Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201103581/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/314
OGR-Updates.nl 2012-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103581/1/R1.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Limmen, gemeente Castricum,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de stichting Stichting GGZ Noord-Holland-Noord (hierna: GGZ), gevestigd te Heiloo,

5. [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B] (hierna: [appellanten sub 5]), beide gevestigd te Limmen, gemeente Castricum,

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Limmen, gemeente Castricum,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM B.V. Woningbouw B.V. (hierna: BAM B.V.), gevestigd te Bunnik,

8. [appellante sub 8], gevestigd te Limmen, gemeente Castricum,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Limmen, gemeente Castricum,

10. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]), beiden wonend te Limmen, gemeente Castricum,

11. [appellant sub 11], wonend te Limmen, gemeente Castricum,

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, GGZ en [appellanten sub 5] bij onderscheidenlijke brieven, bij Raad van State ingekomen op 19 april 2011, [appellanten sub 6], BAM B.V. en [appellante sub 8] bij onderscheidenlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2011, en [appellanten sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] bij onderscheidenlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], BAM B.V., [appellante sub 8] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2012, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.K. Koornneef, GGZ, vertegenwoordigd door drs. C.P. Trimp, werkzaam bij Adviesbureau ZorgVastgoed, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, [appellanten sub 6], bijgestaan door mr. M. Engelberts en A. Rabius, BAM B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Foppen, advocaat te Bunnik, en R. Bierman, werkzaam bij BAM B.V., [appellante sub 8], vertegenwoordigd door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, [appellanten sub 9], bij monde van [appellant sub 9A], [appellant sub 11] en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Heinen, advocaat te Arnhem, en M. Stijkel, J. van Boven en W. Voerman, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Het onderzoek ter zitting is onder toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschorst wat betreft het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen het beroep van [appellanten sub 9] is gericht, teneinde de raad in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te zenden.

De Afdeling heeft op 4 april 2012 met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend ten aanzien van de raming van de inbrengwaarde in het exploitatieplan wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3676, waarop het beroep van [appellant sub 3] ziet, teneinde de raad in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te zenden.

Bij brief van 16 april 2012, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2012, heeft de raad een reactie ingezonden. [appellanten sub 9] en [appellant sub 3] zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. [appellanten sub 9] hebben hiervan bij brief van 31 mei 2012 gebruik gemaakt.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

INTREKKING

1. Ter zitting heeft GGZ haar beroepsgrond die ziet op de toegekende agrarische bestemming aan een gedeelte van haar gronden en haar beroepsgrond inhoudende dat het exploitatieplan ten onrechte uitgaat van de fictie dat het gemeentebestuur de enige exploitant binnen het exploitatiegebied is, ingetrokken.

Ter zitting heeft [appellante sub 8] haar beroepsgronden die zien op het exploitatieplan ingetrokken.

HET BESTEMMINGSPLAN

Planbeschrijving

2. Het plan maakt deel uit van het project "Wonen in het Groen", dat in maart 2004 is gestart door de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland. Het project streeft onder meer naar de realisatie van 2.000 tot 2.400 woningen in het gebied tussen de duinen van Noord-Holland en de bebouwing van de kernen Limmen en Heiloo, de zogenoemde Zandzoom. Het voorliggende plan voorziet in de bouw van ongeveer 565 woningen op het grondgebied van de gemeente Castricum, ten westen van de kern Limmen. Voor het overige is het plan conserverend van aard.

Formele bezwaren

3. [appellanten sub 6] hebben als formeel bezwaar ten eerste aangevoerd dat zij betwijfelen of het besluit wel overeenkomstig het in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalde tijdstip bekend is gemaakt. Ten tweede voeren zij aan dat verschillende bij het plan behorende stukken ontbreken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en daardoor onvoldoende kenbaar zijn.

[appellanten sub 6] voeren voorts aan dat volgens de Staat van wijzigingen ontwerpbestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" van 25 november 2010 (hierna: de Staat van wijzigingen) de tekst van de artikelleden 17.2, 18.2 en 19.2, onder b, van de planregels zou worden gewijzigd, maar dat die wijziging niet in het vastgestelde plan is opgenomen.

3.1. De Afdeling stelt vast dat de artikelleden 17.2, 18.2 en 19.2, onder b, in het plan overeenstemmen met hetgeen op dit punt in de nota zienswijzen is opgenomen. Het besluit vermeldt dat het plan met inachtneming van de nota zienswijzen inclusief de voorgestelde wijzigingen is vastgesteld. Een verwijzing naar de Staat van wijzigingen is hierin niet opgenomen. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen discrepantie tussen het besluit en de planregels. Ten overvloede wijst de Afdeling er op dat de raad te kennen heeft gegeven dat de Staat van wijzigingen een concept betreft, waarover tijdens de raadsvergadering is gediscussieerd en dit is geresulteerd in een alternatieve tekst die alleen is opgenomen in de nota zienswijzen.

De Afdeling overweegt dat, wat van de aangevoerde overige formele bezwaren ook zij, deze betrekking hebben op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Bestemmingsplan algemeen

4. [appellanten sub 6], [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] betogen dat de raad zijn bevoegdheid tot de vaststelling van het plan heeft misbruikt, omdat het plan volgens hen enkel is vastgesteld om de op de gronden gelegde voorkeursrechten te kunnen bestendigen.

4.1. De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 6], [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] hun betogen niet hebben onderbouwd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat reeds in 2004 is aangevangen met de voorbereiding van het plan. Aan het plan ligt een bestuursovereenkomst ten grondslag die in 2004 is gesloten tussen de gemeenten Castricum en Heiloo en de provincie Noord-Holland, waarin afspraken zijn gemaakt over de inrichting van de Zandzoom. Specifiek zijn in deze bestuursovereenkomst afspraken gemaakt over de inrichting van het landelijk gebied, het woningbouwprogramma en de aansluiting op de A9. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat het plan is vastgesteld in het kader van het project "Wonen in het Groen". Het doel van het project is de integrale ontwikkeling van het plangebied, waarbij de aanleg van een woonwijk met groene allure met ruimte voor woningen in het topsegment gepaard gaat met de realisatie van natuur en recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied en een aansluiting op de A9. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling niet aannemelijk dat aan het plan uitsluitend de bestendiging van de voorkeursrechten ten grondslag ligt. De enkele omstandigheid dat het plan is vastgesteld kort voor de datum waarop de voorkeursrechten dienden te worden bestendigd, maakt dat niet anders.

5. [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] achten het onrechtvaardig dat op bepaalde gronden in het plangebied wel een voorkeursrecht rust, waaronder op hun gronden aan de [locatie 1] onderscheidenlijk de [locatie 2], en op andere gronden niet. Zij stellen dat door het voorkeursrecht op hun gronden hun onderhandelingspositie wordt beperkt.

5.1. De Afdeling overweegt dat de op de gronden van [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] gelegde voorkeursrechten niet in de onderhavige procedure aan de orde kunnen komen. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 2] betwist de haalbaarheid van het plan, nu hierin geen tijdsplanning is opgenomen. Voorts is het plan volgens hem een 'haaststuk'.

6.1. De raad stelt dat het bestemmingsplan grotendeels een globaal karakter met een uitwerkingsplicht heeft en dat de definitieve inrichting later zal worden uitgewerkt. Hiervoor is bewust gekozen, omdat zo de mogelijkheid wordt geboden om aan te sluiten bij de situatie ten tijde van het uitwerkingsplan. Er is geen sprake van een 'haaststuk', aldus de raad, aangezien de totale doorlooptijd van de vaststellingsprocedure ruim een jaar bedraagt.

6.2. De Afdeling stelt voorop dat geen wettelijk voorschrift ertoe verplicht een tijdsplanning in een bestemmingsplan op te nemen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode van tien jaar verwezenlijkt kan worden dan wel niet uitvoerbaar is. De enkele stelling dat hierin geen tijdsplanning is opgenomen is daartoe niet voldoende.

Voor zover [appellant sub 2] stelt dat het plan een 'haaststuk' is, overweegt de Afdeling dat hij die stelling niet nader onderbouwd heeft en dit bovendien niet als zodanig reeds zou behoeven te betekenen dat het plan om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Uit te werken bestemmingen algemeen

7. [appellanten sub 5], [appellante sub 8], [appellanten sub 6] en [appellant sub 3] kunnen zich niet verenigen met de planregels die zien op de uit te werken bestemmingen omdat de uitwerkingsregels volgens hen rechtsonzeker zijn.

[appellanten sub 5] en [appellante sub 8] voeren in dit verband aan dat niet duidelijk is hoe de uit te werken delen van het plan precies zullen worden ingevuld.

[appellanten sub 6] hebben in het bijzonder bezwaren tegen de uitwerkingsregels ten aanzien van de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)", die is toegekend aan een gedeelte van hun perceel aan de [locatie 3]. Zij voeren aan dat de randvoorwaarden die de raad aan de uitwerking van het plan stelt ten onrechte niet of niet volledig in de uitwerkingsregels zijn opgenomen. Zo bieden de regels geen waarborg dat de uit te werken gebieden worden uitgewerkt volgens de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen". Daarnaast ontbreekt een nadere detaillering met betrekking tot woningtypen, woningdichtheid en groenvoorzieningen en wordt door het ontbreken van een stedenbouwkundig plan onvoldoende inzicht geboden in de voorziene ontwikkelingen. Verder bieden de uitwerkingsregels volgens hen onvoldoende waarborgen bij zelfrealisatie.

[appellant sub 3] betoogt dat door het toekennen van een uit te werken bestemming een grote mate van onzekerheid ten aanzien van de invulling van en de planologische mogelijkheden voor zijn perceel kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3676, gelegen aan de Kapelweg, bestaat. Dit klemt te meer nu op zijn gronden tevens een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) gevestigd is, zodat het de raad vrij staat aan zijn gronden een bestemming toe te kennen die de waarde van de gronden nadelig beïnvloedt. Verder voert [appellant sub 3] aan dat voor de zogenoemde 'witte vlekken' wel een directe bestemming wordt beoogd.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de essentie van een uit te werken bestemmingsplan is om hoofdlijnen van beleid voor een gebied vast te leggen zonder een definitieve invulling te geven, zodat deze invulling in een latere fase op basis van meer gedetailleerde inrichtingsschetsen kan worden bepaald. Hier is bewust voor gekozen om zo de mogelijkheid te bieden aan te sluiten bij de situatie zoals die is ten tijde van het opstellen van het uitwerkingsplan, hetgeen relevant is omdat dit een project met een lange looptijd betreft. De raad geeft aan dat het plan bestaat uit verschillende uit te werken gebieden en dat per gebied een stedenbouwkundig plan zal worden vastgesteld dat mede als grondslag zal dienen voor de uitwerking. Uitwerking van de bestemming op deze wijze is volgens de raad ingevolge de Wro toegestaan. Met de huidige detaillering van de uitwerkingsregels is voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen, aldus de raad. Het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan bieden voldoende inzicht in de invulling van het gebied om de burger op dit moment voldoende rechtszekerheid te bieden.

Verder biedt de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) volgens de raad de mogelijkheid bij de vaststelling van een uitwerkingsplan hogere waarden vast te stellen.

7.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan moet uitwerken.

Ingevolge artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geeft een bestemmingsplan voor een op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet uit te werken deel van het plan op zodanige wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied.

7.3. Ter uitvoering van het project "Wonen in het Groen" zijn aan grote delen van het plangebied de uit te werken bestemmingen "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)", "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" en "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" toegekend, waaronder aan de percelen van [appellanten sub 5], [appellante sub 8], [appellanten sub 6] en [appellant sub 3].

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.2;

c. wonen en werken, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - wonen/werken";

d. detailhandel, in de vorm van ten hoogste één supermarkt met een buurtverzorgende functie;

e. maatschappelijke voorzieningen;

f. ontsluitingswegen;

g. tuinen en erven;

met de daarbij behorende:

h. gebouwen;

i. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

j. wegen en paden;

k. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

l. parkeervoorzieningen;

m. groenvoorzieningen;

n. speelvoorzieningen;

o. waterlopen en -partijen;

p. nutsvoorzieningen;

q. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Ingevolge lid 17.2 werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

a. De uitwerking van de bestemming vindt plaats in goede afstemming met

de aangrenzende bestemmingen.

b. Uitwerking vindt plaats per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen" en het vastgestelde structuurplan "Limmen-Zandzoom".

c. De geluidsbelasting op de woningen wegens wegverkeerslawaai bedraagt niet meer dan 48 dB(A) dan wel een door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan de vaststelling van een uitwerkingsplan toegekende hogere waarde.

d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - wonen/werken" zijn de gronden tevens bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met:

1. kantoren en dienstverlenende bedrijven of -instellingen;

2. bedrijven die zijn genoemd in de bij deze regels behorende bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2.

In deze zone dienen ten minste acht bedrijfswoningen te worden gerealiseerd.

e. Op gronden ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" zijn geen woningen toegestaan. In een plan van uitwerking mogen afwijkingsregels worden opgenomen voor het mogelijk maken van woningen, al dan niet in combinatie met de onder d, sub 1 en 2, genoemde functies, op deze gronden indien uit nader onderzoek blijkt dat deze woningen geen onevenredig nadelige gevolgen voor de omliggende bedrijven hebben.

f. Binnen de bestemming zijn vrijstaande, twee-onder-een-kap-, rijwoningen en gestapelde woningen toegestaan.

g. De bouwhoogte van vrijstaande, twee-onder-een-kap- en rijwoningen mag niet meer bedragen dan 11 m.

h. De bouwhoogte van gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan 14 m.

i. De bouwhoogte van een supermarkt bedraagt maximaal 5 m; de bouwhoogte van een supermarkt met bovenwoningen bedraagt maximaal 14 m.

j. De bedrijfsvloeroppervlakte van de supermarkt mag maximaal 1.500 m² bedragen.

k. De bouwhoogte van een gebouw voor maatschappelijke voorzieningen bedraagt maximaal 9 m en met bovenwoningen maximaal 14 m.

l. Voor maatschappelijke voorzieningen mag maximaal 7.000 m² worden benut.

m. Bij gestapelde bouw als bedoeld in lid 17.2, onder i, j en l, zijn ten hoogste vier bouwlagen toegestaan.

n. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het aangegeven aantal en voor het overige niet meer dan gemiddeld 25 per ha, met dien verstande dat het totale aantal nieuw te bouwen woningen binnen dit bestemmingsplan niet meer dan 565 mag bedragen.

o. Het aandeel sociale huur- en/of koopwoningen bedraagt minimaal 38% van het totaal aantal woningen in categorie 1 tot en met 4, zoals omschreven in tabel 4.3 in de bij het plan behorende toelichting.

p. Het aandeel op basis van particulier opdrachtgeverschap te bouwen woningen bedraagt minimaal 15% van het totale aantal binnen dit bestemmingsplan te bouwen woningen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn de voor "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. natuur;

b. groenvoorzieningen;

c. woningen;

d. aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.2;

e. mantelzorg in een afhankelijke woonruimte;

f. ontsluitingswegen;

g. tuinen en erven;

met de daarbij behorende:

h. gebouwen;

i. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

j. wegen en paden;

k. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

l. parkeervoorzieningen;

m. groenvoorzieningen;

n. speelvoorzieningen;

o. waterlopen en -partijen;

p. nutsvoorzieningen;

q. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Ingevolge lid 18.2 werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

a. De uitwerking van de bestemming vindt plaats in goede afstemming met de aangrenzende bestemmingen.

b. Uitwerking vindt plaats per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen" en het vastgestelde structuurplan "Limmen-Zandzoom".

c. De geluidsbelasting op de woningen wegens wegverkeerslawaai bedraagt niet meer dan 48 dB(A) dan wel een door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan de vaststelling van een uitwerkingsplan toegekende hogere waarde.

d. Ten opzichte van de in de omgeving van het plangebied aanwezige bedrijvigheid wordt een zodanige afstand in acht genomen dat dit niet leidt tot overschrijding van de op grond van milieuregelgeving geldende geluidsnorm.

