Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201113179/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "A.C. Kerkhofflaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113179/1/R3.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Zeist (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "A.C. Kerkhofflaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft woningbouwvereniging De Kombinatie een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door drs. J.N.T. Pronk en R.S. Kolk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting woningbouwvereniging De Kombinatie, vertegenwoordigd door ing. S. Som de Cerff, bijgestaan door mr. B. van Eijk, advocaat te Amersfoort, gehoord.

Overwegingen

1.    Het college betoogt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een uitspraak omtrent het door hem ingestelde beroep, nu voor de plantontwikkeling inmiddels een bouwvergunning en ontheffing zijn verleend die in rechte onaantastbaar zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 maart 2011 in zaak nr. 201002872/1/R2) brengt de omstandigheid dat een bouwvergunning en ontheffing in rechte onaantastbaar zijn geworden niet met zich dat niet langer belang bestaat bij een uitspraak, nu een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het beroep van [appellant] vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren.

2.    [appellant], die woont op een perceel dat grenst aan het plangebied, betoogt dat het wijzigingsplan niet op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd. In dit verband voert hij aan dat pas na het organiseren van een informatieavond en de daar geuite bezwaren is overgegaan tot publicatie van het ontwerp van het wijzigingsplan. Voorts stond volgens hem de beslissing van het college reeds vast voordat omwonenden hun zienswijzen hebben kunnen indienen.    

2.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan overeenkomstig de wettelijke procedure is voorbereid en tot stand is gekomen. Het wijzigingsplan is volgens het college na zorgvuldige beoordeling van alle zienswijzen en alle belangen vastgesteld. [appellant] heeft gedurende de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan een zienswijze ingediend, waarop het college een inhoudelijke reactie heeft gegeven. Derhalve zijn de zienswijzen beoordeeld en bij de belangenafweging betrokken.    

2.2.    Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

    Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) plaatst het college de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en geschiedt deze voorts langs elektronische weg.

    In artikel 3.9a, eerste lid, van de Wro is bepaald dat op de voorbereiding van een wijziging van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van  de Awb van toepassing is, met dien verstande dat de kennisgeving bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens langs elektronische weg geschiedt. Op het besluit tot vaststelling van een wijziging van een bestemmingsplan is artikel 3.8, derde lid, van de Wro van overeenkomstige toepassing.

2.3.    Het ontwerpwijzigingsplan is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.9a, eerste lid, eerste volzin, van de Wro in samenhang met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb op 17 november 2010 bekendgemaakt door kennisgeving in een plaatselijk nieuwsblad en langs elektronische weg. Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan is overeenkomstig artikel 3.9a, eerste lid, tweede volzin, van de Wro in samenhang met artikel 3.8, derde lid, van de Wro tijdig bekendgemaakt door kennisgeving in een plaatselijk nieuwsblad, in de Staatscourant en langs elektronische weg. Aan de wettelijke vereisten ter zake van de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerp van het wijzigingsplan en de vaststelling van dit plan is derhalve voldaan. In de omstandigheid dat het college pas na het organiseren van een informatieavond op 23 juni 2009 en de daar geuite bezwaren is overgegaan tot publicatie van het ontwerpwijzigingsplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andere conclusie. In aanmerking genomen dat het college in de Nota van Zienswijzen gemotiveerd op de zienswijzen van [appellant] is ingegaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de belangen van omwonenden niet heeft betrokken bij de vaststelling van het wijzigingsplan.

3.    Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van een woon(zorg)complex met zeven seniorenappartementen en 24 zorgappartementen op de hoek van de A.C. Kerkhofflaan en de Churchilllaan.

4.    [appellant] stelt dat de in het plan voorziene bebouwing inbreuk maakt op zijn woon- en leefklimaat. Hiertoe voert hij aan dat het woon(zorg)complex zijn privacy zal aantasten en er hinder in de vorm van vermindering van lichtinval zal ontstaan. Voorts voert [appellant] aan dat hij vreest voor hinder als gevolg van de reflectie van het zonlicht op de glazen wand van het woon(zorg)complex en voor schade aan zijn woning door de bouwwerkzaamheden.

