Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201200055/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Werklandschap Assen-Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/2565
JG 2012/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200055/1/R4.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Assen,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Den Haag,

en

de raad van de gemeente Assen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan en exploitatieplan "Werklandschap Assen-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar [appellante sub 1], bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door J.M.M. Polman en mr. G.G. Kranendonk, [appellant sub 2] en anderen, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door mr. J.L. Zijlma, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door O.B. Coenraadts, mr. A. Oost en P.G. Faber, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

Overwegingen

Crisis- en herstelwet

1. Vaststaat dat de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing is op het plan. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het indienen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. In de publicatie van het bestreden besluit is ook vermeld dat de Chw van toepassing is op het plan.

1.1. [appellante sub 1] heeft voor het eerst ter zitting een beroepsgrond aangevoerd die ziet op haar vrees dat door het plan vervuilende bedrijven in de omgeving van haar bedrijf kunnen worden gevestigd die de aanleg van visvijvers buiten haar huidige bouwvlak onmogelijk maken. Deze beroepsgrond is buiten de beroepstermijn ingediend, zodat deze ingevolge artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing dient te worden gelaten door de Afdeling.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de aanleg van een lokaal bedrijventerrein ten zuiden van Assen. Het plangebied wordt globaal begrensd door de A28 aan de westzijde, de N33 aan de noordzijde, de spoorlijn Groningen-Zwolle aan de oostzijde en de hoofdwatergang van het Waterschap Hunze en Aa's aan de zuidzijde.

Het beroep van [appellante sub 1]

Bestemming perceel [locatie 1]

3. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Wonen" en de aanduiding "tuincentrum", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 1] te Assen. Onder verwijzing naar het conceptrapport "Beoordeling effecten verkeersmaatregelen door realisatie van het projectplan FlorijnAs binnen het Masterplan Assen Zuid" van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf van 16 december 2011, waarvan de definitieve versie is gedateerd 19 maart 2012 (hierna: het IMK-rapport), voert zij hiertoe aan dat door het plan haar bedrijfsvoering zodanig ernstig wordt belemmerd dat haar bedrijf niet meer levensvatbaar is. In dit verband wijst zij op het te krappe bouwvlak voor haar bedrijf, waardoor uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie niet mogelijk is.

Voorts betoogt [appellante sub 1] dat haar bedrijf onvoldoende bereikbaar zal zijn, nu de regionale ontsluitingsweg aan de Graswijk als gevolg van het plan zal worden afgesloten door middel van een zogenoemde knip en uitsluitend zal dienen voor de lokale ontsluiting van bedrijven en woningen op het voorziene bedrijventerrein. Volgens [appellante sub 1] heeft de raad de beoordeling van de verkeerskundige afwikkeling nabij haar bedrijf ten onrechte doorgeschoven naar een te nemen verkeersbesluit en is geen rekening gehouden met het feit dat haar bedrijf, een tuincentrum, detailhandel omvat, waarvoor een ander soort bereikbaarheid en parkeernorm gelden dan voor bedrijvigheid.

3.1. De raad stelt, onder verwijzing naar de planschaderisicoanalyse van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van 15 mei 2012, dat door het plan de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] niet onevenredig wordt belemmerd. Het plan leidt volgens de raad zelfs tot verbetering van de levensvatbaarheid van het bedrijf. Volgens de raad is het bedrijf op een natuurlijke manier ingepast binnen de bestaande structuren, de thans gevestigde en door het plan mogelijk gemaakte bedrijven en versterkt de functie van het tuincentrum het groene en landschappelijke karakter van het voorziene bedrijventerrein.

De raad stelt voorts dat de bereikbaarheid van het gebied zal verbeteren door een voorziene ontsluiting vanaf de A28, waardoor nieuwe potentiële klanten het gebied zullen aandoen. Het tuincentrum zal bereikbaar blijven voor bezoekers en bevoorrading. Het plan voorziet volgens de raad niet in de afsluiting van de regionale ontsluitingsweg aan de Graswijk. Hieromtrent zal een apart verkeersbesluit worden genomen. Een nadere concretisering van de inrichting van het gebied zal in het uitwerkingsplan plaatsvinden, aldus de raad.