e. Op gronden ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" zijn geen woningen toegestaan. In een plan van uitwerking mag een afwijking worden opgenomen voor het mogelijk maken van woningen op deze gronden indien uit nader onderzoek blijkt dat deze woningen geen onevenredig nadelige gevolgen voor de omliggende bedrijven hebben.

f. Binnen de bestemming zijn vrijstaande en gestapelde woningen en buitenplaatsen toegestaan.

g. Het aantal woningen per bestemmingsvlak mag maximaal het aangegeven aantal bedragen dan wel niet meer bedragen dan gemiddeld vijf per ha, met dien verstande dat het totale aantal nieuw te bouwen woningen binnen dit bestemmingsplan niet meer dan 565 mag bedragen.

h. Het aandeel sociale huur- en/of koopwoningen bedraagt minimaal 38% van het totaal aantal woningen in categorie 1 tot en met 4, zoals omschreven in tabel 4.3 in de bij dit plan behorende toelichting.

i. Het aandeel op basis van particulier opdrachtgeverschap te bouwen woningen bedraagt minimaal 15% van het totale aantal binnen dit bestemmingsplan te bouwen woningen.

j. De bouwhoogte van vrijstaande woningen mag niet meer bedragen dan 11 m.

k. De bouwhoogte van gestapelde woningen en buitenplaatsen mag niet meer bedragen dan 14 m; daarbij zijn ten hoogste vier bouwlagen toegestaan.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, zijn de voor "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.2;

c. mantelzorg in een afhankelijke woonruimte;

d. ontsluitingswegen;

e. tuinen en erven;

met de daarbij behorende:

f. gebouwen;

g. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

h. wegen en paden;

i. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

j. parkeervoorzieningen;

k. groenvoorzieningen;

l. speelvoorzieningen;

m. waterlopen en -partijen;

n. nutsvoorzieningen;

o. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Ingevolge lid 19.2 werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

a. De uitwerking van de bestemming vindt plaats in goede afstemming met de aangrenzende bestemmingen.

b. Uitwerking vindt plaats per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen" en het vastgestelde structuurplan "Limmen-Zandzoom".

c. De geluidsbelasting op de woningen wegens wegverkeerslawaai bedraagt niet meer dan 48 dB(A) dan wel een door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan de vaststelling van het uitwerkingsplan toegekende hogere waarde.

d. De geluidsbelasting op de woningen wegens spoorweglawaai bedraagt niet meer dan 55 dB(A) dan wel een door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan vaststelling van een uitwerkingsplan toegekende hogere waarde.

e. Op gronden ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" zijn geen woningen toegestaan. In een plan van uitwerking mogen afwijkingsbepalingen worden opgenomen voor het mogelijk maken van woningen indien uit nader onderzoek blijkt dat deze woningen geen onevenredig nadelige gevolgen voor de omliggende bedrijven hebben.

f. Op gronden met de aanduiding "verkeer" wordt een ontsluiting aangelegd in de vorm van een weg voor gemotoriseerd verkeer tussen de Visweg en de Pagenlaan, die een functie heeft voor de hoofdontsluiting van het plangebied.

g. Binnen de bestemming zijn vrijstaande, twee-onder-een-kap-, rijwoningen en gestapelde woningen toegestaan.

h. De bouwhoogte van vrijstaande, twee-onder-een-kap- en rijwoningen mag niet meer bedragen dan 11 m.

i. De bouwhoogte van gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan 14 m; daarbij zijn ten hoogste vier bouwlagen toegestaan.

j. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan gemiddeld vijftien per ha, met dien verstande dat:

1. het totale aantal nieuw te bouwen woningen binnen dit bestemmingsplan niet meer dan 565 mag bedragen;

2. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aantal woningen niet meer dan het aangegeven aantal mag bedragen.

k. Het aandeel sociale huur- en/of koopwoningen bedraagt minimaal 38% van het totaal aantal woningen in categorie 1 tot en met 4, zoals omschreven in tabel 4.3 in de bij dit plan behorende toelichting.

l. Het aandeel op basis van particulier opdrachtgeverschap te bouwen woningen bedraagt minimaal 15% van het totale aantal binnen dit bestemmingsplan te bouwen woningen.

7.4. Voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden in de toekomstige ontwikkeling van een bepaald gebied, stelt de Afdeling voorop dat het in beginsel tot de beleidsvrijheid van de raad behoort om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de Wro brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

In dit geval zijn weliswaar ingevolge artikel 17, lid 17.1, artikel 18, lid 18.1, en artikel 19, lid 19.1, van de planregels verschillende functies mogelijk binnen de bestemmingen "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)", "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" en "Woongebied-Uit te werken (WG-U)", maar in de uitwerkingsregels zijn aan die functies specifieke voorwaarden verbonden. Zo bepalen artikel 17, lid 17.2, artikel 18, lid 18.2, en artikel 19, lid 19.2, van de planregels onder meer dat uitwerking plaatsvindt per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen" en het vastgestelde structuurplan "Limmen-Zandzoom". Deze plannen geven richting aan de toekomstige invulling van het plangebied op basis van de bestaande karakteristieken en volgens de uitgangspunten van het bijzondere woonlandschap van het beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen".

Voorts zijn in de uitwerkingsregels onder meer de maximale bouwhoogte voor woningen, de toegestane woningtypen, het aantal woningen per bestemmingsvlak, het aandeel sociale huur- en/of koopwoningen en het aandeel op basis van particulier opdrachtgeverschap te realiseren woningen bepaald. Een nadere concretisering hiervan, evenals een invulling van de desbetreffende plandelen, vindt in het uitwerkingsplan plaats. Daarbij vindt tevens een belangenafweging plaats. Bovendien kunnen hiertegen door belanghebbenden rechtsmiddelen worden aangewend.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat, hoewel de uitwerkingsregels globaal zijn en het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking flexibiliteit bieden, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van de uit te werken delen in het plangebied als bedoeld in artikel 3.1.4 van het Bro. Dat de uitwerking niet afhankelijk is gesteld van een stedenbouwkundig plan maakt dit oordeel niet anders. De raad heeft derhalve niet, zoals door [appellanten sub 6] wordt betoogd, extra waarborgen behoeven op te nemen voor het geval tot zelfrealisatie wordt overgegaan. Overigens is het planologisch niet relevant wie de ontwikkeling ter hand neemt. Daarbij merkt de Afdeling op dat [appellant sub 3] blijkens zijn beroepschrift woningen wenst te realiseren op zijn perceel en dat het plan hierin voorziet, gelet op de aan zijn perceel toegekende bestemming "Woongebied-Uit te werken (W-U1)". Het feit dat op de gronden van [appellant sub 3] een voorkeursrecht op grond van de Wvg gevestigd is en dat op de 'witte vlekken', die geen onderdeel uitmaken van het plangebied en derhalve in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, wel een directe bestemming is beoogd - wat van dit laatste ook zij - leidt niet tot een ander oordeel.

8. [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] betogen dat de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het nog vast te stellen uitwerkingsplan hogere grenswaarden kan vaststellen, zoals opgenomen in artikel 17, lid 17.2, aanhef en onder c, artikel 18, lid 18.2, aanhef en onder c, en artikel 19, lid 19.2, aanhef en onder c, van de planregels, niet met zich brengt dat daarmee de uitwerkingsplicht objectief begrensd is.

8.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), zoals die gold ten tijde van belang, worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wro dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, onder a, worden in afwijking van het eerste lid bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld.

8.2. In de memorie van toelichting bij de Crisis- en herstelwet (Kamerstukken II 2009/2010, 32 127, nr. 3, p. 91) is het volgende opgenomen:

"Bij globale, nog uit te werken bestemmingsplannen is vaak nog niet precies te bepalen hoe hoog de geluidsbelasting op de toekomstige woningen zal zijn (afstand tussen weg en woning wordt pas bij uitwerking bekend). De Wgh schrijft voor dat een eventuele hogere waarde moet zijn verleend vóór de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Vanwege de onzekerheid over de hoogte van de geluidsbelasting wordt dan vaak voor een worst case benadering gekozen. Die komt dan meestal neer op de maximaal mogelijke ontheffingswaarde. Een serieuze afweging naar wat in de gegeven situatie een redelijke balans is tussen maatregelen en geluidkwaliteit (bijvoorbeeld zo dicht mogelijk bij of onder de voorkeurswaarde) zal dan niet plaatsvinden. De uitvoeringspraktijk geeft er de voorkeur aan om de hogere-waardenprocedure en de geluidafweging te laten plaatsvinden voorafgaand aan het besluit van burgemeester en wethouders ter uitwerking.

Het blijft overigens van belang om voorafgaand aan de bestemmingsplanvaststelling een geluidonderzoek uit te voeren. Zo moet worden bekeken of de geluidsbelastingen niet zo hoog zullen zijn dat ze (lees: de) maximale ontheffingswaarde overschrijden. Dan kan immers geen hogere waarde worden verleend en kunnen de woningen niet worden gerealiseerd. Ook voor de financiering van eventuele geluidmaatregelen (nodig om bijvoorbeeld aan de maximale ontheffingswaarde te voldoen) moeten in het bestemmingsplan middelen zijn gereserveerd."

8.3. In het rapport "Verkenning Milieu effecten Zandzoom" van 30 juli 2010 (hierna: het milieueffectenonderzoek), opgesteld door Goudappel Coffeng, is onder meer akoestisch onderzoek verricht naar het wegverkeerslawaai. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat aan de randen van het plangebied van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden als gevolg van de Rijksweg N203. De voorgenomen aanpassing van de Rijksweg levert geen grote knelpunten op voor geluidhinder. Op een enkele locatie neemt de geluidsbelasting toe met 2 dB of meer. Toepassing van geluidreducerend asfalt op de Rijksweg zorgt voor een geluidsreductie van 3 dB. Op een enkel waarneempunt in de zogenoemde variant 1 is geluidreducerend asfalt waarschijnlijk onvoldoende om de toenames te reduceren. Voor deze locatie is mogelijk een hogere grenswaarde noodzakelijk. Bij de verdere uitwerking van de deelgebieden is nader onderzoek noodzakelijk om te onderzoeken of sprake is van overschrijdingen van de voorkeurswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt binnen het plangebied als gevolg van het wegverkeerslawaai niet overschreden.

Bij de herinrichting van de Visweg worden geluidstoenames geconstateerd van ongeveer 3 tot 4 dB. Door toepassing van een aangepast wegdek kan de geluidsbelasting worden teruggedrongen tot de heersende geluidsbelasting.

8.4. Uit artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 3.1.4 van het Bro, volgt dat het leerstuk van de objectieve begrenzing bij de mogelijkheid tot uitwerking niet aan de orde is.

Gelet op artikel 76 van de Wgh, in samenhang gelezen met de wetsgeschiedenis, is het mogelijk hogere waarden vast te stellen voorafgaand aan de vaststelling van een uitwerkingsplan. Aan het bestemmingsplan ligt, zoals ook wordt bedoeld in de hiervoor weergegeven passage uit de memorie van toelichting, een akoestisch onderzoek ten grondslag. Uit het onderzoek volgt dat met toepassing van de mogelijkheid hogere waarden vast te stellen uitwerkingen die voldoen aan de uitwerkingsplicht, mogelijk zijn. [appellanten sub 5] noch [appellante sub 8] hebben aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren, dan wel dat de uit te werken delen van het plan met het oog op de Wgh niet uitvoerbaar zijn.

9. [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] voeren onder verwijzing naar de uitspraak van 9 juni 1998, AB 1998/38 aan dat het niet is toegestaan een uitwerkingsplan te baseren op een nog door de raad per uit te werken gebied vast te stellen stedenbouwkundig plan. Bovendien is inspraak bij de voorbereiding van een dergelijk stedenbouwkundig plan niet gewaarborgd, aldus [appellanten sub 5] en [appellante sub 8]

9.1. In de planregels is geen regeling opgenomen die erin voorziet dat de uitwerking in overeenstemming moet zijn met nog op te stellen stedenbouwkundige plannen. De raad heeft enkel te kennen gegeven dat het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking van het plan naast de uitwerkingsregels tevens acht dient te slaan op de nog per deelgebied op te stellen stedenbouwkundige plannen. In de Wro, noch in enig ander wettelijk voorschrift is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan niet mag baseren op een stedenbouwkundig plan, of een ander plan van soortgelijke aard. De Afdeling wijst erop dat in het kader van het uitwerkingsplan door belanghebbenden zo nodig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen de dan aan de orde zijnde invulling. De omstandigheid dat bij de voorbereiding van de stedenbouwkundige plannen geen inspraak mogelijk is, doet aan dit oordeel niet af, reeds omdat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de mogelijkheid tot inspraak op die plannen zal worden geboden.

9.2. Voor zover [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 1998, AB 1998/38, overweegt de Afdeling dat in die uitspraak zich de situatie voordeed dat in de uitwerkingsregels was opgenomen dat de uitwerking van het plan afhankelijk werd gesteld van een nog op te stellen stedenbouwkundig plan. Omdat daarvan in de onderhavige situatie geen sprake is, is die uitspraak in dit geval niet van toepassing.

10. [appellanten sub 6] betogen voorts dat gezien het ontwerpplan de verwachting is gewekt dat een stedenbouwkundig plan zou worden opgesteld voorafgaand aan de uitwerking van het bestemmingsplan.

10.1. In het ontwerpplan was de uitwerking onder meer afhankelijk gesteld van een nog op te stellen stedenbouwkundig plan. De Afdeling overweegt echter dat uit de aard van de in de wet vastgelegde procedure niet volgt dat de raad gehouden is om een ter inzage gelegd ontwerpplan uiteindelijk ook in die vorm vast te stellen. Het is aan de raad om met inachtneming van eventueel ingediende zienswijzen een beslissing te nemen omtrent het ontwerpplan en het staat de raad daarbij vrij om af te wijken van het ontwerpplan. [appellanten sub 6] hebben aan het ontwerpplan derhalve niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat uitwerking in de uitwerkingsregels afhankelijk zal worden gesteld van een nog op te stellen stedenbouwkundig plan. Overigens wijst de Afdeling erop dat, gezien hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen, de raad te kennen heeft gegeven voornemens te zijn voorafgaand aan de uitwerking een stedenbouwkundig plan op te stellen ten aanzien waarvan de mogelijkheid tot het indienen van inspraakreacties wordt geboden.

11. [appellanten sub 6] stellen dat het beeldkwaliteitsplan geen degelijke basis voor een uitwerkingsplan kan vormen, aangezien hierin een disclaimer is opgenomen die aangeeft dat het beeldkwaliteitsplan een indicatief karakter heeft en daaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

11.1. De raad stelt dat de disclaimer de status van het plan benadrukt. Het beeldkwaliteitsplan is slechts richtinggevend voor de toekomstige invulling en poogt niet definitief te zijn.

11.2. In de enkele verwijzing van [appellanten sub 6] naar een disclaimer ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat het beeldkwaliteitsplan geen basis kan vormen voor een uitwerkingsplan.

12. [appellanten sub 6] voeren verder aan dat de verkeersmodellen uit de verrichte verkeersonderzoeken niet overeenstemmen met de opzet van het verkeersmodel zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan, zodat in de verkeersmodellen ten onrechte niet is uitgegaan van hetgeen de uitwerkingsregels mogelijk maken.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan de verkeersstructuur op hoofdlijnen beschrijven. De voorziene ontwikkeling is verkeerskundig beoordeeld door Goudappel Coffeng. De hoofdlijnen van de verkeersstructuur waarvan in de onderzoeken is uitgegaan wijken volgens de raad niet af van het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan. Het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport 'Gemeente Castricum, Verkeersonderzoek Zandzoom' van 16 juli 2010 (hierna: het verkeersonderzoek) betreft een nadere uitwerking die meer details aanbrengt in de verkeersstructuur.

12.2. In het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan is de beoogde infrastructuur binnen het project "Wonen in het Groen" in grote lijnen uiteengezet. Hierin is vermeld dat vanaf de hoofdtoegangswegen (Visweg, Pagenlaan) de 'velden' worden ontsloten door nieuwe noord-zuid gerichte straten die tussen de bestaande linten liggen. Vanaf hier kan het verkeer zich in oostelijke of westelijke richting tussen twee linten verplaatsen. Het is niet de bedoeling nieuwe hoofdstraten te ontwikkelen als nieuwe linten. De bestaande linten worden slechts toegankelijk voor fiets- en bestemmingsverkeer. Op enkele strategische plaatsen worden met het oog op calamiteiten goed begaanbare doorsteken richting de velden aangelegd.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de verkeersonderzoeken overeenstemmen met het beeldkwaliteitsplan en het structuurplan. In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd is niet gebleken dat dit onjuist is.

