Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201112437/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Cereol, Oog in Al" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112437/1/R3.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Utrecht,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Cereol, Oog in Al" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 november 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2012, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.M.F.F. Verbeet en M. Bracht, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.M. van der Steeg en M. Sintemaartensdijk, verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.    [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift te kennen gegeven dat het beroep mede namens [appellant A] wordt ingesteld.

1.1.    Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt een beroepschrift ondertekend. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

1.2.    [appellant A] heeft het beroepschrift niet ondertekend. Bij brief van 1 december 2011 zijn [appellant] en anderen gewezen op dit verzuim en zijn zij in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. [appellant] en anderen hebben echter geen machtiging van [appellant A] binnen de aldus gestelde termijn overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

1.3.    Gelet hierop is het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dit is ingesteld namens [appellant A], niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van het fabrieksterrein Cereol (hierna: het Cereolcomplex), waarbij ongeveer 125 woningen en andere functies zijn voorzien. Het plan voorziet hiermee in een deel van het nieuwbouwplan [belanghebbende] te Utrecht. Het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1" direct ten zuiden van het oude fabrieksgebouw, het plandeel met de bestemming "Wonen-2" direct ten noorden van dit fabrieksgebouw en de plandelen met de bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" aan de kanaalkant van het plangebied.

3.    De Afdeling stelt voorop dat de raad in beginsel beleidsvrijheid toekomt om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hoogbouw

4.    [appellant] en anderen stellen dat de in het plan voorziene hoogbouw niet past in het bestaande historische Cereolcomplex en de omgeving ervan. Met name de bouwhoogten van het zogeheten extractiegebouw en het appartementengebouw zullen het historische aanzicht van het rijksmonumentale fabrieksgebouw en het naastgelegen sluizencomplex aantasten, aldus [appellant] en anderen. Volgens hen is ten onrechte geen onderzoek verricht naar deze gevolgen van het plan. Voorts is volgens [appellant] en anderen niet duidelijk waarom niet is gekozen voor een alternatief dat beter aansluit op de historische context van het plangebied en de overige planonderdelen. Aan de in het plan voorziene hoogbouw zijn bouwhoogten toegekend die twee keer zo hoog zijn als de voorheen in het plangebied aanwezige bebouwing en de bebouwing in de omgeving. De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom de voorziene hoogbouw desondanks passend is in de omgeving, waaronder het historische fabrieksgebouw, aldus [appellant] en anderen. Dit blijkt evenmin uit de ten behoeve van het plan uitgevoerde onderzoeken.

    Voorts stellen [appellant] en anderen dat de raad op basis van de sfeerimpressie op afbeelding 3.6 in de plantoelichting niet heeft kunnen beoordelen wat de effecten van de hoogteverschillen zijn op het historische aanzicht van het Cereolcomplex. In deze sfeerimpressie worden zes bouwlagen weergegeven, terwijl het plan voorziet in negen bouwlagen. Volgens [appellant] en anderen is niet duidelijk of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan op de hoogte was van de hoogteverschillen tussen de voorziene hoogbouw en het fabrieksgebouw.    

4.1.    Aan het oude fabrieksgebouw zijn blijkens de planverbeelding en de planregels maximale bouwhoogten van 22 m, 17 m, 12 m en 3,5 m toegekend. Aan het plandeel met de bestemming "Wonen-2" (het cilindervormige gebouw) direct ten noorden van het oude fabrieksgebouw (het extractiegebouw) en het plandeel met de bestemming "Wonen-1" direct ten zuiden van het extractiegebouw zijn maximale bouwhoogten van onderscheidenlijk 29 en 38 m toegekend.

4.2.    De raad stelt dat het plan zorgvuldig tot stand is gekomen, waarbij de relatie tussen de voorziene bebouwing en de monumentale omgeving op een verantwoorde wijze is vormgegeven. Uiteenlopende modellenstudies zijn uitgevoerd die zijn gebaseerd op de uitgangspunten zoals vastgelegd in door het gemeentebestuur opgestelde randvoorwaarden en de Cultuur Historische Effect Rapportage 2002. De basis van de stedenbouwkundige opzet van het plan ligt in het Stedenbouwkundig Plan en het Beeldkwaliteitsplan, dat in 2005 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld, aldus de raad. Volgens de raad is het kernpunt van het Stedenbouwkundig Plan dat het Cereolcomplex uit een verzameling gebouwen bestaat van verschillende omvang, vorm en uitstraling. Het oude fabrieksgebouw maakt hier deel van uit, maar de nieuwbouw staat niet ten dienste van dit monument, aldus de raad.