3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels zijn de voor "Bedrijf-Wonen" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van een tuincentrum, ter plaatse van de aanduiding "tuincentrum".

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, voor zover hier van belang, mag het bebouwingspercentage per bouwperceel ten hoogste 70% bedragen.

Onder 3.2.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat gebouwen binnen een bouwvlak dienen te worden gebouwd.

Onder 3.2.3, sub c, is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen per bouwperceel ten minste 300 m2 dient te bedragen.

3.3. Met betrekking tot het door [appellante sub 1] overgelegde IMK-rapport overweegt de Afdeling dat zowel het concept als de definitieve versie daarvan dateren van na het bestreden besluit, zodat de raad dit niet bij de vaststelling van het plan heeft kunnen betrekken.

3.4. Gelet op de mogelijkheden die artikel 3 van de planregels biedt, stelt de Afdeling vast dat, in vergelijking met het vorige plan "Buitengebied, herziening artikel 30 WRO", dat de raad op 18 december 2008 heeft vastgesteld en dat, voor zover hier van belang, op 23 juni 2009 is goedgekeurd, waarin aan het perceel ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 1] een agrarische bestemming was toegekend en een uitbreiding van de bebouwing met 10% was toegestaan, door het onderhavige plan de omvang van de te bebouwen oppervlakte voor het bedrijf van [appellante sub 1] toeneemt. [appellante sub 1] heeft niet nader onderbouwd waarom de omvang van het bouwvlak onvoldoende zou zijn en haar bedrijfsvoering zodanig ernstig wordt belemmerd dat haar bedrijf niet meer levensvatbaar is.

Voorts ziet de Afdeling in de door [appellante sub 1] niet nader onderbouwde stelling dat door het plan haar bedrijf onvoldoende bereikbaar zal zijn geen aanleiding voor het oordeel dat de bereikbaarheid en verkeerskundige afwikkeling van en rondom het bedrijf met het plan onvoldoende zijn gewaarborgd. Voor zover het beroep van [appellante sub 1] erop is gericht om de realisatie van een zogenoemde knip in de Graswijk te voorkomen, overweegt de Afdeling dat een zodanige knip niet in de bindende onderdelen van het plan is opgenomen. Bezwaren daartegen kunnen dan ook niet in deze procedure aan de orde komen, maar in een procedure tegen een hieromtrent te nemen verkeersbesluit.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het perceel [locatie 1] voornoemde bestemming en aanduiding heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Aanduiding "bedrijfswoning" perceel [locatie 1]

4. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de aanduiding "bedrijfswoning" op het perceel [locatie 1]. Zij voert hiertoe aan dat in het vorige plan, anders dan de raad stelt, haar woning als burgerwoning was bestemd en dat door voornoemde aanduiding de woning minder waard wordt, nu deze niet los van haar bedrijf kan worden verkocht.

4.1. De raad heeft ter zitting gesteld dat de woning naast het tuincentrum in het vorige plan eveneens als bedrijfswoning was bestemd, maar dat in het onderhavige plan ter plaatse zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning mogelijk is. De raad wijst op de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om planschadevergoeding.

4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijf-Wonen" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve (bedrijfs)woningen.

4.3. In het vorige plan, "Buitengebied, herziening artikel 30 WRO", dat de raad op 18 december 2008 heeft vastgesteld en dat, voor zover hier van belang, op 23 juni 2009 is goedgekeurd, was aan het perceel ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] de bestemming "Jonge veld- en veenontginningen" en de aanduiding "tuincentrum" toegekend. Binnen deze bestemming was ten hoogste één dienst-/bedrijfswoning toegestaan. Ter zitting heeft de raad onweersproken toegelicht dat met de thans toegekende aanduiding is beoogd ter plaatse een bedrijfswoning toe te staan, maar dat op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels een burgerwoning ook mogelijk is. Gelet hierop mist het betoog van [appellante sub 1] feitelijke grondslag.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van woning van [appellante sub 1] betreft, bestaat, mede gelet op het vorenstaande, geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Het betoog faalt.

Milieuzonering

5. [appellante sub 1] betoogt dat ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 1] niet wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Zij vreest voor aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van onder meer geluidhinder, nu binnen het naastgelegen plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken" planologisch nieuw bestemde bedrijven tot milieucategorie 4.2 worden toegestaan.

5.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat voor de afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige gebouwen, zoals woningen, artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels in acht dient te worden genomen.

5.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijventerrein-Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2".

Ingevolge lid 10.2, aanhef en onder f, werken burgemeester en wethouders de in lid 10.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regel: de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

5.3. Bij besluit van 12 september 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen in verband met de vaststelling van het plan met toepassing van artikel 45, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) een hogere grenswaarde van 51 dB(A) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor de woning op het perceel [locatie 1] te Assen.

5.4. De raad heeft de VNG-brochure niet gehanteerd. In het plan is voor het bepalen van de afstand tussen bedrijvigheid en gevoelige gebouwen aangesloten bij de geluidnormering zoals die in artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels is opgenomen.

Met de ruime bestemmingsomschrijving in artikel 10, lid 10.1, van de planregels, waarbij binnen het naast voornoemde woning gelegen plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken" bedrijven met milieucategorie 1 tot en met 4.2 zijn toegestaan, wordt naar het oordeel van de Afdeling een uitwerking mogelijk gemaakt waarbij voor de afstand tussen bedrijvigheid en gevoelige gebouwen kan worden voldaan aan de geldende waarden als bedoeld in artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels, waaronder de voor voornoemde woning vastgestelde hogere grenswaarde van 51 dB(A). Bij het besluit over het uitwerkingsplan dient door het college van burgemeester en wethouders te worden getoetst of aan de in artikel 48 en artikel 76 van de Wgh bedoelde grenswaarden wordt voldaan. Tevens dient dan te worden getoetst of het uitwerkingsplan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven (uitwerkings)regels niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de totstandkoming daarvan niet in strijd is met het recht. De vestiging van bedrijven met ten hoogste milieucategorie 4 binnen het desbetreffende gebied ligt, gelet op de flexibiliteit die het plan daarin biedt, derhalve ter toetsing voor in het uitwerkingsplan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten gevolge van het plan ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 1] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Conclusie

6. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan

Procedureel bezwaar

7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de beantwoording van de zienswijzen dermate vaag en algemeen is dat geen deugdelijke motivering voor bepaalde beleidskeuzen of afwegingen is gegeven.

7.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Bestemming "Groen" perceel [locatie 2]

8. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Groen" die is toegekend aan het perceel [locatie 2] te Assen. Zij betogen dat het gebruik van hun op het perceel aanwezige recreatiewoning met bijbehorende opstallen ten onrechte niet als zodanig is bestemd, maar opnieuw onder de werking van het overgangsrecht is gebracht. Volgens [appellant sub 2] en anderen valt niet te verwachten dat de toegekende groenbestemming binnen de planperiode kan worden gerealiseerd.

8.1. De raad heeft er voor gekozen om het gebruik van de niet permanent bewoonde recreatiewoning niet als zodanig te bestemmen. De raad stelt dat recreatief gebruik nabij en op het voorziene bedrijventerrein niet passend is.

8.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, van de planregels, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Onder d is bepaald dat sublid a niet van toepassing is op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

8.3. In beginsel dient bestaand legaal gebruik dienovereenkomstig te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt en dat het bestaande gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd.