Verkeer

Aansluiting op A9

13. [appellant sub 3], [appellanten sub 6], [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] voeren aan dat de uitwerking van het plan ten onrechte afhankelijk is gesteld van de aansluiting op de A9, terwijl niet de zekerheid is verkregen dat deze er komt.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aansluiting op de A9 noodzakelijk is voor een goede verkeersafwikkeling. Om die reden wil de raad uitwerking van het plan uitstellen totdat zekerheid over de aanleg van de aansluiting is verkregen. Onder zekerheid verstaat de raad een principebesluit van de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister). Dit besluit zal de minister nemen na definitieve besluitvorming over de capaciteitsuitbreiding van de A9 op het traject Alkmaar-Uitgeest, aldus de raad. Omdat de aansluiting op de A9 een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, is deze aansluiting niet opgenomen in de uitwerkingsregels, aangezien dit in strijd zou zijn met artikel 3.6 van de Wro, aldus de raad. Wel heeft de raad expliciet in het besluit opgenomen niet eerder te willen starten dan nadat zekerheid is verkregen omtrent de aansluiting op de A9.

13.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan moet uitwerken. Uit deze bepaling vloeit voort dat de in het plan gegeven plicht tot uitwerking onvoorwaardelijk moet zijn geformuleerd en niet afhankelijk mag zijn van onzekere gebeurtenissen.

13.3. De provincie Noord-Holland en de gemeenten Heiloo en Castricum hebben in een bestuursovereenkomst van 2005 afspraken gemaakt over de realisatie van de aansluiting op de A9, welke is voorzien ter hoogte van de Lagelaan, op het grondgebied van de gemeente Heiloo. In de bestuursovereenkomst is bepaald dat de aansluiting een voorwaarde is voor de realisatie van het project Zandzoom en derhalve ook voor de ontwikkeling van het project binnen de gemeente Castricum. Weliswaar is deze voorwaarde niet opgenomen in de uitwerkingsregels, maar onder punt 4 van het bestreden besluit is wel opgenomen dat niet eerder met de uitwerking van het bestemmingsplan zal worden gestart dan nadat zekerheid is verkregen over de aansluiting op de A9. Verder staat in het deskundigenbericht dat geen alternatief bestaat voor de aansluiting op de A9, hetgeen ter zitting door de raad is bevestigd.

Uit het voorgaande volgt dat indien de aansluiting niet kan worden gerealiseerd, de ontwikkeling van het gehele plan geen doorgang kan vinden. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de zekerheid over de realisering van de aansluiting op de A9 van wezenlijk belang is voor de uitvoerbaarheid van het gehele plan.

Uit het deskundigenbericht volgt dat de besluitvorming over de aansluiting op de A9 afhankelijk is van de beoogde capaciteitsuitbreiding van de A9 op het traject Alkmaar-Uitgeest. Het wegaanpassingsbesluit dat op die uitbreiding ziet was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk. In het deskundigenbericht staat verder dat de minister bij brief van 16 augustus 2010 te kennen heeft gegeven positief tegenover de aansluiting op de A9 te staan. De raad heeft ter zitting desgevraagd erkend dat daarmee niet is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan de gewenste zekerheid bestond over de realisering van de aansluiting op de A9. Ook in de periode na 16 augustus 2010 tot het moment van de vaststelling van het plan heeft de minister geen (principe)besluit genomen over de aansluiting op de A9. Nu de door de raad verlangde zekerheid over de aansluiting op de A9 ten tijde van de vaststelling van het plan niet bestond, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro. Dit levert een grond op voor vernietiging van het bestreden besluit.

13.4. Bij uitspraak van 24 augustus 2011, zaak nr. 201100103/1/M2, heeft de Afdeling de beroepen tegen het wegaanpassingsbesluit dat betrekking heeft op de capaciteitsuitbreiding van de A9 op het traject Alkmaar-Uitgeest niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. Het desbetreffende besluit is met deze uitspraak in rechte onaantastbaar geworden. De spitsstroken waarop het besluit betrekking heeft zijn inmiddels aangelegd en in gebruik genomen.

Op 20 februari 2012 heeft de minister besloten op de aanvraag van 3 oktober 2011 van de provincie Noord-Holland en de gemeenten Castricum en Heiloo om een aansluiting op de A9 te realiseren ter hoogte van de Lagelaan in Heiloo. In de brief van de minister staat dat de aanvraag is getoetst en dat is geconcludeerd dat er geen wezenlijke bezwaren zijn tegen de voorgestelde oplossing.

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat gezien het voorgaande bezien in samenhang met de reeds gesloten bestuursovereenkomst de verlangde mate van zekerheid over de aansluiting op de A9 inmiddels is verkregen. De Afdeling acht dat standpunt niet onredelijk, nu de raad in het verweerschrift heeft verklaard onder zekerheid een principebesluit van de minister te verstaan.

Nu gelet op het voorgaande het gebrek is hersteld, hoeft dit op zich niet in de weg te staan aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het bestemmingsplan. De Afdeling ziet dan ook aanleiding de overige beroepsgronden gericht tegen het bestemmingsplan te beoordelen.

Rijksweg als ontsluitingsweg

14. [appellant sub 2], [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] betogen dat de Rijksweg als gevolg van het toenemende verkeersaanbod door de voorziene woningbouw niet langer voldoet als ontsluitingsroute voor verkeer in het plangebied.

[appellanten sub 5] en [appellante sub 8] wijzen in het bijzonder op de tijdelijke situatie waarin de aansluiting op de A9 nog niet is gerealiseerd, maar waarin al wel wordt aangevangen met de bouw van de voorziene woningen. De raad sluit het ontstaan van een dergelijke situatie volgens hen niet uit. Volgens [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] kan een dergelijke situatie leiden tot verkeersproblemen op de Rijksweg, hetgeen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Voorts is de toename van verkeersbewegingen volgens [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] hinderlijk voor hun bedrijfsvoering en brengt deze negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid met zich.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nieuwe aansluiting op de A9 als randvoorwaarde voor de ontwikkeling van het project Zandzoom geldt. Uitgaande van deze aansluiting heeft de Rijksweg voldoende capaciteit. Uit de notitie 'Gemeente Castricum, Verkeersonderzoek Zandzoom Aanvullingen naar aanleiding van de inspraak' van 22 november 2010 opgesteld door Goudappel Coffeng (hierna: het aanvullend verkeersonderzoek), volgt dat in de situatie zonder deze aansluiting alleen het zuidelijke deel van de Rijksweg tot aan zijn capaciteit wordt benut, aldus de raad.

14.2. [appellant sub 2] is eigenaar van de gronden gelegen aan de [locatie 4]. [appellante sub 5A] is eigenaar van de gronden aan de [locatie 1]. [appellante sub 5B] exploiteert ter plaatse een transportbedrijf. [appellante sub 8] is eigenaar van de gronden aan de [locatie 2] en exploiteert ter plaatse ook een transportbedrijf.

14.3. In het verkeersonderzoek is uitgegaan van de ruimtelijke ontwikkelingen van "Wonen in het Groen" inclusief een aansluiting op de A9. Het autoverkeer kan op de wegvakken en de kruispunten worden afgewikkeld, al dan niet met aanpassingen, aldus het verkeersonderzoek.

In het aanvullend verkeersonderzoek is de (tijdelijke) situatie zonder aansluiting op de A9, maar met de realisering van 250 woningen in de Zandzoom en 500 woningen in Zuiderloo onderzocht (hierna: de tijdelijke situatie). Uit dit onderzoek, waarbij onder meer de wegcapaciteit en kruispuntafwikkeling zijn getoetst, volgt dat de tijdelijke situatie leidt tot een piek in de verkeersintensiteiten aan de zuidzijde van de kern Limmen. Aanpassing van de drukste kruispunten met de Westerweg en de Uitgeesterweg is in ieder geval nodig om de oversteek voor fietsers en voetgangers en de verkeersafwikkeling van het autoverkeer vanaf de zijrichting te garanderen. Op de wegvakken en kruispunten ten noorden van de Westerweg zijn de autoverkeersintensiteit en het effect van de woningbouw veel beperkter. Wel is het daar ook nu al dusdanig druk dat aanleiding bestaat om de vormgeving van de gehele Rijksweg in Limmen aan te passen. Op de kruising van de Rijksweg met de Visweg zijn aanpassingen als een verkeersregelinstallatie, een rotonde en brede middeneilanden nodig om het verkeersaanbod te kunnen verwerken, waarbij de voorkeur uitgaat naar een LARGAS ("Langzaam Rijden Gaat Sneller")-oplossing.

In het algemeen kan een autoverkeersintensiteit tot 20.000 motorvoertuigen per etmaal op een weg met 2x1 rijstrook zeker goed worden afgewikkeld. In de tijdelijke situatie zit de Rijksweg met ongeveer 20.000 motorvoertuigen per etmaal daarmee aan zijn capaciteit, aldus het aanvullend verkeersonderzoek.

14.4. Uit het verkeersonderzoek en het aanvullend verkeersonderzoek volgt dat de capaciteit van de beoogde ontsluitingsstructuur, al dan niet na maatregelen, voldoende is om het verkeersaanbod, zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie, na de aansluiting op de A9 veilig te kunnen verwerken. [appellant sub 2], [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersonderzoeken zodanige gebreken dan wel leemten in kennis vertonen dat de raad bij het vaststellen van het plan niet van de resultaten van deze onderzoeken heeft mogen uitgaan. Niet is gebleken dat het plan aan de in deze onderzoeken voorgestelde aanpassingen in de weg staat. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich onder verwijzing naar deze onderzoeken in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Rijksweg zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie kan voldoen als ontsluitingsroute. Hierbij betrekt de Afdeling tevens dat ter zitting is gebleken dat het verkeer van en naar Heiloo na realisatie van de aansluiting op de A9 niet langer door de kern Limmen zal komen.

Voorts overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 5] en [appellante sub 8] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de toename van verkeersbewegingen ernstige gevolgen heeft voor hun bedrijfsvoering en de verkeersveiligheid.

Visweg als ontsluitingsweg

15. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 5] en kan zich niet vinden in de voorziene ontsluiting van het plangebied en de rol die aan de Visweg daarin is toebedeeld. [appellant sub 1] betoogt dat de beoogde woningbouw zal leiden tot een toename van het verkeersaanbod op de Visweg, die volgens hem niet berekend is op dit extra verkeer. Hij vreest voor een verslechtering van de verkeersveiligheid door de inrichting van de Visweg en de Pagenlaan als eenrichtingsweg en voor aantasting van zijn woongenot door overschrijding van de geluidsnormen.

Voorts is [appellant sub 1] bevreesd dat ook de beoogde ontwikkelingen met betrekking tot het spoor negatieve gevolgen met zich zullen brengen.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is besloten tot een herinrichting waarbij op delen van de Visweg-West en de Pagenlaan een eenrichtingssituatie wordt aangebracht en een doorverbinding tussen deze wegen wordt geïntroduceerd. Daarnaast wordt de Visweg-Midden verbreed tot 6 m. Met de genoemde maatregelen kan de voorziene intensiteit binnen de capaciteit van de wegen veilig worden afgewikkeld. Door eenrichtingsverkeer ontstaat relatief meer ruimte voor fietsers en voetgangers, maar kunnen ook snelheidsverhogende effecten optreden. Teneinde dit effect ten minste ongedaan te maken zullen daarom snelheidsremmende voorzieningen aangebracht worden. Uit akoestisch onderzoek volgt een zeer beperkte invloed op de geluidssituatie van zowel nieuwe als bestaande woningen. Er bestaat geen noodzaak tot het treffen van maatregelen aan de gevels van de woningen aan de Visweg. Extra drukte bij de spoorwegovergangen wordt niet verwacht. De spoorlijn kruist de hoofdontsluitingsstructuur van het plangebied niet.

Bij de uitwerking van het plan zal worden bepaald welke geluidwerende maatregelen wel zullen worden getroffen om in de westelijke delen van het plangebied woningbouw mogelijk te maken. Op dat moment zal blijken of deze maatregelen ook ten gunste van de bestaande woningbouw werken. Van een verslechtering van de situatie zal in ieder geval geen sprake zijn, aldus de raad.

15.2. Uit het verkeersonderzoek volgt dat alternatief 2, waarbij de bestaande verkeersstructuur wordt gebruikt, vanuit verkeerskundig, ruimtelijk en financieel oogpunt de meest efficiënte ontsluitingsvariant is. De ontsluiting van het nieuwbouwgebied is hier primair aangetakt op de Visweg. Geadviseerd wordt om teneinde de drukte te beperken een circuit van eenrichtingsverkeer over onder meer de Visweg-West en de Pagenlaan aan te leggen en een doorverbinding tussen de Visweg en de Pagenlaan te realiseren teneinde omrijden te voorkomen. De conclusie van het verkeersonderzoek is dat de voorziene ontsluitingsstructuur van de Zandzoom, uitgaande van een aansluiting op de A9, met de voorgestelde aanpassingen voldoet om het verkeersaanbod te kunnen verwerken. Daarbij zijn op de Visweg en de Pagenlaan wel aanvullende snelheidsremmende maatregelen en eventueel een voetpad nodig, en dient voor onder meer de Pagenlaan, Visweg-West en Visweg-Midden akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de voorgenomen herinrichting.

Naar aanleiding van de inspraak heeft Goudappel Coffeng een aanvullend verkeersonderzoek uitgevoerd, waarin de situatie zonder aansluiting op de A9 is onderzocht. De conclusie van dit aanvullend verkeersonderzoek is dat de Visweg met de voorgestelde aanpassingen het verkeersaanbod verkeersveilig kan verwerken. Bij toepassing van stil asfalt zorgt de herinrichting voor een verbetering van de geluidssituatie.

15.3. Verder is, eveneens door Goudappel Coffeng, onderzoek gedaan naar de milieueffecten tengevolge van het plan, waarbij is uitgegaan van een aansluiting op de A9. Uit dit milieueffectenonderzoek volgt dat met name rond het eerste deel van de Visweg (tussen de Rijksweg en de Pagenlaan) de geluidsbelasting met maximaal 3 dB zal toenemen vanwege de toename van het aantal verkeersbewegingen uit de nieuwe woongebieden. Door bij aanpassing van de wegen gebruik te maken van conventioneel asfalt in plaats van asfaltverharding is het geluidsniveau vergelijkbaar met het heersende geluidsniveau voor de herinrichting. Voor de geluidssituatie ter plaatse van de doorsteek, waar naar verwachting 500 motorvoertuigen per etmaal zullen passeren, worden geen problemen verwacht. Geluidreducerende maatregelen zijn hier niet nodig.

15.4. In de plantoelichting staat dat de Visweg in de gekozen variant de belangrijkste ontsluitingsweg van het plangebied wordt. De Pagenlaan en de Visweg-West (tussen de Hogeweg en de Kapelweg) worden ingericht als eenrichtingsweg waardoor een klein circuit ontstaat.

Aan de gronden van de Visweg en de Pagenlaan is, voor zover relevant, de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-V)" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het doorgaande verkeer.

Aan de gronden waar de doorsteek tussen de Visweg-West en de Pagenlaan beoogd is, zijn de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" en de nadere aanduiding "verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor onder meer woningen en ontsluitingswegen.

Lid 19.2 bevat de uitwerkingsregels met inachtneming waarvan het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uitwerkt.

15.5. Niet in geschil is dat de voorziene ontwikkelingen een toename van verkeer op de Visweg tot gevolg zullen hebben. Uit het verkeersonderzoek en het aanvullend verkeersonderzoek volgt echter dat de voorgestelde ontsluitingsstructuur met de voorgestelde aanpassingen zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie voldoet om het verkeersaanbod verkeersveilig te kunnen verwerken. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapporten zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad bij het vaststellen van het plan niet van de resultaten van deze onderzoeken heeft mogen uitgaan.