    In de plantoelichting staat dat de ontwikkeling van het oude Cereolcomplex als inspiratiebron is gebruikt voor het plan. Daarbij is een geheel ontstaan van verschillende gebouwen, bestaande uit de herontwikkeling van de te handhaven historische bebouwing en de herinterpretaties van industriële elementen zoals de ronde voorraadtanks en het extractiegebouw als bijzondere objecten. De stedenbouwkundige kwaliteit en inpassing in de historische omgeving zijn bij de belangenafweging betrokken en zowel omwonenden, door middel van een Klankbordgroep, als een kwaliteitsteam, bestaande uit gemeentelijke en externe stedenbouwkundigen en een gemeentelijke specialist op het gebied van erfgoed en monumenten, zijn bij het ontwerp van het plan betrokken. Voorts zijn voor de historische inpassing van het plan de Commissie voor de welstand en monumenten en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed bij het ontwerp van het plan betrokken. Ten aanzien van de bouwhoogte van het cilindervormige gebouw heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij een duidelijk hoogteverschil met de overige bebouwing wenselijk acht om de beeldbepalende elementen in de historische context naar voren te brengen.

4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien, gelet op de uitgevoerde modellenstudies, het Stedenbouwkundig Plan, het Beeldkwaliteitsplan en het raadplegen van de Commissie voor de welstand en monumenten en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan op het historische aanzicht van het fabrieksgebouw en het sluizencomplex en de omgeving ervan. Voorts hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene hoogbouw inbreuk maakt op het historische aanzicht van de in het plangebied aanwezige monumenten en wel in zodanige mate dat de raad het plan in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. In de plantoelichting staat dat het extractiegebouw met zijn bijzondere vorm verwijst naar het voormalige extractiegebouw van de Cereolfabriek. Het gebouw neemt een centrale positie in op het Cereolcomplex en vormt als het ware het zwaartepunt van het plangebied. Het cilindervormige gebouw is een eigentijdse vertaling van de voormalige voorraadtanks van de Cereolfabriek naar een woongebouw. De raad heeft hiermee naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de hoogbouw geen onaanvaardbare inbreuk maakt op het historische aanzicht van het fabrieksgebouw, het sluizencomplex en de omgeving ervan. Dat hierbij niet de bouwhoogten zijn aangehouden van de voormalige bebouwing in het plangebied doet hier niet aan af. Gelet op de stelling van de raad ter zitting dat de bouwhoogte van het cilindervormige gebouw een duidelijk hoogteverschil met de overige bebouwing oplevert en op deze wijze de beeldbepalende elementen in de historische context naar voren worden gebracht, is voldoende duidelijk waarom niet is gekozen voor lagere bouwhoogten voor het extractiegebouw en het appartementencomplex.

    Ten aanzien van de sfeerimpressie op afbeelding 3.6 in de plantoelichting overweegt de Afdeling dat in het plan de bouwhoogten zijn opgenomen die niet mogen worden overschreden. Derhalve valt niet in te zien waarom de raad bij de vaststelling van het plan van onjuiste bouwhoogten zou zijn uitgegaan en derhalve van onjuiste hoogteverschillen tussen de voorziene hoogbouw en het fabrieksgebouw.

    Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

5.    Voorts is de in het plan voorziene hoogbouw volgens [appellant] en anderen in strijd met het gemeentelijke hoogbouwbeleid. Het plangebied ligt in een zogenoemde binnentuin waar ingevolge dit beleid in beginsel geen plaats is voor hoogbouw. De maximale bouwhoogte mag ingevolge dit beleid maximaal tweemaal de gemiddelde bouwhoogte in de wijk bedragen, aldus [appellant] en anderen. De gemiddelde bouwhoogte is volgens hen 10 m, waardoor de hoogbouw maximaal 20 m mag zijn. De raad heeft deze afwijking van het gemeentelijke beleid onvoldoende gemotiveerd. De bebouwing past volgens [appellant] en anderen, anders dan de raad meent, niet in de historische context en ook de ligging aan het plein en het kanaal rechtvaardigt de afwijking van het gemeentelijke beleid volgens hen niet.