Niet in geschil is dat het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen onder het overgangsrecht van het vorige plan, "Buitengebied, herziening artikel 30 WRO", is gebracht. In het onderhavige plan heeft de raad het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen opnieuw onder het overgangsrecht gebracht.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 april 2012 in zaak nr. 201003902/1/R4 en 23 mei 2012 in zaak nr. 201108262/1/R2 overweegt de Afdeling dat uit de omstandigheid dat sinds de aanvang van het gebruik als recreatiewoning niet is opgetreden tegen dit gebruik en uit de omstandigheid dat het gebruik al langere tijd onder de werking van het overgangsrecht valt, niet volgt dat aan het desbetreffende perceel een woonbestemming moet worden toegekend. Het uitgangspunt van het plan, een bedrijventerrein met een groen en landschappelijk karakter, staat er aan in de weg het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen als zodanig te bestemmen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat, indien nodig, het middel van onteigening zal worden ingezet om het desbetreffende perceel te verwerven. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling aannemelijk dat het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen binnen de planperiode wordt beëindigd en de groenbestemming in zoverre binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Groen" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken"

9. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken", voor zover betrekking hebbend op de naast hun recreatiewoning gelegen gronden. Zij voeren hiertoe aan dat deze bestemming, op één meter afstand van hun recreatiewoning, zal leiden tot aantasting van de gebruiksmogelijkheden van hun recreatiewoning en het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze recreatiewoning. Volgens hen is ten onrechte niet aangesloten bij de aanbevolen richtafstanden uit de VNG-brochure. Voorts betogen zij dat de raad bij de uitgevoerde geluidonderzoeken ten onrechte de recreatiewoning niet heeft betrokken. Zij voeren in dit verband aan dat hun recreatiewoning is gelegen binnen de contour van de geluidzone en door cumulatie van diverse bronnen, de geluidbelasting op hun recreatiewoning verder zal toenemen.

9.1. De raad stelt dat recreatief gebruik van de recreatiewoning niet passend is op en nabij het voorziene bedrijventerrein. De recreatiewoning is niet als zodanig bestemd en zal binnen afzienbare termijn verdwijnen, aldus de raad. De recreatiewoning is daarom niet is betrokken bij de geluidonderzoeken. Zolang de recreatiewoning er staat, zullen echter de planregels in acht zullen worden genomen en kan ter plaatse van de recreatiewoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gewaarborgd, aldus de raad

9.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijventerrein-Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3.1 en 3.2.

Ingevolge sub 3, voor zover hier van belang, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein-hoogwaardige dienstverlening" hoogwaardige dienstverlening mogelijk.

9.3. De raad heeft de VNG-brochure niet gehanteerd. In het plan is voor het bepalen van de afstand tussen bedrijvigheid en gevoelige gebouwen aangesloten bij de geluidnormering zoals die in artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels is opgenomen.

Met de ruime bestemmingsomschrijving in artikel 10, lid 10.1, van de planregels, waarbij binnen het naast voornoemde recreatiewoning gelegen plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken" bedrijven met categorie 1 tot en met 3.2 zijn toegestaan, wordt naar het oordeel van de Afdeling een uitwerking mogelijk gemaakt waarbij voor de afstand tussen bedrijvigheid en gevoelige gebouwen kan worden voldaan aan de voor die gebouwen geldende waarden als bedoeld in artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels. Bij het besluit over het uitwerkingsplan dient door het college van burgemeester en wethouders te worden getoetst of aan de in artikel 48 en artikel 76 van de Wgh bedoelde grenswaarden wordt voldaan. Daargelaten in hoeverre in dat kader aan de recreatiewoning bescherming toekomt, dient bij toepassing van artikel 10, lid 10.1, van de planregels in elk geval ten aanzien van gevoelige gebouwen die zich in de omgeving van de recreatiewoning bevinden aan de in artikel 48 en artikel 76 van de Wgh bedoelde waarden te worden getoetst. Gelet op de ligging van de recreatiewoning in de omgeving van de woning Graswijk 25a, geniet de recreatiewoning aldus een afgeleide bescherming. Tevens dient dan te worden getoetst of het uitwerkingsplan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven (uitwerkings)regels niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de totstandkoming daarvan niet in strijd is met het recht. De vestiging van bedrijven met ten hoogste milieucategorie 3 binnen het desbetreffende gebied ligt, gelet op de flexibiliteit die het plan daarin biedt, derhalve ter toetsing voor in het uitwerkingsplan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten gevolge van het plan ter plaatse van de recreatiewoning op het perceel [locatie 2] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. De Afdeling ziet in het aangevoerde ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de gronden naast voornoemde recreatiewoning niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijventerrein-Uit te werken" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Gastank

10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad bij de uitgevoerde onderzoeken ten onrechte de gastank nabij de recreatiewoning niet heeft betrokken. Zij voeren in dit verband aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de veiligheidsafstand die geldt voor de nabij hun recreatiewoning aanwezige gastank.

10.1. De raad stelt, wat de gastank betreft, dat de veiligheid ter plaatse van de recreatiewoning is gewaarborgd. Hiertoe wijst hij op een memo van DHV van 27 april 2012.

10.2. In het memo van DHV van 27 april 2012 wordt onder meer vermeld dat ingevolge het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) voor de afstand tussen inrichtingen en (beperkt) kwetsbare objecten voor een opslagtank van maximaal 5.000 liter propaan, bij een bevoorrading van meer dan vijf keer per jaar, een afstand van 20 meter dient te worden aangehouden. Volgens het memo kan, hoewel de recreatiewoning geen inrichting is, naar analogie worden aangehouden dat nu de recreatiewoning over een opslagtank voor 2.500 liter propaan beschikt, op een aangrenzende kavel binnen een afstand van 20 meter van de opslagtank, veiligheidshalve geen bedrijf mag worden gevestigd. DHV beveelt aan dat het college van burgemeester en wethouders in het kader van het uitwerkingsplan, voor zover dat alsdan nog nodig zou zijn, onder meer deze richtafstand in zijn besluitvorming betrekt.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter plaatse van de recreatiewoning een veilig woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Boomgaard

11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de unieke boomgaard ter plaatse onjuist is bestemd. Zij voeren hiertoe aan dat de toegekende groenbestemming onvoldoende specifieke bescherming biedt.

11.1. De raad stelt dat de boomgaard, gelet op de bestemmingsomschrijving en het feit dat de gehele boomgaard en enkele omliggende gronden eveneens een groenbestemming hebben gekregen, voldoende is beschermd. In de gemeente Assen wordt de bestemming "Groen" gebruikt voor waardevolle boomgaarden en nog aan te leggen groenpercelen, aldus de raad.

11.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplanting;

(…);

c. paden en wegen;

e. de instandhouding en versterking van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing;

f. de instandhouding en bescherming van landschappelijke waarden;

(…).

11.3. In de plantoelichting staat dat de bestaande groenelementen in het plangebied zoveel mogelijk intact dienen te worden gelaten. Expliciet is de instandhouding en bescherming van landschappelijke en natuurwaarden genoemd. Binnen de bestemming "Groen" zijn gebouwen niet toegestaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn aan regels gebonden zoals maximale bouwhoogtes. De groenbestemming dient volgens de plantoelichting bij te dragen aan de ecologische waarden en landschappelijke inpassing van het werklandschap in de omgeving en bedrijfsgebouwen binnen het werklandschap.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de boomgaard de bestemming "Groen" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

12. [appellant sub 2] en anderen betogen dat, gezien de huidige economische situatie en de marktontwikkelingen, de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is gegarandeerd, nu ook de noodzaak voor het voorziene bedrijventerrein ontbreekt.