Voorts overweegt de Afdeling dat het plan de voorgestelde aanpassingen, te weten een verbreding van de Visweg en de Pagenlaan, de realisatie van fiets- en wandelstroken op de Visweg en de realisatie van een doorsteek, mogelijk maakt. Het plan kan niet regelen dat ter plaatse in een eenrichtingsweg zal worden voorzien. Voor het instellen hiervan dient een verkeersbesluit te worden genomen. Dat besluit ligt hier niet ter toets voor, zodat bezwaren die hier op zien in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen. Het plan staat aan het treffen van dergelijke maatregelen echter niet in de weg.

Gezien overweging 15.3 volgt uit het milieueffectenonderzoek dat vanuit het oogpunt van geluid geen bezwaren bestaan tegen benutting van het gedeelte van de Visweg tussen de Rijksweg en de Pagenlaan als ontsluitingsweg voor de nieuwe woonwijk. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit rapport zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevat dat de raad zich in zoverre niet op de resultaten van dit onderzoek heeft mogen baseren.

15.6. Voor zover [appellant sub 1] vreest voor negatieve effecten als gevolg van beoogde ontwikkelingen op het gebied van het treinverkeer, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is op welke ontwikkelingen [appellant sub 1] doelt. Voor zover [appellant sub 1] doelt op het feit dat een eventuele toename van treinverkeer op het bestaande spoor ten westen van het plangebied effecten heeft op de doorstroming van het autoverkeer op de Visweg overweegt de Afdeling dat ter zitting door de raad desgevraagd is toegelicht dat de verkeersdoorstroming hierdoor niet of nauwelijks zal wijzigen, gelet op de ligging van het spoor ten opzichte van het plangebied.

Alternatieve ontsluitingsroutes

16. [appellant sub 1] betoogt dat elk alternatief voor ontsluiting door het gemeentebestuur ten onrechte terzijde wordt geschoven.

[appellant sub 2] stelt dat alternatieven onvoldoende zijn onderzocht. Hij wijst hierbij in het bijzonder op de door hem voorgestelde ontsluiting via een weg ten westen van de Rijksweg met een hoofdontsluiting naar de aansluiting op de A9.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uitbreiding van de bestaande infrastructuur pas wordt overwogen wanneer benutting van die infrastructuur (eventueel na herinrichting) onvoldoende oplossing biedt in geval van een nieuwe woningbouwontwikkeling. In de onderhavige situatie biedt de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit zodat daartoe geen aanleiding was, zo stelt de raad.

16.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Het uitgangspunt van de raad om bij nieuwe ontwikkelingen - al dan niet na herinrichting en mits de benutting van de bestaande wegcapaciteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is - bij voorkeur gebruik te maken van de bestaande infrastructuur, alvorens in nieuwe infrastructuur te voorzien, is daarbij niet onredelijk te achten. Gelet op hetgeen hiervoor onder 14.4 en 15.5 is overwogen is niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande infrastructuur ontoereikend is. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om voor de alternatieven te kiezen.

Kruising Rijksweg-Visweg

17. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte geen concrete invulling van de kruising Rijksweg-Visweg en de kruising met de Oosterzijweg bevat, waardoor de exacte gevolgen van het plan in zoverre voor hem niet duidelijk zijn. Voorts had volgens hem in het plan moeten worden vastgelegd dat de infrastructuur gereed is voordat de bouw van de voorziene woningen van start gaat.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van een zogenoemde LARGAS-oplossing ter plaatse van het kruispunt Rijksweg-Visweg en dat op de verbeelding rekening is gehouden met deze ruimtebehoefte. Met inachtneming van de zienswijzen is bij de vaststelling van het plan echter besloten om daar een rotonde te realiseren, zo heeft de raad in zijn zienswijze op het deskundigenbericht te kennen gegeven. Omdat de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)", die is toegekend aan de gronden op de hoek van de Rijksweg en de Visweg, eveneens een rotonde mogelijk maakt behoefde het plan geen aanpassing. Wanneer blijkt dat een rotonde binnen het bestemmingsvlak op de kruising Rijksweg-Visweg niet realiseerbaar is zal een afzonderlijke procedure worden doorlopen teneinde dit alsnog mogelijk te maken, aldus de raad. De aanpassing van de kruising Rijksweg-Visweg zal gelijktijdig met de start van de woningbouw ter hand worden genomen.

17.2. Aan de gronden van de Rijksweg ter hoogte van de woning van [appellant sub 2] zijn in het plan grotendeels de bestemming "Verkeer (V)" en voor een klein deel de bestemming "Gemengd-Uit te werken (G-U1)" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Verkeer (V)" onder meer bestemd voor doorgaand verkeer en de aanleg van infrastructuur.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, zijn de gronden met de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" onder meer bestemd voor ontsluitingswegen, wegen en paden en verkeers- en verblijfsvoorzieningen.

17.3. [appellant sub 2] stelt op zich terecht dat het plan geen concrete invulling voor de kruising Rijksweg-Visweg bevat. In beginsel behoort het echter tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de Wro brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven dan wel nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.4 is overwogen is in dit geval voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen waarin de bestemming "Gemengd-Uit te werken (G-U1)" voorziet.

De bestemming "Verkeer (V)" betreft een directe bestemming waarvoor in de planregels een concrete bestemmingsomschrijving inclusief toegestane functies is opgenomen. De hoeveelheid toegestane functies is naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat onvoldoende inzicht wordt geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen binnen de bestemming "Verkeer (V)".

Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijkheid over de toekomstige invulling van de kruising Rijksweg-Visweg zodat de raad in redelijkheid niet een meer gedetailleerde regeling voor deze gronden behoefde vast te stellen.

17.4. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan dient te waarborgen dat de benodigde infrastructuur moet worden uitgevoerd alvorens de bouw van de woningen plaats zal vinden, wordt overwogen dat er geen wettelijke regeling bestaat, die tot een dergelijke faseringsregeling verplicht. Mede gelet op de toezegging van de raad dat de aanpassing van de kruising Rijksweg-Visweg zal worden aangepakt tegelijk met de start van de woningbouw, was de raad ook vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet gehouden een regeling hieromtrent in het plan op te nemen.

18. [appellant sub 2] vreest als gevolg van het toenemend verkeersaanbod op de Rijksweg voor verslechtering van de luchtkwaliteit, aantasting van zijn privacy en voor geluid- en lichthinder.

18.1. De raad stelt dat wat luchtkwaliteit betreft geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. De geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen zal na herinrichting van de ontsluitingsroute en toepassing van de voorgestelde maatregelen, waaronder stil asfalt, afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Wel kan er in het geval van een LARGAS-oplossing sprake zijn van extra lichthinder en aantasting van privacy doordat het verkeer op de Rijksweg dichter langs de woning van [appellant sub 2] zal rijden, maar volgens de raad zal dan geen sprake zijn van een onaanvaardbare situatie.

18.2. In het verkeersonderzoek staat dat op de Rijksweg sprake is van een herinrichting waarvoor een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. In het milieueffectenonderzoek zijn onder meer de geluidseffecten van deze herinrichting onderzocht en is gekeken naar de luchtkwaliteit tengevolge van het plan. De conclusie van dit milieueffectenonderzoek is dat de voorgenomen herinrichting van de Rijksweg geen grote knelpunten oplevert voor geluidhinder. Op een enkele locatie neemt de geluidsbelasting met 2 dB of meer toe. Toepassing van geluidreducerende maatregelen, zoals geluidreducerend asfalt, is naar alle waarschijnlijkheid voldoende om deze toename te reduceren. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is geconcludeerd dat voor geen van de onderzoekslocaties de grenswaarden van stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) worden overschreden tengevolge van het plan.

18.3. De Afdeling stelt voorop dat de feitelijke invulling van de kruising Rijksweg-Visweg een aspect van uitvoering betreft, hetwelk in deze procedure als zodanig niet aan de orde kan komen.

In het milieueffectenonderzoek is uitgegaan van een LARGAS-oplossing voor deze kruising. Deze LARGAS-oplossing is mogelijk binnen de gronden met de bestemming "Verkeer (V)". Uit het hiervoor onder 18.2 genoemde milieueffectenonderzoek kan worden afgeleid dat vanuit het oogpunt van geluidhinder en luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan voor de uitvoerbaarheid van het plan in zoverre. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren. De raad heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat met een LARGAS-oplossing als invulling van de kruising Rijksweg-Visweg geen onaanvaardbare milieueffecten zullen optreden. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele LARGAS-oplossing een zodanige afname van privacy alsmede lichthinder met zich brengt dat de raad hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat de raad voornemens is ter plaatse van de kruising een rotonde te realiseren. Volgens de raad is een rotonde binnen de bestemming "Verkeer (V)" niet mogelijk en is daarvoor tevens een gedeelte van de aangrenzende gronden met de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" nodig. [appellant sub 2] heeft dit niet betwist. De realisatie van een rotonde is daarmee pas mogelijk na het vaststellen van een uitwerkingsplan. In artikel 17, lid 17.2, onder c, van de planregels, betreffende de uitwerkingsregels behorende bij de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)", is bepaald dat de geluidbelasting op de woningen wegens wegverkeerslawaai niet meer dan 48 dB(A) bedraagt dan wel een door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan de vaststelling van een uitwerkingsplan toegekende hogere waarde. Gelet hierop heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre met betrekking tot geluidhinder tot ernstig nadelige effecten zal leiden. [appellant sub 2] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het plan met een invulling van de kruising Rijksweg-Visweg in vorm van een rotonde onaanvaardbare gevolgen op het gebied van luchtkwaliteit, lichthinder en privacy voor hem zullen optreden. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" aan een zodanig grote oppervlakte is toegekend dat de mogelijkheid bestaat de kruising zo in te richten dat een rotonde zich op grotere afstand van de woning van [appellant sub 2] zal bevinden dan de huidige kruising. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat in de op dit punt onbestreden aanvullende notitie van 16 november 2011, waarin in opdracht van de raad door Goudappel Coffeng de effecten van een rotonde zijn beoordeeld, staat dat uitgesloten kan worden dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden overschreden na de realisatie van een rotonde.

De Afdeling wijst er op dat belanghebbenden zo nodig rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen de in het uitwerkingsplan aan de orde zijnde invulling.

Het perceel van BAM B.V.

19. BAM B.V. is eigenaar van het perceel op de hoek van de Rijksweg en de Visweg, kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3720, en kan zich niet verenigen met de voorziene verkeerssituatie nabij haar perceel.

BAM B.V. betoogt in de eerste plaats dat de voorziene verbreding van de Visweg en de realisatie van een rotonde op de kruising Rijksweg-Visweg conflicteren met haar eigendomsrecht en met de invulling van haar perceel, zoals zij is overeengekomen met de gemeente, te weten het ontwikkelen, realiseren en verkopen van drie vrijstaande woningen. Door toekenning van de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-V)" aan een gedeelte van haar perceel wordt de beschikbare oppervlakte voor haar woningbouwproject beperkt, hetgeen volgens BAM B.V. de kwaliteit en daarmee de verkoopbaarheid van de beoogde woningen nadelig beïnvloedt. Ten onrechte stelt de raad dat een kleinere kavel geen afbreuk doet aan de beoogde kwaliteit van de woningen, terwijl het BAM B.V. om de kwaliteit van het project als geheel gaat.

Daarnaast vreest BAM B.V. voor meer geluids- en verkeersoverlast door toenemend verkeer op de Visweg, die als beoogde ontsluitingsweg voor het nieuw te ontwikkelen woongebied is aangewezen.

Tot slot betoogt BAM B.V. dat de door het gemeentebestuur toegezegde compensatie tot op heden niet heeft plaatsgevonden. De enkele toezegging hiertoe is volgens BAM B.V. niet voldoende om te kunnen stellen dat voldoende rekening is gehouden met haar belangen.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, welke geleid heeft tot de keuze de Visweg te verbreden en een adequate oplossing voor het kruispunt Rijksweg-Visweg te realiseren. De realisatie van de drie woningen op het perceel van BAM B.V. blijft daarbij mogelijk, zodat de raad van mening is dat het woningbouwplan van BAM B.V. niet onevenredig wordt geschaad.

Het gemeentebestuur wenst nog steeds met BAM B.V. tot minnelijke overeenstemming te komen, maar de raad stelt dat, in het geval dit niet lukt, de gemeente op onteigeningsbasis de gronden zal moeten verwerven. Gedurende het bestemmingsplantraject hebben diverse overleggen met BAM B.V. plaatsgevonden, welke tot op heden nog niet hebben geleid tot overeenstemming. Volgens de raad is gelet hierop geen sprake van onzorgvuldig handelen door het gemeentebestuur.

19.2. Aan het noordelijke deel van het perceel van BAM B.V. is de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-V)" toegekend.

Aan het overige deel van het perceel van BAM B.V. zijn de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" en de nadere aanduiding "3" toegekend. Aan het gedeelte van dit plandeel gelegen binnen de milieucirkel van het bedrijf van Jacob Hooy is tevens de aanduiding "wonen uitgesloten [-w]" toegekend.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels zijn ter plaatse van de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" onder meer woningen, maatschappelijke voorzieningen en ontsluitingswegen toegestaan.

Ingevolge de planregels bezien in samenhang met de verbeelding bedraagt het maximumaantal toegestane wooneenheden op het perceel van BAM B.V. met de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" drie. Ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten [-w]" zijn woningen niet toegestaan.

19.3. In het deskundigenbericht staat dat het perceel van BAM B.V. een ruitvormig terrein van ongeveer 65 bij 60 m is, dat thans geen specifiek gebruik kent. De strook grond met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-V)" is volgens het deskundigenbericht aan de westelijke zijde 4 m breed en aan de oostelijke zijde 10 m. De oppervlakte van deze strook bedraagt ongeveer 300-500 m2. BAM B.V. noch de raad heeft de juistheid hiervan betwist.

19.4. Ter hoogte van het perceel van BAM B.V. voorziet het plan in een verbreding van de Visweg. Hiertoe is aan een gedeelte van de gronden van BAM B.V. de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-V)" toegekend.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de raad te kennen gegeven een herinrichting van de kruising Rijksweg-Visweg te beogen. In het geval dat de aan de gronden van deze kruising toegekende bestemming "Verkeer (V)" onvoldoende ruimte biedt voor de beoogde inrichting, is volgens de raad mogelijk een gedeelte van de gronden van BAM B.V. nodig, waaraan de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" is toegekend. In dat geval wordt het oppervlak waarop BAM B.V. woningen wenst te realiseren beperkt.

19.5. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij een goede afwikkeling van het verkeer dan aan het belang van BAM B.V. om op haar gehele perceel woningen te kunnen realiseren. Daartoe wordt overwogen dat bij een beperktere omvang van het perceel van BAM B.V. weliswaar mogelijk enige afbreuk wordt gedaan aan de omgevingskwaliteit, maar dat BAM B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verbreding van de Visweg en/of benutting van een gedeelte van haar gronden voor de realisatie van een rotonde verwezenlijking van de door haar gewenste drie woningen op haar perceel in het geheel in de weg staat. Verder betrekt de Afdeling hierbij dat het perceel van BAM B.V. thans onbebouwd is en dat voor dit perceel geen concreet bouwplan aanwezig is, maar slechts een inrichtingsschets. Gelet op het door de raad gestelde omtrent minnelijke overeenstemming dan wel onteigening is evenmin aannemelijk dat de bestaande eigendomssituatie verwezenlijking van de door de raad voorgestane herinrichting in de weg staat.

