woont en dat hij tot en met juni 2012 een bijstandsuitkering en zorgtoeslag heeft ontvangen. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en dat zijn Burundese identiteitskaart reeds in het bezit was van de Vreemdelingenpolitie Twente. Voorts heeft de vreemdeling onweersproken aangevoerd dat hij zich tijdens de twee jaren voorafgaand aan de inbewaringstelling steeds aan zijn wekelijkse meldplicht gehouden, waarbij hem nimmer te kennen is gegeven dat hij Nederland dient te verlaten. Tevens heeft de vreemdeling steeds te kennen gegeven dat hij naar Burundi terug wil keren als hij in Nederland is uitgeprocedeerd.

1.6. Onder deze omstandigheden bestond ten tijde van het besluit tot oplegging van de maatregel geen grond om aan te nemen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan in dit geval niet worden gedragen door de daarin genoemde omstandigheden en is van meet af aan onrechtmatig.

De grief slaagt in zoverre.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 juli 2012 van de minister alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de

Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 2 juli 2012 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 26 juli 2012 in zaak nr. 12/21363;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 5.330,00 (zegge: vijfduizend driehonderddertig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2012

53-699.

Verzonden: 6 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser