Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201112865/1/T1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een woning en een garage.

De gemeenteraad heeft bij besluit van 21 december 2000 het "Vrijstellingenbeleid artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" vastgesteld. Volgens dit beleid dient verweerder in de nader aangegeven gevallen de vrijstellingsmogelijkheid van art. 19, lid 3 van de WRO en art. 20, lid 1, onder a, van het Bro in beginsel te gebruiken.

Het Vrijstellingenbeleid is op 6 april 2001 in werking getreden. Na de inwerkintreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), noch na de inwerkingtreding van de Wabo heeft bekrachtiging daarvan plaatsgevonden. Hoewel de in art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo opgenomen bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan of beheersverordening een voortzetting betreft van de in art. 3.23 van de Wro neergelegde bevoegdheid, die op haar beurt weer een voortzetting was van de in art. 19, lid 3 van de WRO neergelegde bevoegdheid zijn de beleidsregels in het Vrijstellingenbeleid geen beleidsregels voor de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo. Daartoe overweegt de Afdeling dat de toepassingsmogelijkheden van deze bevoegdheid als opgenomen in art. 4 van bijlage II bij het Bor niet dermate met de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als bedoeld in art. 19, lid 3 van de WRO, als opgenomen in art. 20, lid 1 van het Bro 1985 overeenkomen, dat van eenzelfde bevoegdheid gesproken kan worden. Zo is het begrip bijbehorend bouwwerk ingevoerd, zijn de zogenoemde categorieën van gevallen uitgebreid en worden andere, ruimere eisen aan de categorieën van gevallen gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

Gelet op het voorgaande heeft het college het besluit van 28 september 2011 door de weigering van de omgevingsvergunning te motiveren onder verwijzing naar het Vrijstellingenbeleid in strijd met art. 3:46 Awb genomen. Dit klemt te meer nu het college is teruggekomen van een verlening van de omgevingsvergunning uitsluitend op grond van dit Vrijstellingenbeleid.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Besluit omgevingsrecht 2.7
Besluit omgevingsrecht bijl.II 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3106
TBR 2012/184 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2012/894
OGR-Updates.nl 2012-0170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112865/1/T1/A1.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alkmaar,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 1 december 2011 in zaak nrs. 11/2631 en 11/2632 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een woning en een garage op het perceel [locatie 1], te Alkmaar in afwijking van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 1 februari 2011 herroepen voor zover het de garage betreft. Voorts is besloten een omgevingsvergunning te verlenen voor een garage met een bouwhoogte van 4,5 m en een omgevingsvergunning voor een garage met een bouwhoogte van 5 m te weigeren.

Bij uitspraak van 1 december 2011 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 september 2011 vernietigd, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen en vernieuwen van de garage met een maximale bouwhoogte van 4,5 m. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het bouwplan voorziet onder meer in de bouw van een dakopbouw op de garage met een bouwhoogte van 5 m. De garage is gesitueerd aan de [locatie 2] te Alkmaar.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Vierstraten" geldt ter plaatse de bestemming "Garageboxen". Volgens de bouwhoogtekaart is een maximale bouwhoogte van 3 meter toegestaan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet aangewezen de categorieën in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat aan de beleidsregels opgesteld onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) niet als beleidsregels kunnen worden aanmerkt voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, in verbinding met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011, zaaknr. 201103083/1. Verder voert [appellant] aan dat de afwijkingsbevoegdheden onder de Wabo en Wet ruimtelijke ordening niet geheel overeenstemmen met de vrijstellingsbevoegdheid zoals van toepassing onder de WRO.

4.1. De gemeenteraad heeft bij besluit van 21 december 2000 het "Vrijstellingenbeleid artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: het Vrijstellingenbeleid) vastgesteld. Volgens dit beleid dient verweerder in de volgende gevallen de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 19, derde lid, van de WRO en artikel 20, eerste lid, onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening in beginsel te gebruiken:

(…)

f. de nokhoogte:

1. van de aangebouwde bijgebouwen mag niet meer dan 4.50 meter bedragen;

2. van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen, met vrijstelling tot maximaal 4.50 meter (indien woon- en leefklimaat buren, waaronder bezonning, niet onevenredig wordt benadeeld).

4.2. Het Vrijstellingenbeleid is op 6 april 2001 in werking getreden. Na de inwerkintreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch na de inwerkingtreding van de Wabo heeft bekrachtiging daarvan plaatsgevonden. Hoewel de in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo opgenomen bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan of beheersverordening een voortzetting betreft van de in artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening neergelegde bevoegdheid, die op haar beurt weer een voortzetting was van de in artikel 19, derde lid, van de WRO neergelegde bevoegdheid zijn de beleidsregels in het Vrijstellingenbeleid geen beleidsregels voor de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo. Daartoe overweegt de Afdeling dat de toepassingsmogelijkheden van deze bevoegdheid als opgenomen in artikel 4 van bijlage II bij het Bor niet dermate met de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, als opgenomen in artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 overeenkomen, dat van eenzelfde bevoegdheid gesproken kan worden. Zo is het begrip bijbehorend bouwwerk ingevoerd, zijn de zogenoemde categorieën van gevallen uitgebreid en worden andere, ruimere eisen aan de categorieën van gevallen gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4.3. Gelet op het voorgaande heeft het college het besluit van 28 september 2011 door de weigering van de omgevingsvergunning te motiveren onder verwijzing naar het Vrijstellingenbeleid in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. Dit klemt te meer nu het college is teruggekomen van een verlening van de omgevingsvergunning uitsluitend op grond van dit Vrijstellingenbeleid.

5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de WRvS op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De college dient daartoe, met inachtneming van hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen, het besluit alsnog toereikend te motiveren, dan wel een nieuw besluit te nemen. In dat laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

Draagt het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar op om binnen 12 weken naar verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 4.2 en 4.3:

- het besluit van 28 september 2011 alsnog toereikend te motiveren en dat besluit te herstellen dan wel in plaats daarvan een nieuw besluit te nemen. Indien het college een nieuw besluit neemt, dient dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

270.