19.6. Met betrekking tot de door BAM B.V. gevreesde verkeers- en geluidsoverlast als gevolg van de verkeersbelasting op de Visweg overweegt de Afdeling dat beoogd wordt de Visweg in te richten als eenrichtingsweg. Uit het milieueffectenonderzoek volgt dat met name op het gedeelte van de Visweg gelegen tussen de Rijksweg en de Pagenlaan sprake zal zijn van een toename van de geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen van maximaal 3 dB als gevolg van een toenemend aantal verkeersbewegingen vanuit de nieuwe woongebieden, maar dat bij toepassing van conventioneel asfalt het geluidsniveau op de nabijgelegen woningen ter plaatse vergelijkbaar zal zijn met de heersende geluidsbelasting. Uit het verkeersonderzoek en het aanvullend verkeersonderzoek volgt dat de Visweg met de voorgestelde aanpassingen, waaronder het instellen van eenrichtingsverkeer en het opnemen van snelheidsremmende maatregelen, het verkeersaanbod verkeersveilig kan verwerken. Met hetgeen BAM B.V. heeft aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat deze rapporten zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad bij het vaststellen van het plan niet van de resultaten van deze onderzoeken heeft mogen uitgaan. De raad heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse geen onaanvaardbare geluidsbelasting en verkeersoverlast zullen optreden.

20. Voor zover BAM B.V. betoogt dat de toegezegde compensatie nog niet heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat dit aspect in de onderhavige bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

21. BAM B.V. heeft zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

BAM B.V. heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het perceel van GGZ

22. GGZ is eigenaar van het perceel Oosterzijweg 8 en betoogt dat aan een gedeelte van haar gronden ten onrechte de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" is toegekend in plaats van de gewenste maatschappelijke bestemming. Volgens GGZ leidt deze bestemming tot grote onzekerheid ten aanzien van de toekomstige bedrijfsvoering. Ook is deze bestemming zowel wat betreft toegestane functies als wat betreft bouwmogelijkheden te beperkt.

Voorts betoogt GGZ dat de planregels behorende bij deze bestemming ongeveer 25 woningen op het perceel van GGZ toestaan, terwijl de onderliggende documenten, waaronder het beeldkwaliteitsplan, spreken van 32 woningen. De aanduiding "maximaal 32 woningen" op de verbeelding biedt volgens GGZ onvoldoende zekerheid.

22.1. De raad stelt dat een aantal bedrijven, waaronder de bedrijven op de gronden van GGZ, naar aard en schaal niet past bij de voorziene woningbouwontwikkeling met landgoederenkarakter ter plaatse. Derhalve heeft de raad de gronden van GGZ binnen een uit te werken bestemming gebracht en het gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Het overgangsrecht maakt het mogelijk dat het bestaande gebruik voortgezet mag worden. Ook is na een eenmalige ontheffing vergroting van de bebouwing met 10% mogelijk. Binnen de planperiode is het gemeentebestuur echter voornemens op onteigeningsbasis tot verwerving van de gronden over te gaan en waar mogelijk de bedrijven uit te plaatsen.

Op de verbeelding is aangegeven dat binnen het bestemmingsvlak van GGZ een maximumaantal van 32 woningen is toegestaan. De toekenning van een agrarische bestemming aan een gedeelte van de gronden van GGZ heeft daarmee geen invloed op het aantal te bouwen woningen. Dit resulteert er alleen in dat dit aantal woningen binnen een kleiner oppervlak mag worden gerealiseerd, aldus de raad.

22.2. De gronden van GGZ zijn gelegen in het noordoosten van het plangebied, ten oosten van de Oosterzijweg. Het perceel kent een diepte van ongeveer 400 m vanaf deze weg en wordt ontsloten via een toegangsweg, die over een afstand van ongeveer 80 m vanaf de Oosterzijweg wordt geflankeerd door agrarische weidegronden. De agrarische gronden ten zuiden van deze toegangsweg zijn eveneens in eigendom bij GGZ.

22.3. In het deskundigenbericht staat dat op het parkachtig ingerichte perceel van GGZ drie gebouwen aanwezig zijn. Deze gebouwen zijn vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw tot 2004 in gebruik geweest als psychiatrisch zorgcomplex. Daarna werden er facilitaire functies van GGZ in gevestigd en is een deel van de gebouwen verhuurd. De facilitaire functies zijn onlangs elders ondergebracht. Het hoofdgebouw is thans in gebruik als basisschool voor speciaal onderwijs en tijdelijke huisvesting voor buitenlandse uitzendkrachten. Het gebouw 'Oosthoek' wordt eveneens gebruikt als basisschool en het gebouw 'Paulus' wordt verhuurd aan het Trainingsinstituut voor Neuro-Linguïstisch Programmeren.

22.4. Aan de gronden van GGZ waarop zich thans bebouwing bevindt is de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" toegekend. In 7.3 zijn de planregels behorende bij deze bestemming weergegeven.

Ingevolge de verbeelding bedraagt het maximumaantal wooneenheden voor dit plandeel 32.

22.5. In het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 10 juli 1974, waren aan de gronden van GGZ de bestemmingen "Agrarische Doeleinden I" en "Bijzondere Doeleinden II" toegekend.

Ingevolge artikel 9, onder A, van de bij dat plan behorende voorschriften waren de op de kaart voor "Bijzondere Doeleinden II" bestemde gronden bedoeld voor medische, sociale en religieuze doeleinden met de daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken, alsmede sportterreinen, groenvoorzieningen en parkeerterreinen.

22.6. Gelet op hetgeen in 7.4 is overwogen is in dit geval voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen die de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" mogelijk maakt.

Niet in geschil is dat het bestaande gebruik van de gronden van GGZ onder het voorgaande plan was toegestaan. De Afdeling stelt vast dat de uit te werken bestemming het huidige gebruik van de gronden van GGZ, afgezien van het gebruik voor woondoeleinden, niet toestaat. Het desbetreffende gebruik is door de raad onder het overgangsrecht gebracht. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In het onderhavig geval heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw met een landgoederenkarakter ter plaatse dan aan het belang van GGZ bij behoud van een maatschappelijke bestemming. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom.

De Afdeling overweegt dat de keuze van de raad om het gebruik van de gronden door GGZ onder het overgangsrecht te brengen alleen aanvaardbaar is, indien aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu de raad te kennen heeft gegeven dat zal worden overgegaan tot onteigening indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met GGZ, is het naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat het gebruik van de gronden binnen de planperiode zal worden beëindigd.

22.7. Ten aanzien van het aantal toegestane woningen overweegt de Afdeling dat artikel 18, lid 18.2, aanhef en onder g, van de planregels zo dient te worden verstaan dat het aantal woningen per bestemmingsvlak maximaal het aantal betreft dat op de verbeelding is aangegeven, of, indien er geen aantal is aangegeven, niet meer dan vijf woningen per ha. In dit geval is op de verbeelding, die tot de bindende delen van het bestemmingsplan behoort, aangegeven dat binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" ter plaatse van het perceel van GGZ een maximum van 32 woningen is toegestaan. Anders dan GGZ stelt, is in de planregels niet opgenomen dat op haar perceel 25 woningen zijn toegestaan. Gelet op het voorgaande biedt het plan in zoverre naar het oordeel van de Afdeling voldoende zekerheid ten aanzien van de hoeveelheid toegestane woningen op het perceel van GGZ. Het betoog faalt.

23. Verder betoogt GGZ dat onvoldoende duidelijkheid wordt geboden over het segment woningbouw dat ter plaatse is toegestaan. Zij voert hiertoe aan dat is aangegeven dat woningen in het topsegment dienen te worden gerealiseerd, maar dat de raad in de nota zienswijzen stelt dat dit niet planologisch kan en zal worden vastgelegd. Tegelijkertijd is in de planregels wel een bepaling met betrekking tot een percentage sociale woningbouw opgenomen, hetgeen planologisch niet is toegestaan volgens GGZ.

23.1. De raad stelt dat het perceel van GGZ binnen de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" valt en dat in artikel 18 van de planregels is bepaald dat uitwerking plaatsvindt per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen". Uit dit beeldkwaliteitsplan volgt dat op dit perceel een aantal buitenplaatsen mag worden gerealiseerd, waarbij in één buitenplaats een aantal woningen is toegestaan. Anders dan de WRO biedt de Wro volgens de raad uitdrukkelijk de mogelijkheid om regels te stellen omtrent woningbouwcategorieën. In de nota zienswijzen heeft de raad gesteld dat de realisatie van het dure segment en het topsegment planologisch niet is vastgelegd. Wel vastgelegd is het type woning, namelijk vrijstaande en gestapelde woningen en buitenplaatsen.

23.2. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, voor zover relevant, stelt de raad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

Ingevolge artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van de uitvoerbaarheid regels bevatten met betrekking tot sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap.

23.3. Artikel 18, lid 18.2, van de planregels bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2

(G-U2)" uitwerkt met inachtneming van de volgende uitwerkingsregels:

[…]

b. Uitwerking vindt plaats per bestemmingsvlak of een deel daarvan op basis van het vastgestelde beeldkwaliteitsplan "Wonen in het Groen" en het vastgestelde structuurplan "Limmen-Zandzoom".

[…]

h. het aandeel sociale huur- en/of koopwoningen bedraagt minimaal 38% van het totaal aantal woningen in categorie 1 tot en met 4, zoals omschreven in tabel 4.3 in de bij dit plan behorende toelichting;

[…].

In tabel 4.3 van de plantoelichting is een verdeling over prijsklassen van woningen in het gebied Zandzoom opgenomen. Hierin zijn de categorieën betaalbare sociale huur en goedkope koop (categorie 1), duurdere sociale huur en betaalbare koop (categorie 2), huur marktsector en middeldure koop (categorie 3), dure koop (categorie 4) en topsegment opgenomen.

23.4. Gelet op hetgeen in de uitwerkingsregels behorende bij de bestemming "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" en het beeldkwaliteitsplan is opgenomen, namelijk dat op het perceel van GGZ een aantal buitenplaatsen mag worden gerealiseerd waarbij per buitenplaats meerdere woningen zijn toegestaan, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijkheid verschaft in het ter plaatse te ontwikkelen woningsegment. De Afdeling betrekt hierbij dat aan de gronden van GGZ een uit te werken bestemming is toegekend, zodat ter nadere invulling nog een uitwerkingsplan zal worden vastgesteld waartegen door belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Voor zover GGZ betoogt dat het opnemen van een percentage sociale woningbouw in de planregels niet is toegestaan, wordt overwogen dat artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro dit mogelijk maken.

Het perceel van [appellanten sub 6]

24. [appellanten sub 6] betogen dat in het plan voor hun perceel en de gronden in de nabije omgeving in beginsel woningbouw beoogd is, maar dat de structuurvisie "Bedrijventerrein Castricum" (hierna: de structuurvisie) daarentegen uitgaat van behoud van de omliggende bedrijvigheid. Het bestemmingsplan en de structuurvisie hebben tegelijkertijd ter inzage gelegen en lijken met elkaar in strijd te zijn, zo betogen [appellanten sub 6]. Hierdoor is bij [appellanten sub 6] onzekerheid ontstaan over de invulling van het gedeelte van hun perceel waaraan een uit te werken bestemming is toegekend en zijn zij bevreesd dat in plaats van "Wonen in het Groen" bedrijvigheid op deze gronden zal komen.

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat binnen de afspraken ten aanzien van het project "Wonen in het Groen" geen ruimte is voor een uitbreiding van het bedrijventerrein 'Nieuwelaan-West'.

24.2. [appellanten sub 6] zijn woonachtig aan de [locatie 3] te Limmen.

Aan een groot deel van hun perceel zijn in het plan de bestemmingen "Wonen (W)" en "Tuin (T)" toegekend.

Aan een gedeelte van de tuin van [appellanten sub 6] is de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" toegekend. In 7.3 zijn de planregels behorende bij deze bestemming weergegeven.

24.3. Zoals reeds in 7.4 is overwogen behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van het plan te bepalen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang bij de globale bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" dan aan het belang van [appellanten sub 6] bij een directe bestemming. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de precieze invulling van het beoogde toekomstige woonlandschap thans nog niet bekend is. Zoals in 7.4 is overwogen, is voorts voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkelingen ter plaatse van deze bestemming. De Afdeling merkt op dat ingevolge de planregels bij de bestemming "Woongebied-Uit te werken

(WG-U)" bedrijvigheid niet is toegestaan. De vrees van [appellanten sub 6] voor bedrijvigheid is daarmee ongegrond. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling niet onaanvaardbaar dat de daadwerkelijke invulling van deze bestemming pas in een uitwerkingsplan aan de orde komt. De Afdeling wijst er op dat hiertegen voor belanghebbenden rechtsmiddelen openstaan.

Met betrekking tot de aangevoerde strijd met de structuurvisie overweegt de Afdeling als volgt. Op het moment van vaststelling van het plan was het ontwerp van de structuurvisie nog niet vastgesteld. Het vastgestelde plan en de ontwerpstructuurvisie hebben wel tegelijkertijd ter inzage gelegen. Voor zover het plan op dit punt van de ontwerpstructuurvisie zou afwijken, overweegt de Afdeling dat de raad daaraan gezien het bovenstaande een deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd.

25. [appellanten sub 6] hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellanten sub 6] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het perceel van [appellanten sub 5]

26. [appellante sub 5A] is eigenaar van de gronden gelegen aan de [locatie 1]. [appellante sub 5B] exploiteert ter plaatse een transportbedrijf voor voedingsmiddelen. [appellanten sub 5] betogen dat het transportbedrijf ten onrechte in het plan niet als zodanig is bestemd. In dat verband voeren zij allereerst aan dat de raad bij de keuze voor het niet als zodanig bestemmen van het transportbedrijf onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellante sub 5B], waaronder eventuele uitbreidingsplannen. Het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf is voorts in strijd met de structuurvisie, omdat daarin staat dat bedrijvigheid aan de Rijksweg gestimuleerd dient te worden. Verder is niet gebleken dat een alternatieve locatie voor het bedrijf bestaat, hetgeen wordt bevestigd in de structuurvisie, waarin staat dat in Castricum sprake is van een tekort aan bedrijventerreinen.

[appellanten sub 5] vrezen verder, kort gezegd, dat woningbouw zal plaatsvinden binnen de milieucontour van hun transportbedrijf.

26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied als gevolg van het project "Wonen in het Groen" zal worden ingericht als een zogenoemd woonlandschap. Een aantal bedrijven, waaronder het transportbedrijf van [appellante sub 5B], past gelet op de grootte van de huidige milieucontour en de grootte en ligging van de afzonderlijke percelen niet binnen de voorziene woningbouwontwikkeling in de Zandzoom en is derhalve niet als zodanig bestemd. De raad stelt dat de belangen van [appellanten sub 5] bij die keuze zijn meegewogen. Het transportbedrijf is in het plan onder het overgangsrecht gebracht. Binnen de planperiode zal op basis van minnelijke verwerving dan wel onteigening uitplaatsing van het bedrijf plaatsvinden, aldus de raad. Zolang het bestaande gebruik van de gronden aan de [locatie 1] wordt voortgezet zal de huidige milieucontour worden gerespecteerd.

26.2. Aan de gronden gelegen aan de [locatie 1] is, voor zover van belang, de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" toegekend.

In 2.7.3 zijn de planregels behorende bij deze bestemming weergegeven.

Artikel 25, lid 25.1, waarin het overgangsrecht voor bouwwerken is opgenomen, luidt als volgt:

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.

b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.

c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge lid 25.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

26.3. Op het oostelijke deel van de gronden gelegen aan de [locatie 1] was het plan "Handel en nijverheid" van toepassing. Hieraan waren de bestemmingen "Bedrijven (B)", voorzien van de aanduiding "4", en "Eengezinshuizen in open bebouwing met bijbehorende erven (EO)" toegekend. Voor het westelijke deel van de gronden aan de [locatie 1] gold het plan "Strandwal". Aan die gronden was de bestemming "Bedrijven, kategorie B (B-B)" toegekend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften bij het plan "Handel en nijverheid" waren, voor zover van belang, de op de plankaart voor "Bedrijven (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, voor zover voorkomend in de categorieën 1 t/m 3A van de Staat van Inrichtingen zoals opgenomen als Bijlage I, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, waren de door een daartoe op de plankaart aangegeven aanduiding aangewezen gronden mede bestemd overeenkomstig het huidige gebruik als volgt: het transportbedrijf aan de [locatie 1] voor transportbedrijf als bedoeld in categorie 5 van de Staat van Inrichtingen.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder e, waren ter plaatse waar dit op de plankaart door middel van een aanduiding was aangegeven meerdere bedrijfs- en dienstwoningen toegestaan tot maximaal het gegeven aantal.