5.1.    Het gemeentelijke hoogbouwbeleid is neergelegd in de Hoogbouwvisie Gemeente Utrecht uit 2005 (hierna: Hoogbouwvisie). Niet in geschil is dat het plangebied ligt in een zogenoemde binnentuin als bedoeld in de Hoogbouwvisie. In de Hoogbouwvisie staat dat het uitgangspunt voor hoogbouw in de binnentuinen is het vasthouden aan de gemiddelde maat van bebouwing van de betreffende wijk. Middels het verdubbelen van deze maat kunnen accenten in de wijken worden aangegeven. Voor specifieke gevallen kunnen echter afwijkende maten worden gehanteerd om hetzelfde effect te sorteren, zo staat in de Hoogbouwvisie. Voorts staat in de Hoogbouwvisie dat plekken voor accenten worden opgenomen in bestemmingsplannen en niet in de Hoogbouwvisie. Vanwege de historische stedenbouwkundige context van het plangebied heeft de raad aanleiding gezien voor een dergelijk accent, teneinde de beeldbepalende elementen van de historische bebouwing naar voren te brengen. Voorts komt dit de herkenbaarheid van het complex in de voor het overige symmetrische wijk volgens de raad ten goede. Het cilindervormige gebouw is voorzien aan een omvangrijke en brede ruimte, het sluizencomplex, waardoor de zeggingskracht van het gebouw ten opzichte van deze ruimte volgens de raad ook om een bepaalde hoogte vraagt. Dit is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke hoogbouwbeleid.

    Het betoog faalt.

Inrichting kanaalkant

6.    [appellant] en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van de gekozen inrichting van de openbare ruimte langs het Merwedekanaal op de omgeving. De daar voorziene parkeergelegenheid leidt tot verrommeling van het historische aanzicht van het Cereolcomplex en het sluizencomplex als rijksmonument. Dit is volgens hen in strijd met het uitgangspunt bij het plan dat het profiel van de kanaalkanten versterkt moet worden. Voorts is de voorziene parkeergelegenheid volgens [appellant] en anderen niet nodig.

6.1.    Aan de gronden aan de kanaalkant van het plangebied zijn de bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend.

    Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, gazons, beplantingen en ecologische waarden;

b. fiets- en voetpaden;

c. nutsvoorzieningen;

d. speelvoorzieningen;

(…)

h. water, waterbeheer en waterberging;

i. de bij de bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken waaronder duikers, bruggen en faunapassages.

    Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verkeers- en verblijfsgebied voor gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer;

b. water, waterbeheer en waterberging;

c. groenvoorzieningen;

d. (ondergronds gebouwde) parkeervoorzieningen;

e. speelvoorzieningen;

f. evenementen;

g. bij de bestemming behorende wegen, pleinen, binnenterreinen, speelterreinen, terrassen ten behoeve van horeca, voet- en fietspaden, nutsvoorzieningen en kunstwerken.

6.2.    De uiteindelijke inrichting van het bestemmingsplan betreft een uitvoeringsaspect dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat binnen de aan de gronden aan de kanaalkant toegekende bestemmingen geen mogelijkheden bestaan om te komen tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting. Voorts heeft de raad te kennen gegeven dat bij het ontwerp van de inrichting van de openbare ruimte omwonenden, de Commissie voor welstand en monumenten en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zullen worden betrokken.

    Ten aanzien van de eventueel te realiseren parkeervoorzieningen overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat dat de gemiddelde parkeernorm voor het plangebied is vastgelegd in de gemeentelijke nota Partiële herijking parkeernormen gemeente Utrecht van 2008. Ten behoeve van de in het plan voorziene woningen en de overige functies in het plangebied zijn volgens deze nota 79,4 parkeerplaatsen in de openbare ruimte benodigd. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten in de nota onjuist zijn of door de raad op onjuiste wijze zijn toegepast. In het plangebied is thans ruimte voor 82 parkeerplaatsen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

    Het betoog faalt.

Zonnestudie

7.    Ten slotte stellen [appellant] en anderen dat de raad ten onrechte het ten behoeve van het ontwerpplan uitgevoerde bezonningsonderzoek aan het vastgestelde plan ten grondslag heeft gelegd. Dit onderzoek is volgens hen niet meer accuraat nu het cilindervormige gebouw in het vastgestelde plan 3 m is verplaatst ten opzichte van het ontwerp van het plan.

7.1.    Uit de ten behoeve van het nieuwbouwplan [belanghebbende] te Utrecht verrichte zonnestudie blijkt dat van het in het plan voorziene cilindervormige gebouw nagenoeg geen schaduwwerking uitgaat op de woningen aan de overzijde van het Merwedekanaal, waaronder de woningen van [appellant] en anderen. De verplaatsing van het cilindervormige gebouw ten opzichte van het ontwerp van het plan met 3 m in de richting van het Merwedekanaal, leidt niet tot een ander oordeel. Aan de omstandigheid dat, zoals [appellant] en anderen ter zitting hebben gesteld, bij zonsopkomst de zon enige tijd achter het cilindervormige gebouw schuilgaat, behoefde de raad, wat daar ook van zij, in redelijkheid geen overwegende betekenis toe te kennen.

    Het betoog faalt.   

Conclusie

8.    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

    Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Voor zover de raad ter zitting heeft betoogd dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet aan de vernietiging van dat besluit in de weg staat, behoeft dit, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld namens [appellant A];

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Kooijman

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

177-653.