4.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de privacy van [appellant] gezien de afstand tussen de gevel van de woning en het woon(zorg)complex en de toegestane bouwhoogte niet onevenredig wordt aangetast. Verder stelt het college dat uit de bezonningsstudie, die in het kader van de wijziging van het bestemmingsplan in opdracht van woningbouwvereniging De Kombinatie door ag NOVA Architecten is uitgevoerd, blijkt dat de lichtinval op het perceel van [appellant] niet ernstig wordt beperkt ten gevolge van het woon(zorg)complex.

4.2.    Het wijzigingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan "Zeist Noord", dat de raad op 24 februari 2009 heeft vastgesteld. In dat bestemmingsplan zijn de gronden waarop het wijzigingsplan ziet, bestemd voor aaneengebouwde, niet-gestapelde woningen. Ingevolge artikel 28, lid 28.4, van de planregels is het college bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen" als bedoeld in artikel 17 en in zorgwoningen, met dien verstande dat het aantal woningen niet meer dan 31 mag bedragen, dat uitsluitend gestapelde woningen mogen worden gebouwd en dat de bouwhoogte van de gebouwen maximaal 15 meter mag bedragen.

    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

4.3.    De in het plan voorziene bebouwing voor het woon(zorg)complex heeft aan de zijde van het perceel van [appellant] een goothoogte van maximaal 12,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 15 meter. De afstand van het woon(zorg)complex tot de woning van [appellant] bedraagt  ten minste ongeveer 22 meter, omdat op het gedeelte van het perceel dat grenst aan het perceel van [appellant] geen bebouwing is toegestaan. Gelet op het feit dat deze afstand niet ongebruikelijk is in een stedelijke omgeving, behoefde het college aan het bezwaar dat de privacy van [appellant] door het voorziene woon(zorg)complex wordt aangetast, geen overwegende betekenis toe te kennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de directe omgeving reeds hoge bebouwing aanwezig is.

4.4.    Uit de verrichte bezonningsstudie komt naar voren dat op het perceel van [appellant] geen schaduwhinder ten gevolge van het plan zal optreden. Enige vermindering van lichtinval in de woning van [appellant] valt niet uit te sluiten, nu de toegestane bouwhoogte groter is dan de bestaande bebouwing. Gelet op de afstand van het te realiseren woon(zorg)complex tot de woning van [appellant] en de bouwhoogte van dit complex heeft [appellant] echter niet aannemelijk gemaakt dat de vermindering van lichtinval zodanig zal zijn dat het college hieraan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

4.5.    Over het bezwaar tegen de glazen wand van de westelijke zijgevel van het woon(zorg)complex) overweegt de Afdeling dat dit, wat hier verder ook van zij, een uitvoeringsaspect betreft dat in het kader van de omgevingsvergunning, maar niet bij de beoordeling van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan, betrokken kan worden.

4.6.    Over de vrees van [appellant] voor schade aan zijn woning als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is door woningbouwvereniging De Kombinatie ter zitting aangegeven dat er bij de bouwwerkzaamheden rekening zal worden gehouden met de woningen in de nabije omgeving. Om deze reden zal er voor een lichte vorm van heien worden gekozen. Voorts wordt, zo is namens het college en woningbouwvereniging De Kombinatie ter zitting verklaard, een nulmeting verricht bij alle woningen in een straal van 30 meter rond het plangebied, voordat begonnen zal worden met de bouwwerkzaamheden. In geval desalniettemin uitvoeringsschade optreedt, kan deze met behulp van een eindopname worden vastgesteld en kan op basis hiervan worden bekeken welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand vaststaat dat de uitvoering van de bouwwerkzaamheden leidt tot dusdanige schade aan zijn woning, dat het college hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

5.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

177-758.