Ingevolge artikel 9, lid 1b, van de voorschriften bij het plan "Strandwal" waren, voor zover van belang, de op de plankaart voor "Bedrijven, kategorie B (B-B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in de categorieën 1 t/m 3A van de Staat van Inrichtingen opgenomen als bijlage A van deze voorschriften, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, waren de in lid 1b bedoelde gronden, voor zover zij op de plankaart waren aangewezen, mede bestemd overeenkomstig het huidige gebruik, als volgt: het transportbedrijf [locatie 1]: voor transportbedrijf als bedoeld in categorie 5 van de Staat van Inrichtingen.

26.4. In het deskundigenbericht staat dat het perceel waar het bedrijf van [appellante sub 5B] is gevestigd 1,5 ha groot is. Op het terrein zijn een kantoorruimte, een wasplaats voor vrachtwagens en een werkplaats aanwezig. Voorts staan op het perceel loodsen die worden verhuurd aan derden.

26.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In de voorliggende situatie heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw dan aan het belang van [appellante sub 5B] om zijn transportbedrijf ter plaatse voort te zetten. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom.

De bedrijfsvoering van [appellante sub 5B] is in het plan onder het overgangsrecht gebracht. De Afdeling overweegt dat de keuze van de raad om het transportbedrijf onder het overgangsrecht te brengen alleen aanvaardbaar is indien aannemelijk is dat de bedrijfsvoering binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu de raad in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat zal worden overgegaan tot onteigening binnen de planperiode indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met [appellante sub 5A], is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 5B] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Anders dan [appellanten sub 5] betogen is voor de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode niet noodzakelijk dat over de beschikbaarheid van een alternatieve locatie voor het transportbedrijf zekerheid bestaat.

De Afdeling overweegt dat de uitwerkingsregels ruimte laten voor een nadere afweging van betrokken belangen. In dit verband heeft de raad ter zitting toegezegd dat zolang het bestaande gebruik van de gronden aan de [locatie 1] wordt voortgezet, bij de uitwerking van het plan de milieucontour, die strekt tot 100 m rondom de gronden aan de [locatie 1], zal worden aangehouden en dat binnen deze contour geen woningbouw zal worden gerealiseerd. Voor zover [appellanten sub 5] vrezen dat bij de uitwerking van het plan onvoldoende rekening wordt gehouden met hun belangen, overweegt de Afdeling dat zij de mogelijkheid hebben alvorens het uitwerkingsplan door het college van burgemeester en wethouders zal worden vastgesteld, een zienswijze op het ontwerpuitwerkingsplan in te dienen en tegen het uitwerkingsplan rechtsmiddelen aan te wenden.

Voorts overweegt de Afdeling dat de raad niet kan worden verweten geen rekening te hebben gehouden met eventuele uitbreidingsplannen van [appellante sub 5B] Hierbij betrekt de Afdeling dat, nog daargelaten dat uitgangspunt van het plan is dat de bedrijfsvoering van [appellanten sub 5] ter plaatse zal worden beëindigd, uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen. Bovendien kan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder b, van de planregels eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bedrijf met maximaal 10%.

Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat bij het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf ten onrechte geen rekening is gehouden met de structuurvisie, overweegt de Afdeling als volgt. Op het moment van vaststelling van het plan was het ontwerp van de structuurvisie nog niet vastgesteld. Het vastgestelde plan en de ontwerpstructuurvisie hebben wel tegelijkertijd ter inzage gelegen. Voor zover het plan op dit punt van de ontwerpstructuurvisie zou afwijken, overweegt de Afdeling dat de raad daaraan gezien het bovenstaande een deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd.

Het perceel van [appellante sub 8]

27. [appellante sub 8] exploiteert een transportbedrijf aan de [locatie 2]. Het bedrijf vervoert materialen voor de weg- en waterbouw en voor de agrarische sector in de regio. [appellante sub 8] betoogt dat haar transportbedrijf ten onrechte in het plan niet als zodanig is bestemd. In dat verband voert zij aan dat de raad bij de keuze voor het niet als zodanig bestemmen van het transportbedrijf onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf is voorts in strijd met de structuurvisie, omdat daarin staat dat bedrijvigheid aan de Rijksweg gestimuleerd dient te worden. Verder is niet gebleken van een alternatieve locatie voor het bedrijf, hetgeen wordt bevestigd in de structuurvisie waarin staat dat in Castricum een tekort aan bedrijventerreinen bestaat.

[appellante sub 8] vreest verder, kort gezegd, dat woningbouw zal plaatsvinden binnen de milieucontour van haar transportbedrijf.

27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied als gevolg van het project "Wonen in het Groen" zal worden ingericht als een zogenoemd woonlandschap. Een aantal bedrijven, waaronder het transportbedrijf van [appellante sub 8], past gelet op de grootte van de huidige milieucontour en de grootte en ligging van de afzonderlijke percelen niet binnen de voorziene woningbouwontwikkeling in de Zandzoom en is derhalve niet als zodanig bestemd. De raad stelt dat de belangen van [appellante sub 8] bij die keuze zijn meegewogen. Het transportbedrijf is in het plan onder het overgangsrecht gebracht. Binnen de planperiode zal op basis van minnelijke verwerving dan wel onteigening uitplaatsing van het bedrijf plaatsvinden, aldus de raad. Zolang het bestaande gebruik van de gronden aan de [locatie 2] wordt voortgezet zal de huidige milieucontour worden gerespecteerd.

27.2. Aan de gronden aan de [locatie 2], waar thans het bedrijf is gevestigd, is, voor zover van belang, de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" aangewezen gronden bestemd voor woningen.

Ingevolge lid 19.2, aanhef en onder a, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming uit en neemt daarbij in acht dat de uitwerking van de bestemming plaatsvindt in goede afstemming met de aangrenzende bestemmingen.

In 26.2 zijn de planregels die zien op het overgangsrecht voor bouwwerken weergegeven.

27.3. In het hiervoor geldende plan "Strandwal" waren aan de gronden van [locatie 2] de bestemmingen "Agrarische doeleinden (A)", "Woondoeleinden, kategorie A (Wo-A)" en "Bedrijven, kategorie A (B-A)" toegekend.

Ingevolge artikel 3 van de voorschriften bij dat plan, voor zover van belang, waren de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden (A)" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, te weten uitsluitend tuinbouwbedrijven en glastuinbouwbedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, garages, carports, bouwwerken - geen gebouwen zijnde - en open erven.

Ingevolge artikel 9, lid 1a, van de voorschriften bij dat plan, voor zover van belang, waren de op de plankaart voor "Bedrijven, kategorie A (B-A)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in de categorieën 1 t/m 3 van de Staat van inrichtingen opgenomen als bijlage A van deze voorschriften, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde - en open terreinen, opslag-, laad- los- en parkeerplaatsen daaronder begrepen.

27.4. In het deskundigenbericht staat dat het bedrijf van [appellante sub 8] is gevestigd op een terrein van 0,4 ha. Het bedrijf beschikt over elf trekker-oplegger-combinaties die op locatie staan of in een loods op het terrein aan de Hogeweg. Naast de inrit staat de woning van [appellant sub 8A].

27.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In voorliggende situatie heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw dan aan het belang van [appellante sub 8] om het transportbedrijf ter plaatse voort te zetten. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom.

Nu de raad in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat zal worden overgegaan tot onteigening indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met [appellante sub 8], is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 8] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Anders dan [appellante sub 8] stelt, is voor de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode niet noodzakelijk dat een alternatieve locatie voor het transportbedrijf beschikbaar is.

De Afdeling overweegt dat de uitwerkingsregels ruimte laten voor een nadere afweging van belangen. In dit verband heeft de raad ter zitting toegezegd dat zolang het bestaande gebruik van de gronden aan de [locatie 2] wordt voortgezet, bij de uitwerking van het plan de milieucontour ten aanzien van de bedrijfsvoering van [appellante sub 8] zal worden aangehouden en dat binnen deze contour geen woningbouw zal worden gerealiseerd. Voor zover [appellante sub 8] vreest dat bij de uitwerking van het plan onvoldoende rekening wordt gehouden met haar belangen, overweegt de Afdeling dat zij de mogelijkheid heeft alvorens het uitwerkingsplan door het college van burgemeester en wethouders zal worden vastgesteld, een zienswijze op het ontwerpuitwerkingsplan in te dienen en tegen het uitwerkingsplan rechtsmiddelen aan te wenden.

Voor zover [appellante sub 8] betoogt dat bij het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf ten onrechte geen rekening is gehouden met de structuurvisie overweegt de Afdeling als volgt. Op het moment van vaststelling van het plan was het ontwerp van de structuurvisie nog niet vastgesteld. Het vastgestelde plan en de ontwerpstructuurvisie hebben wel tegelijkertijd ter inzage gelegen. Voor zover het plan op dit punt van de ontwerpstructuurvisie zou afwijken, overweegt de Afdeling dat de raad daaraan gezien het bovenstaande een deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd.

Het perceel van [appellanten sub 9]

28. [appellanten sub 9] exploiteren een loonbedrijf en geitenmelkerij aan de [locatie 6]. Hun gronden staan kadastraal bekend als gemeente Limmen, sectie C, nummer 3797 en 3880 (hierna: perceel 3797 en perceel 3880). Zij betogen dat de geitenmelkerij en het loonbedrijf ten onrechte in het plan niet als zodanig zijn bestemd.

28.1. In het deskundigenbericht staat met betrekking tot de gronden van [appellanten sub 9] dat op het perceel 3797 achter het woonhuis van [appellanten sub 9] de melkruimte en de geitenstallen gelegen zijn. Achter dat perceel ligt een weiland ten dienste van de uitloop van de geiten. Op het perceel 3880, dat halverwege en ten zuiden van het perceel 3797 ligt, staat een loods waarvan [appellanten sub 9] een gedeelte in eigendom hebben verworven voor de stalling van de machines van hun loonbedrijf.

28.2. In het plan zijn, vanaf de Westerweg bezien, aan het voorste gedeelte van het perceel 3797 de bestemmingen "Tuin (T)" en "Wonen (W)" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden bestemd voor woningen en aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.2.

In het plan is, vanaf de Westerweg bezien, aan het achterste gedeelte van het perceel 3797 de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" toegekend, voorzien van de aanduiding "wonen uitgesloten (-w)".

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, b, d en e, zijn gronden met de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" bestemd voor woningen, aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.2, ontsluitingswegen en tuinen en erven.

Ingevolge lid 19.2, aanhef en onder e, zijn op gronden ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten (-w)" geen woningen toegestaan. In een plan van uitwerking mogen afwijkingsbepalingen worden opgenomen voor het mogelijk maken van woningen indien uit nader onderzoek blijkt dat deze woningen geen onevenredige nadelige gevolgen voor de omliggende bedrijven hebben.

Artikel 25, lid 25.2, waarin het overgangsrecht voor gebruik is opgenomen, luidt als volgt:

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van

inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

[…]

28.3. De Afdeling overweegt dat de raad in het besluit, het verweerschrift alsmede ter zitting onvoldoende duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de rechten van [appellanten sub 9] ten aanzien van de geitenmelkerij en het loonbedrijf onder het voorgaande plan "Kapelweg en omgeving" en voorts onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom de regeling onder het voorliggende plan ten aanzien van de geitenmelkerij en het loonbedrijf van [appellanten sub 9] zich, mede gezien de regeling van hun gronden onder het voorgaande plan, verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het loonbedrijf en de geitenmelkerij aan de [locatie 6] niet berust op een deugdelijke motivering. Dit levert een grond op voor vernietiging van het bestreden besluit in zoverre.

28.4. Het onderzoek ter zitting is onder toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst wat betreft het plan op dit punt teneinde de raad in de gelegenheid te stellen nadere informatie alsmede een nadere motivering te geven. Bij brief van 16 april 2012 heeft de raad inzicht verschaft in de regeling onder het voorgaande plan en heeft hij nader gemotiveerd waarom in het licht daarvan de regeling voor de gronden zoals opgenomen in het voorliggende plan zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling ziet aanleiding om nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand dienen te worden gelaten en overweegt hiertoe het volgende.

28.5. Uit de door de raad bij brief van 16 april 2012 toegezonden stukken valt af te leiden dat in het hiervoor geldende plan "Kapelweg en omgeving" aan het vanaf de Westerweg bezien voorste gedeelte van het perceel 3797 de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing, met bijbehorende erven (EO)" en aan het vanaf de Westerweg bezien achterste gedeelte van het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" was toegekend.

Aan het perceel 3880 was de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend. Op beide percelen was geen agrarisch bouwperceel opgenomen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften bij dat plan, voor zover van belang, waren de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor landerijen met agrarische bedrijven, waaronder veehouderijbedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en open erven, met dien verstande dat:

(…)

b. geen gebouwen of andere bouwwerken ten behoeve van agrarische nevenbedrijven mochten worden gebouwd;

c. de gebouwen en andere bouwwerken uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwpercelen mochten worden gebouwd;

(…)

Ingevolge artikel 1, aanhef en lid r, werd onder agrarisch nevenbedrijf verstaan een bedrijf waarbinnen uitsluitend arbeid wordt verricht door bewerking of verwerking, door slag, vervoer of verhandeling van producten, die in een agrarisch bedrijf zijn voortgebracht.

Ingevolge artikel 5 waren de op de plankaart voor "Eengezinshuizen in open bebouwing, met bijbehorende erven (EO)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor woningen en tuinen.

28.6. De Afdeling stelt vast dat het uitoefenen van een geitenmelkerij in strijd was met de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing, met bijbehorende erven (EO)" die onder het voorgaande plan rustte op een gedeelte van het perceel 3797. Het uitoefenen van een geitenmelkerij was in overeenstemming met de bestemming "Agrarische doeleinden" die in het voorgaande plan was toegekend aan het overige gedeelte van het perceel 3797. Vanwege het ontbreken van een bouwperceel was het oprichten van gebouwen voor dergelijke doeleinden echter uitgesloten.

Het standpunt dat de raad in de brief van 16 april 2012 heeft ingenomen dat een loonbedrijf dient te worden gerekend tot een agrarisch nevenbedrijf acht de Afdeling niet onjuist. Gezien de systematiek van het voorgaande plan zoals uiteengezet in de brief van 16 april 2012 waren agrarische nevenbedrijven uitsluitend toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch nevenbedrijf". Uit de nadere stukken kan worden afgeleid dat een dergelijke bestemming niet op het perceel 3880 rustte. Bovendien was geen bouwperceel opgenomen, zodat het bouwen van een loods onder het voorgaande plan ter plaatse niet was toegestaan.

28.7. In het voorliggende plan is de geitenmelkerij in het geheel niet als zodanig bestemd, nu aan de gronden ter plaatse van de geitenmelkerij de bestemming "Wonen (W)" dan wel de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" is toegekend.

Tussen partijen is niet in geschil dat een loonbedrijf in beginsel als een bedrijf in categorie 2 dient te worden aangemerkt. Bij brief van 16 april 2012 heeft de raad te kennen gegeven dat wanneer blijkt dat het om kleinschalige bedrijvigheid gaat (éénmansbedrijf), de productie en/of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaatsvinden en de activiteiten (inclusief opslag) inpandig geschieden, een loonbedrijf onder omstandigheden als een bedrijf in categorie 1 kan worden aangemerkt. Uit het plan vloeit voort dat op het perceel 3880 uitsluitend een bedrijf in categorie 1 is toegestaan.

De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw in het gebied dan aan het belang van [appellanten sub 9] om de geitenmelkerij alsmede een loonbedrijf in categorie 2 ter plaatse te kunnen uitoefenen. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom.

Verder betrekt de Afdeling hierbij dat gezien hetgeen onder 28.6 is overwogen een loonbedrijf in categorie 2 onder het voorgaande plan in het geheel niet was toegestaan op het perceel 3880 en het voorgaande plan niet de geitenmelkerij in zijn huidige vorm toestond, maar uitsluitend het weiden van geiten mogelijk maakte op het gedeelte van het perceel 3797 met de bestemming "Agrarische doeleinden".

