Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201205176/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college aan de raad aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 15 maart 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205176/2/R3.

Datum uitspraak: 6 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer:

de raad van de gemeente Sint-Oedenrode,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college aan de raad aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 15 maart 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode".

Tegen dit besluit heeft onder meer de raad beroep ingesteld.

De raad heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 augustus 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door J.C.A.M. den Otter, werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De raad heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot twee reactieve aanwijzingen die ertoe strekken dat de woonbestemmingen in het plan, met uitzondering van die met de aanduiding "maximale inhoud (m³)", alsmede artikel 20, lid 20.2, onder 20.2.2, aanhef en onder c, van de bijbehorende planregels niet in werking treden. Ingevolge deze bepaling bedraagt de inhoud van hoofdgebouwen binnen de bestemming "Wonen" niet meer dan 750 m³. De raad acht een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig, omdat er inmiddels 25 verzoeken voor ontwikkelingen binnen de bestemming "Wonen" zijn ingediend, waaronder 8 definitieve aanvragen om omgevingsvergunning, die als gevolg van de reactieve aanwijzing onder meer wat betreft de inhoudsmaat niet kunnen worden afgehandeld.

2.1.        Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het plan voorziet in een rechtstreeks recht tot het vergroten van woningen ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, zonder dat er voorwaarden worden gesteld aan landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Het college acht dit in strijd met artikel 2.2 en 11.1, vierde lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening 2011).

2.2.        De voorzitter stelt voorop dat de raad met een schorsing van het aanwijzingsbesluit niet gebaat is, omdat daarmee nog geen bouwtitel voor de door de raad genoemde bouwplannen ontstaat. Het treffen van een voorlopige voorziening inhoudend dat de plandelen met de bestemming "Wonen" en artikel 20, lid 20.2, onder 20.2.2, aanhef en onder c, van de planregels moeten worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode", zoals dat op 15 maart 2012 is vastgesteld, is te verstrekkend. Ten gevolge van een dergelijke voorlopige voorziening zouden onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan, terwijl niet kan worden uitgesloten dat het standpunt van het college ten aanzien van de verruimde mogelijkheid voor woningen in de bodemprocedure geheel of gedeeltelijk in stand zal blijven.

        Voor zover de raad ter onderbouwing van het verzoek heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2011 in zaak nr. 200908600/6/R4 waarin een oordeel is gegeven over een reactieve aanwijzing met betrekking tot een generieke planregeling voor het vergroten van woningen in een andere gemeente en naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012 in zaak nr. 201004181/1/R3 waarin bij dat oordeel is aangesloten, gaat hij er aan voorbij dat de reactieve aanwijzingen in die uitspraken niet waren gebaseerd op artikel 2.2 en 11.1, vierde lid, van de Verordening 2011.

3.    De voorzitter ziet dan ook aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Boermans

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2012

429-605.