12.1. De raad stelt dat het plan financieel uitvoerbaar is.

12.2. In de plantoelichting staat dat de gemeente Assen een aanzienlijk deel van de benodigde gronden binnen het exploitatiegebied heeft verworven en dat de overige benodigde percelen indien mogelijk zullen worden aangekocht. Alle te verwachten kosten zijn opgenomen in de grondexploitatie werklandschap Assen-Zuid, waarbij ook alle kosten uit het exploitatieplan zijn overgenomen. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen erkend geen tegenonderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan te hebben overgelegd. In de enkele stelling van [appellant sub 2] en anderen dat de noodzaak van het voorziene bedrijventerrein is weggevallen door de economische crisis, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich, mede gelet op de periode waarover het plan zich uitstrekt en de gefaseerde ontwikkeling van het voorziene bedrijventerrein, niet in redelijkheid op de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken heeft kunnen baseren.

Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

Herhaling zienswijze

13. [appellant sub 2] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 2] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Conclusie

14. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het exploitatieplan

15. [appellant sub 2] en anderen betogen dat hun perceel [locatie 2] ten onrechte niet is opgenomen in het exploitatiegebied. Er is volgens hen sprake van planologische en/of functionele samenhang tussen het exploitatiegebied en hun perceel. Daarbij betogen zij dat de omliggende functies profijt hebben van het mogelijk verdwijnen van de recreatiewoning. Voorts wijzen zij erop dat, om de toegekende groenbestemming te kunnen verwezenlijken, kosten voor de verwerving en sloop van de recreatiewoning zullen moeten worden gemaakt. Door het perceel buiten het exploitatieplan te laten is er een onjuiste financiële raming van kosten en maken de benodigde gelden ten onrechte geen deel uit van het exploitatieplan.

Ontvankelijkheid

16. De raad stelt dat [appellant sub 2] en anderen geen belanghebbenden zijn bij de vaststelling van het exploitatieplan, nu hun perceel niet is opgenomen in het exploitatiegebied.

16.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

16.2. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wro. Indien de raad het door [appellant sub 2] en anderen genoemde perceel wel zou hebben betrokken in het exploitatieplan dan wel voor dat perceel een afzonderlijk exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant sub 2] en anderen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het desbetreffende onderdeel van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij eigenaren zijn van het door hen genoemde perceel.

Gelet hierop kunnen [appellant sub 2] en anderen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wro met betrekking tot het door hen genoemde perceel.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, is dan ook ontvankelijk.

Inhoudelijk

17. De raad stelt dat op het perceel van [appellant sub 2] en anderen geen nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt en dat het perceel is bestemd en behouden kan worden als groenperceel. Nu het desbetreffende perceel niet in het exploitatiegebied is opgenomen, is het perceel niet meegenomen bij de bepaling van de inbrengwaarden in het exploitatieplan, aldus de raad.

17.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011 in zaak nr. 200905555/1/R1 en 200906452/1/R1 overweegt de Afdeling dat, gelet op de systematiek van de Wro en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.13 van de Wro, de raad bij de vaststelling van een exploitatieplan het exploitatiegebied zodanig dient te begrenzen dat planologisch of functioneel een duidelijke samenhang tussen delen van het exploitatiegebied bestaat. Bij de toepassing van deze criteria komt de raad beoordelingsvrijheid toe.

17.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen duidelijke planologische en functionele samenhang bestaat tussen het exploitatiegebied en het perceel van [appellant sub 2] en anderen. In het exploitatieplan is toegelicht dat het te behouden groenperceel, met de aanwezige opstal, van [appellant sub 2] en anderen volledig is ingepast in het bestemmingsplan en dat op het desbetreffende perceel geen bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn voorzien. Voorts behoeven ter plaatse geen voorzieningen van openbaar nut te worden gerealiseerd. [appellant sub 2] en anderen zullen dan ook niet worden geconfronteerd met een verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van de gronden gelegen in het exploitatiegebied. De Afdeling verwijst hiervoor naar artikel 6.17, eerste lid, van de Wro. Voorts kan op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting worden vastgesteld dat [appellant sub 2] en anderen ook anderszins niet rechtstreeks financiële gevolgen zullen ondervinden in verband met in het exploitatieplan opgenomen percelen.

Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad het exploitatieplan in zoverre in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

Conclusie

18. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan in zoverre is genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, is ongegrond.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

271-650.