Gelet op het voorgaande en nu de raad te kennen heeft gegeven dat binnen de planperiode zal worden overgegaan tot onteigening indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met [appellanten sub 9], is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat het huidige gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

28.8. Nu gezien het onder 28.5-28.7 overwogene het gebrek is hersteld, hoeft dit op zich niet in de weg te staan aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De Afdeling ziet dan ook aanleiding de andere beroepsgrond gericht tegen het bestemmingsplan te beoordelen.

Het perceel van [appellant sub 10]

29. [appellant sub 10] is eigenaar van onder meer het perceel [locatie 7] dat kadastraal bekend staat als gemeente Limmen, sectie C, nummers 3869, 3871 en 3982 (ged.) (hierna: percelen 3869, 3871 en 3982 (ged.). Hij exploiteert een hoveniersbedrijf ter plaatse. Volgens [appellant sub 10] is ten onrechte aan het perceel [locatie 7] geen woonbestemming toegekend en is het hoveniersbedrijf ten onrechte niet als zodanig bestemd. [appellant sub 10] voert in dat verband aan dat de woning bijdraagt aan de doelstelling van het plan om woningbouw in de Zandzoom te realiseren. Daarnaast past het hoveniersbedrijf gezien de bedrijfsactiviteiten en overige activiteiten in het lint goed in het groene karakter van het plan, aldus [appellant sub 10].

29.1. De raad stelt zich ten aanzien van de door [appellant sub 10] gewenste woonbestemming op het standpunt dat het pand aan de [locatie 7] reeds geruime tijd illegaal wordt bewoond. Overigens laat de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" wel woningen toe, maar omdat de huidige schuur ter plaatse op grond van het Bouwbesluit 2003 niet als woning mag worden gebruikt, dient een nieuwe woning op het perceel [locatie 7] gerealiseerd te worden, indien [appellant sub 10] de mogelijkheid wil creëren ter plaatse te wonen, aldus de raad.

Ten aanzien van de bedrijfsbestemming stelt de raad zich op het standpunt dat het plangebied als gevolg van het project "Wonen in het Groen" zal worden ingericht als een zogenoemd woonlandschap. Het bedrijf van [appellant sub 10] kan binnen het kader van de huidige milieuvergunning en volgens het overgangsrecht van het plan voorlopig blijven functioneren. Waar nodig zal planschadevergoeding of onteigening aan de orde zijn en indien mogelijk zal het bedrijf worden verplaatst.

29.2. In het plan is aan de percelen 3869, 3871 en 3982 (ged.) de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" toegekend, waarbij het deel van het perceel 3869 ter plaatse van woning [locatie 7] is voorzien van de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden" en het cijfer 1.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, b, c, d en e, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Woongebied - Uit te werken (WG-U)" bestemd voor woningen, aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, lid 22.1 en lid 22.1, mantelzorg in een afhankelijke woonruimte, ontsluitingswegen en tuinen en erven.

Ingevolge lid 19.2, aanhef en onder j, sub 2, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" uit met inachtneming van het bepaalde in de uitwerkingsregels dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan gemiddeld vijftien per ha, met dien verstande dat op de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden" het aantal woningen niet meer dan het aangegeven aantal mag bedragen.

29.3. In het hiervoor geldende plan "Kapelweg en omgeving" was aan het perceel waar de woning [locatie 7] staat de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de voorschriften bij dat plan waren de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor landerijen met agrarische bedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en open erven, met dien verstande dat bij ieder agrarisch bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning mocht worden gebouwd, voor zover niet reeds één woning aanwezig was.

29.4. Op het perceel 3871 staat een loods die wordt gebruikt voor de opslag van materiaal en materieel ten dienste van het hoveniersbedrijf. Ten noorden van dit perceel ligt het perceel 3869 waarop een schuur staat die door de zoon van [appellant sub 10] wordt gebruikt als woning met het adres [locatie 7]. Achter de woning liggen de agrarische gronden op het perceel 3982. Op dat perceel bevinden zich drie rolkassen. Het voorste gedeelte van dat perceel is verhard en wordt gebruikt als buitenopslag voor materiaal en materieel ten dienste van het hoveniersbedrijf. De overige gronden zijn onverhard en worden volgens het deskundigenbericht deels gebruikt voor de vollegrondteelt.

29.5. Op 5 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders, voor zover van belang, besloten te gedogen dat alleen [appellant sub 10C] het gedeelte van het als kantine/kantoor/archief vergunde gebouw, thans: een schuur, gelegen op het perceel [locatie 7], in afwijking van de bestemming mag gebruiken ten behoeve van particuliere bewoning. In de beschikking staat dat deze persoonsgebonden is, niet overdraagbaar is en evenmin kan overgaan op rechtsopvolgers.

29.6. Zoals volgt uit 7.4 behoort het in beginsel tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van het plan te bepalen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang bij de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" dan aan het belang van [appellant sub 10] bij een directe woonbestemming. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de precieze invulling van het beoogde toekomstige woongebied thans nog niet bekend is. De Afdeling betrekt hier verder bij dat op grond van het hiervoor geldende plan "Kapelweg en omgeving" een woning op het perceel [locatie 7] planologisch niet was toegestaan. De omstandigheid dat een van de doelstellingen van het plan het realiseren van woningbouw is, doet daarom aan het voorgaande niet af. De Afdeling stelt vast dat het plan ter plaatse van [locatie 7] het huidige gebruik van de schuur aan de [locatie 7] als woning, gelet op de bestemming "Woongebied-Uit te werken (WG-U)", niet uitsluit. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het niet onaanvaardbaar dat de afweging omtrent het al dan niet toestaan van een woning ter plaatse, plaatsvindt in het kader van het uitwerkingsplan. De Afdeling wijst er op dat door een belanghebbende in het kader van het uitwerkingsplan zo nodig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen de dan aan de orde zijnde invulling.

29.7. Niet in geschil is dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 10] in het plan onder het overgangsrecht is gebracht. In het onderhavige geval heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw dan aan het belang van [appellant sub 10] om zijn hoveniersbedrijf voort te zetten. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom en het bedrijf niet kan worden ingepast. De Afdeling overweegt dat de keuze voor deze regeling alleen aanvaardbaar is, indien aannemelijk is dat de bedrijfsvoering binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu de raad in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat over zal worden gegaan tot onteigening van de gronden van [appellant sub 10], indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met [appellant sub 10], is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 10] binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Het perceel van [appellant sub 11]

30. [appellant sub 11] woont aan de [locatie 8] en exploiteert ter plaatse een paardenfokkerij en een agrarisch bedrijf gericht op het pellen van bloembollen. Het perceel is kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 1637. [appellant sub 11] voert aan dat zijn bedrijven ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, nu aan de gronden ter plaatse van zijn bedrijven een bestemming is toegekend die agrarische bedrijfsvoering niet toestaat. [appellant sub 11] wenst een compensatieregeling om de bedrijvigheid elders voort te zetten.

30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied als gevolg van het project "Wonen in het Groen" zal worden ingericht als een zogenoemd woongebied. Als gevolg hiervan zijn de in het plangebied aanwezige agrarische functies niet als zodanig bestemd. De bedrijven, voor zover legaal aanwezig, vallen hierdoor onder het overgangsrecht. De bedrijven van [appellant sub 11] kunnen volgens het overgangsrecht bij het plan voorlopig blijven functioneren, aldus de raad.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de door [appellant sub 11] gewenste verplaatsing van de twee bedrijven afhankelijk is van diverse factoren. Waar nodig zal planschadevergoeding of onteigening aan de orde zijn, aldus de raad.

30.2. In het plan zijn aan het perceel [locatie 8] twee verschillende bestemmingen toegekend.

Aan de gronden ter plaatse van de woning is de bestemming "Wonen (W)" toegekend, voorzien van de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden" en het cijfer 2.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden bestemd voor woningen.

Ingevolge lid 16.2, onder 16.2.1, sub a, mag een woning uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat per bouwvlak één woning mag worden gebouwd, dan wel het aantal woningen aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden".

Aan de achter de woning gelegen gronden is de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" toegekend.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, zijn de gronden met de bestemming "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)" bestemd voor woningen.

30.3. In het hiervoor geldende plan "Strandwal" waren aan de gronden de bestemmingen "Woondoeleinden, kategorie A (Wo-A)" en "Agrarische doeleinden (A)" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 1a, van de planvoorschriften bij dat plan, waren de op de kaart voor "Agrarische doeleinden (A)" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, te weten uitsluitend tuinbouwbedrijven en glastuinbouwbedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, garages, carports, bouwwerken - geen gebouwen zijnde - en open erven.

30.4. In het deskundigenbericht staat dat achter de woning op het perceel zich de stallen en opslagruimte ten dienste van de paardenfokkerij van [appellant sub 11] bevinden. Daarachter ligt een weiland voor de uitloop van de zes tot acht paarden die [appellant sub 11] bezit.

30.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In onderhavig geval heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het realiseren van woningbouw dan aan het belang van [appellant sub 11] om zijn paardenfokkerij en het bedrijf gericht op het pellen van bloembollen voort te zetten. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gemeentebestuur van Castricum in het kader van het project "Wonen in het Groen", waarbij de gemeenten Castricum en Heiloo, alsmede de provincie Noord-Holland partij zijn, heeft afgesproken een bijdrage te leveren aan de realisatie van woningbouw in de Zandzoom en het bedrijf niet kan worden ingepast. De agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 11] is, voor zover deze onder het vorige bestemmingsplan overeenkomstig het hiervoor weergegeven artikel 3, lid 1a, van de voorschriften bij het plan "Strandwal" was toegestaan, in het plan onder het overgangsrecht gebracht. De Afdeling overweegt dat de keuze voor deze regeling alleen aanvaardbaar is indien aannemelijk is dat de agrarische bedrijfsvoering binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu de raad in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat over zal worden gegaan tot onteigening van de gronden van [appellant sub 11], indien geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt met [appellant sub 11], is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 11] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Voor zover [appellant sub 11] een compensatieregeling wenst om zijn bedrijvigheid op een andere locatie voort te zetten, overweegt de Afdeling dat een dergelijk verzoek niet in de onderhavige procedure aan de orde kan komen.

Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan

Algemeen

31. [appellant sub 3] betwijfelt gezien de verslechterde economische situatie of met het exploitatieplan voldoende is aangetoond dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

[appellanten sub 6] stellen dat in het plangebied zelfrealisatie is toegestaan en dat dit mogelijk een tekort in de financiële uitvoerbaarheid betekent.

31.1. De raad stelt dat het saldo van kosten en opbrengsten deel uitmaakt van de exploitatieopzet, als verplicht onderdeel van het exploitatieplan, om het maximaal te verhalen bedrag aan kosten te bepalen. Het gemeentebestuur mag slechts kosten verhalen tot maximaal het bedrag van die opbrengsten. Voor het overige biedt dit saldo geen inzicht in de financiële gevolgen van de grondexploitatie. Wijzigingen in het saldo van de exploitatieopzet bij een herziening of bij de afrekening hebben slechts gevolg voor de verhaalbaarheid van de kosten. Indien niet alle kosten kunnen worden verhaald wil dit volgens de raad niet zeggen dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is.

31.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro gaat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.

Artikel 6.16 van de Wro luidt als volgt:

"Indien in een exploitatieplan het bedrag van de aan de exploitatie verbonden kosten, verminderd met de door de gemeente in verband met die exploitatie ontvangen of te ontvangen subsidies en bijdragen van derden, hoger is dan het in het exploitatieplan opgenomen bedrag van de opbrengsten van die exploitatie, kan de gemeente die kosten slechts verhalen tot maximaal het bedrag van die opbrengsten."

31.3. Bij uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011 in zaak nrs. 200905555/1/R1 en 200906452/1/R1 heeft de Afdeling overwogen dat in een negatief saldo van kosten en opbrengsten in het exploitatieplan op zichzelf geen reden kan bestaan tot twijfel aan de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In paragraaf 7 van de plantoelichting is uiteengezet dat de ontwikkeling Limmen-Zandzoom financieel haalbaar is en dat het kostenverhaal is verzekerd. In de enkele stelling van [appellanten sub 6] met betrekking tot zelfrealisatie en in de enkele verwijzing van [appellant sub 3] naar de verslechterde economische situatie ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat onvoldoende inzicht is geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

32. [appellanten sub 5] betwisten de uitvoerbaarheid van het plan, nu onzeker is of alle benodigde gronden kunnen worden verworven, of de niet als zodanig bestemde bedrijven kunnen worden verplaatst en of de gemeente Heiloo haar medewerking nog altijd verleent aan de herontwikkeling van de Zandzoom.

32.1. De raad heeft ter zitting bevestigd dat de benodigde gronden worden onteigend, indien minnelijke verwerving niet mogelijk blijkt. Gelet hierop staat het al dan niet verplaatsen van de bedrijven die niet als zodanig zijn bestemd niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat de gemeente Heiloo nog altijd deelneemt aan het project. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre uitvoerbaar is.

33. [appellanten sub 6] betogen dat bepaalde percelen een aanduiding als bedoeld in artikel 3.4 van de Wro hadden moeten krijgen, aangezien de voorgestane ontsluitingsstructuur en het voorgestane 'patchwork van groengebieden en woongebieden' van het project "Wonen in het Groen" volgens hen niet gerealiseerd kunnen worden zonder dat de gemeente een strategisch deel van de gronden in eigendom heeft.

33.1. De raad stelt dat het gemeentebestuur een actieve grondpolitiek bedrijft en om die reden zoveel mogelijk gronden wenst aan te kopen. Daarbij wordt gestreefd naar een gefaseerde uitwerking. Er is echter nog niet bepaald waar precies zal worden begonnen.

33.2. Ingevolge artikel 3.4 van de Wro kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen ten aanzien waarvan de verwezenlijking in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

33.3. Het standpunt van de raad om het plangebied gefaseerd te willen ontwikkelen is niet onredelijk te achten. Gelet hierop heeft de raad eveneens in redelijkheid kunnen besluiten om geen aanduidingen als bedoeld in artikel 3.4 van de Wro aan gronden in het plangebied toe te kennen. [appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan zonder dergelijke aanduidingen niet uitvoerbaar is.

Planschade

34. BAM B.V., [appellant sub 2], [appellanten sub 9] en [appellant sub 11] vrezen voor schade als gevolg van het plan.

34.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning en de gronden van [appellant sub 2], de gronden van BAM B.V., de gronden van [appellanten sub 9] en de gronden van [appellant sub 11] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

 

Slotconclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

35. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], GGZ, BAM B.V., [appellant sub 10] en [appellant sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], BAM B.V., [appellant sub 10] en [appellant sub 11] zijn geheel ongegrond. Het beroep van GGZ is, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, ongegrond.

36. Gezien rechtsoverweging 13.3 ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellante sub 8] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro.

De beroepen van [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellante sub 8] zijn, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, gegrond.

Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft het bestemmingsplan, wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro te worden vernietigd.

37. Gezien rechtsoverweging 28.3 ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 9] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het loonbedrijf en de geitenmelkerij aan de [locatie 6], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 9] is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre eveneens wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

38. Gelet op rechtsoverwegingen 13.4 en 28.8 ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het betreft het bestemmingsplan, in stand te laten.

HET EXPLOITATIEPLAN

Ontvankelijkheid

39. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellanten sub 6] voor zover dit betrekking heeft op het exploitatieplan. Hij voert hiertoe aan dat zij geen zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpexploitatieplan.

39.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpexploitatieplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellanten sub 6] hebben geen zienswijzen tegen het ontwerpexploitatieplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een exploitatieplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpexploitatieplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellanten sub 6], voor zover gericht tegen het exploitatieplan, is niet-ontvankelijk.

40. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro, stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8.2, vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, van de Wro in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

40.1. Het beroep van [appellanten sub 5] ziet op de financiële delen van het exploitatieplan. Ten aanzien van [appellante sub 5B] is ter zitting komen vast te staan dat zij geen gronden in het exploitatiegebied in eigendom heeft. Evenmin heeft zij een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellante sub 5B] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de desbetreffende delen van het exploitatieplan, kan [appellante sub 5B] niet als belanghebbende bij die delen van het exploitatieplan worden aangemerkt.

Het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ingesteld door [appellante sub 5B] en voor zover gericht tegen het exploitatieplan, is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijke bezwaren

41. [appellant sub 3] en GGZ voeren aan dat niet duidelijk is hoeveel de exploitatiebijdrage per omgevingsvergunning voor bouwen is en hoe deze tot stand is gekomen. GGZ stelt dat niet duidelijk is in hoeverre de eigenaar deze bijdrage verschuldigd is bij zelfrealisatie dan wel bij verkoop aan een ontwikkelaar. [appellant sub 3] betoogt dat het toerekenen van kosten aan de exploitatie van het gehele gebied niet of onvoldoende transparant is.

[appellante sub 5A] betoogt dat uit het exploitatieplan niet duidelijk volgt hoe de aansluiting op de A9 wordt gefinancierd.

41.1. Het bestemmingsplan betreft volgens de raad een globaal plan met uitwerkingsplicht welke geen directe bouwtitel geeft. Op grond van artikel 6.13, derde lid, van de Wro kunnen onderdelen van het exploitatieplan een globale inhoud hebben. Zoals in het exploitatieplan is aangegeven is het daarom niet mogelijk de exacte exploitatiebijdrage te bepalen, aldus de raad. Bij een van de verplichte jaarlijkse herzieningen zullen deze onderdelen nader worden uitgewerkt. Dan zal volgens de raad ook duidelijk zijn wat de exacte exploitatiebijdragen zullen zijn.

41.2. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wro bevat een exploitatieplan:

a. een kaart van het exploitatiegebied;

b. een omschrijving van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied;

c. een exploitatieopzet, bestaande uit:

1°. voor zover nodig een raming van de inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor de toepassing van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de exploitatie van die gronden;

2°. een raming van de andere kosten in verband met de exploitatie, waaronder een raming van de schade die op grond van artikel 6.1 voor vergoeding in aanmerking zou komen;

3°. een raming van de opbrengsten van de exploitatie, alsmede de peildatum van de onder 1° tot en met 3° bedoelde ramingen;

4°. een tijdvak waarbinnen de exploitatie van de gronden zal plaatsvinden;

5°. voor zover nodig een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen, en zo nodig koppelingen hiertussen;

6°. de wijze van toerekening van de te verhalen kosten aan de uit te geven gronden.

Ingevolge het tweede lid, kan een exploitatieplan bevatten:

a. een kaart waarop het voorgenomen grondgebruik is aangegeven en de gronden welke de gemeente beoogt te verwerven;

b. eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied;

c. regels omtrent het uitvoeren van de onder b bedoelde werken en werkzaamheden;

d. een uitwerking van de in de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.10, derde lid, bedoelde regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid;

e. regels met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het exploitatieplan aan te geven regels.

Ingevolge het derde lid kunnen de onderdelen van een exploitatieplan bedoeld in het eerste en tweede lid, voor gronden, waarvoor nog een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, moet worden vastgesteld of waarvoor ingevolge de fasering geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, kan worden verleend, een globale inhoud hebben.

41.3. De Afdeling stelt voorop dat voor de gronden met de bestemmingen "Gemengd-Uit te werken 1 (G-U1)", "Gemengd-Uit te werken 2 (G-U2)" en "Woongebied-Uit te werken (WG-U)" nog uitwerkingen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro moeten worden vastgesteld, zodat ingevolge artikel 6.13, derde lid, van de Wro de onderdelen van het exploitatieplan, bedoeld in artikel 6.13, eerste en tweede lid, van de Wro, een globale inhoud kunnen hebben. Dit brengt met zich dat diverse onderdelen van het exploitatieplan minder concreet kunnen zijn dan bij een gedetailleerd eindplan. Bij een van de verplichte jaarlijkse herzieningen, als bedoeld in artikel 6.15 van de Wro, zullen deze onderdelen nader dienen te worden uitgewerkt. Belanghebbenden kunnen alsdan rechtsmiddelen aanwenden tegen de herziening van het exploitatieplan, waarbij onder meer de definitieve uitgiftecategorieën en gewichtsfactoren worden vastgesteld, nu die herziening niet zal zien op niet-structurele onderdelen als bedoeld in artikel 6.15, derde lid, van de Wro. Dan zal ook duidelijk worden wat de exacte hoogten van de exploitatiebijdragen zullen zijn. Verder bevat het hoofdstuk 4 van het exploitatieplan een globale omschrijving van de uit te voeren werken, een globale raming van de andere kosten in verband met de exploitatie en een paragraaf waarin is aangegeven in hoeverre deze kosten toerekenbaar zijn aan het exploitatiegebied waarbij voor een nadere onderbouwing van de toerekening van de bovenwijkse voorzieningen, waaronder ook de aansluiting op de A9 valt, wordt verwezen naar de nota 'Bovenwijks 2010-2020'. Hiermee mocht in dit geval worden volstaan. De raad zal ook deze onderdelen bij een herziening, als bedoeld in artikel 6.15 van de Wro, dienen uit te werken. Deze handelwijze is verenigbaar met het bepaalde in artikel 6.13, gelezen in samenhang met artikel 6.15 van de Wro.

42. [appellant sub 3] betoogt dat in het exploitatieplan niet duidelijk is gemaakt op welke wijze de waarde van zijn perceel kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3676 is bepaald.

42.1. In bijlage 4 bij het exploitatieplan is een gedeelte van het rapport "Taxatie Inbrengwaarden van de gronden die onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie 'Limmen-Zandzoom' in de gemeente Castricum", van december 2010, opgesteld door Overwater Grondbeleid Adviesbureau B.V. (hierna: Overwater), opgenomen. Deze bijlage, noch het door de raad ter zitting gestelde omtrent de inbrengwaarde van het perceel van [appellant sub 3], heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzicht kunnen verschaffen in de wijze waarop de raming van de inbrengwaarde voor diens perceel tot stand is gekomen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd is. Dit levert een grond op voor vernietiging van het bestreden besluit in zoverre.

42.2. Bij brief van 16 april 2012 heeft de raad alsnog de relevante delen van het door Overwater opgestelde taxatierapport overgelegd. Hieruit blijkt dat de bepaling van de inbrengwaarde van alle objecten die geheel of gedeeltelijk deel uitmaken van het exploitatieplan beperkt is tot een raming van de waarde in het economisch verkeer. [appellant sub 3] heeft deze stukken niet betwist. Gelet op het voorgaande is duidelijk hoe de raming van de inbrengwaarde van het perceel kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3676 tot stand is gekomen.

Nu daarmee het gebrek is hersteld, hoeft dit op zichzelf niet in de weg te staan aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dit betreft de raming van de inbrengwaarde in het exploitatieplan voor het desbetreffende perceel. De Afdeling ziet dan ook aanleiding de overige beroepsgronden gericht tegen het exploitatieplan te beoordelen.

43. [appellante sub 5A] voert aan dat uit het exploitatieplan niet volgt dat rekening is gehouden met de te verwachten planschade.

43.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het exploitatieplan een kostenpost van 0,73 miljoen euro ten behoeve van planschade is opgenomen en dat dat bedrag een raming betreft. Wanneer de globale bestemmingen zullen zijn uitgewerkt zal inzichtelijk worden hoe hoog het eventuele bedrag aan planschade zal zijn, aldus de raad.

43.2. Nu in de exploitatieopzet is opgenomen dat het totaal van de geraamde te betalen tegemoetkomingen in planschade 0,73 miljoen euro bedraagt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat een raming van de schade die op grond van artikel 6.1 van de Wro voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, niet in het exploitatieplan ontbreekt.

44. [appellante sub 5A] betoogt dat het exploitatieplan ten onrechte niet concreet is ten aanzien van gronden met directe bestemmingen.

44.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden met de directe bestemmingen niet in het exploitatieplan zijn opgenomen, omdat hierop geen bouwplan is voorzien.

44.2. De Afdeling stelt vast dat de percelen die in het plan conserverend zijn bestemd ten opzichte van het onder de gelding van de WRO tot stand gebrachte plan, de percelen zijn waaraan een directe bestemming is toegekend. Deze percelen maken overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.1.20 van de Invoeringswet Wro geen deel uit van het exploitatieplan. Gelet hierop faalt het betoog.

45. [appellant sub 3] kan zich voorts niet verenigen met de omvang van het exploitatiegebied. De zogenoemde 'witte vlekken' zijn volgens hem ten onrechte buiten het exploitatiegebied gelaten waardoor zij geen exploitatiebijdrage leveren, maar wel van de ontwikkeling van het gebied, in het bijzonder van de bovenplanse voorzieningen, profiteren. Dit leidt bovendien tot een zwaardere exploitatiebijdrage voor de percelen in het plangebied.

45.1. De raad stelt dat ter plaatse van de zogenoemde 'witte vlekken' acht bouwkavels in het topsegment worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling valt buiten de realisatie van de integrale gebiedsontwikkeling "Wonen in het Groen" en heeft het doel om de gedane investeringen naar de haalbaarheid van de integrale gebiedsontwikkeling geheel of gedeeltelijk terug te verdienen. De gronden binnen de 'witte vlekken' zijn grotendeels in eigendom bij de gemeente Castricum. Ten behoeve van de zogenoemde bovenwijkse voorzieningen is door het college van burgemeester en wethouders de nota 'Bovenwijks 2010-2020' opgesteld. In deze nota zijn de toetsingscriteria per voorziening nader toegelicht en onderbouwd. Voor de toerekening van de bovenwijkse kosten is de ontwikkeling van de 'witte vlekken' meegenomen als zijnde kostendrager voor deze voorzieningen, zodat het argument van [appellant sub 3] dat de 'witte vlekken' geen exploitatiebijdrage leveren niet gedeeld wordt door de raad.

45.2. Tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan bestaat een samenhang die onder meer is af te leiden uit de artikelen 6.12 en 8.3, derde lid, van de Wro en uit de functie van het exploitatieplan voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan. De Afdeling overweegt dat nu de zogenoemde 'witte vlekken' niet zijn opgenomen in het bestemmingsplan, zij vanwege deze samenhang evenmin in het exploitatieplan kunnen worden opgenomen. Ter zitting is dit door [appellant sub 3] erkend. Het voorgaande betekent niet dat de ontwikkelaar van de 'witte vlekken' geen exploitatiebijdrage verschuldigd zal zijn, nu uit de nota 'Bovenwijks 2010-2020' volgt dat de in die nota als bovenwijkse kosten aangemerkte kosten gedeeltelijk ook zijn toe te rekenen aan de ontwikkeling van de 'witte vlekken'. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat voor de percelen in het plangebied in verband daarmee ten onrechte hogere exploitatiebijdragen verschuldigd zouden zijn.

46. Voorts acht GGZ het in strijd met het profijtbeginsel dat elke woning in het exploitatiegebied moet bijdragen aan de infrastructurele voorzieningen. Zij voert hiertoe aan dat de ontsluiting op de A9 voor de ontwikkelingen ter plaatse van de gronden van GGZ niet nodig is, zodat het volgens GGZ niet redelijk is dat de woningen ter plaatse van haar gronden daar in gelijke mate aan bijdragen.

46.1. De raad stelt dat ten behoeve van de bovenwijkse voorzieningen de nota 'Bovenwijks 2010-2020' is opgesteld, waar in het exploitatieplan ook naar wordt verwezen. In deze nota zijn de toetsingscriteria per voorziening nader toegelicht en onderbouwd. De raad is van mening dat de locatie van GGZ wel profiteert van de aansluiting op de A9, aangezien de verkeersintensiteiten in Limmen daardoor per saldo verminderen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Aansluiting op de A9 is bovendien een voorwaarde voor de voorziene ontwikkeling, zodat het causaal verband tussen de aansluiting op de A9 en de ontwikkeling van de locaties waar GGZ deel van uitmaakt is aangetoond. Toedeling van de kosten van de aansluiting op de A9 binnen het exploitatiegebied heeft plaatsgevonden op basis van gewogen wooneenheden, waarbij onderscheid is gemaakt tussen sociale woningen enerzijds en middeldure en dure woningen anderzijds.

46.2. Ingevolge artikel 6.13, zesde lid, van de Wro, worden kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan het exploitatiegebied of een gedeelte daarvan profijt heeft en welke toerekenbaar zijn aan het exploitatieplan, naar evenredigheid opgenomen in de exploitatieopzet.

46.3. De criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid als bedoeld in dat artikellid zien op de toedeling van kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen aan het exploitatiegebied als geheel. In het betoog van GGZ op dit punt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan deze criteria is voldaan, nu de gronden van GGZ in het exploitatiegebied liggen. Voor het overige heeft GGZ geen redenen aangevoerd waarom niet aan deze criteria zou zijn voldaan.

46.4. Voor zover het betoog van GGZ ziet op verdeling van de kosten binnen het exploitatiegebied, overweegt de Afdeling als volgt.

Uitgaande van het maximaal te verhalen bedrag op grond van artikel 6.16 van de Wro, schrijven de artikelen 6.18 en 6.19 dwingend voor op welke wijze de per omgevingsvergunning voor een aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, verschuldigde exploitatiebijdrage wordt berekend. De toedeling van de totale kosten binnen het exploitatiegebied aan de verschillende gronden geschiedt, ingevolge artikel 6.18, aan de hand van de per uitgiftecategorie vastgestelde gewichtsfactoren. De door GGZ genoemde criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid komen hierbij niet aan de orde. Deze criteria zien, zoals hiervoor is overwogen, immers op de toedeling van kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen aan een exploitatiegebied als geheel.

47. Voor zover [appellante sub 5A] betoogt dat in het exploitatieplan ten onrechte niet is vermeld op welke wijze bedrijven worden uitgeplaatst, overweegt de Afdeling dat in de Wro, noch in enig ander wettelijk voorschrift een dergelijke verplichting is opgenomen.

Slotconclusie ten aanzien van het exploitatieplan

48. In hetgeen GGZ en [appellante sub 5A] hebben aangevoerd met betrekking tot het exploitatieplan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het exploitatieplan is vastgesteld in strijd met het recht.

De beroepen van GGZ en [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, voor zover gericht tegen het exploitatieplan, zijn ongegrond.

49. Gelet op hetgeen in 42.1 is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan niet berust op een kenbare motivering, zodat de raad het exploitatieplan heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de raming van de inbrengwaarde van het perceel kadastraal bekend gemeente Limmen, sectie C, nummer 3676.

Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 3] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is in zoverre ongegrond.

49.1. Gelet op de samenhang tussen het de voornoemde deel van het exploitatieplan en de overige delen van het exploitatieplan, ziet de Afdeling aanleiding het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan geheel te vernietigen.

49.2. Gelet op hetgeen in 42.2 is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het betreft het exploitatieplan, in stand te laten.

Proceskosten

50. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 3], [appellanten sub 6], [appellanten sub 5], [appellante sub 8] en [appellanten sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft het verzoek van [appellanten sub 9] om vergoeding van de kosten van een deskundigenrapport overweegt de Afdeling dat geen deskundigenrapport door [appellanten sub 9] is ingebracht. Gelet hierop komen de kosten van een deskundigenrapport, wat daarvan ook zij, niet voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], GGZ, BAM B.V., [appellant sub 10] en [appellant sub 11] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B], voor zover ingesteld door [appellante sub 5B], en het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] tegen het exploitatieplan "Limmen-Zandzoom" niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 8] en [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], die uitsluitend zijn gericht tegen het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom", geheel, de beroepen van [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] tegen het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom", en het beroep van [appellant sub 3] tegen het exploitatieplan "Limmen Zandzoom" gedeeltelijk en tegen het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Castricum van 3 februari 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" en het exploitatieplan "Limmen-Zandzoom";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de stichting Stichting GGZ Noord-Holland-Noord, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM B.V. Woningbouw B.V., [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] en [appellant sub 11] geheel, en de beroepen van [appellant sub 3] en [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Castricum tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 3] tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent)", geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B] tot een bedrag van € 1.119,02 (zegge: elfhonderdnegentien euro en twee cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellante sub 8] tot een bedrag van € 1.119,02 (zegge: elfhonderdnegentien euro en twee cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] tot een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Castricum aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3];

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 5A] en [appellante sub 5B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 8];

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

466-667-668.