Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201107435/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2011 heeft de raad van de gemeente Oud-Beijerland het bestemmingsplan "Wonen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107435/1/R4.

Datum uitspraak: 12 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Oud Beijerland,

2.    [appellant sub 2], wonend te Oud-Beijerland,

en

de raad van de gemeente Oud-Beijerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011 heeft de raad van de gemeente Oud-Beijerland het bestemmingsplan "Wonen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D.N.J. van Horssen, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.N.F.J. Mutsaers en Y. Bossche, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan betreft een actualisatie van de bestaande bestemmingsplannen binnen het stedelijk gebied. Het plangebied omvat het centrumgebied en alle woonwijken, met uitzondering van het nog te ontwikkelen gedeelte van Poortwijk (fase 3) en ontwikkellocaties uit de Integrale Visie Dorpsontwikkeling. Het plan heeft overwegend een conserverend karakter.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.        [appellant sub 1] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel-1 (sdh-1)", wat betreft het perceel [locatie 1] te Oud-Beijerland (hierna: het plandeel Rembrandstraat). [appellant sub 1] betoogt dat hij in zijn belangen wordt geschaad nu de gebruiks- en bouwmogelijkheden van zijn perceel ten opzichte van het voorheen geldende plan "Langeweg I" (1e partiële herziening) zijn beperkt. In dit verband voert hij aan dat ten onrechte de mogelijkheid om via een vrijstelling een dienstwoning te bouwen is vervallen. Daarnaast voert hij aan dat ten onrechte ter plaatse geen bedrijven meer worden toegestaan tot maximaal milieucategorie 3 maar alleen tot maximaal milieucategorie 2. Hierdoor is het volgens [appellant sub 1] niet meer mogelijk ter plaatse vrachtwagens te verhandelen en te repareren. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat ten onrechte de verkoop van motorbrandstoffen niet langer op zijn perceel is toegestaan.

    [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet inhoudelijk heeft gereageerd op het verzoek dat hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, om een wijzigingbevoegdheid op te nemen die het mogelijk maakt de bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming.

2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voor [appellant sub 1] geen achteruitgang betekent in de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende plan. Volgens de raad bood het voorheen geldende plan niet bij recht de mogelijkheid om een dienstwoning te bouwen ter plaatse van het plandeel Rembrandstraat. Van het opnieuw opnemen van een afwijkingsmogelijkheid heeft de raad afgezien, omdat binnen de gemeente Oud-Beijerland terughoudend wordt omgegaan met het toestaan van nieuwvestiging van bedrijfswoningen, mede gelet op de belemmerende effecten hiervan op omliggende bedrijven. Ook is een bedrijfswoning voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] volgens de raad niet nodig.

    De raad stelt voorts dat de categorieën 1 en 2 van de bij het plan gevoegde staat van bedrijfsactiviteiten (hierna: de staat van bedrijfsactiviteiten), gebaseerd op de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-Brochure)  in grote lijnen overeen komen met de categorieën 1-3 uit de staat van inrichtingen uit het voorheen geldende plan. De raad stelt dat op grond van de richtafstanden uit de VNG-Brochure, milieucategorie 3-bedrijven ter plaatse van het plandeel Rembrandstraat niet mogelijk zijn. De raad stelt dat categorie 3 bedrijvigheid alleen kan worden toegestaan als deze wat betreft uitstraling te vergelijken is met categorie 2 bedrijven. In het bedrijf van [appellant sub 1] worden incidenteel vrachtwagens gerepareerd hetgeen volgens de raad te vergelijken is met een categorie 2 bedrijf. Overigens valt het repareren van vrachtwagens volgens de raad onder het overgangsrecht, en is het dus zonder meer toegestaan.

    De raad wijst er voorts op dat het voorheen geldende plan ook niet voorzag in de mogelijkheid een motorbrandstoffenstation ter plaatse van het plandeel Rembrandstraat te exploiteren, aangezien geen detailhandelfunctie voor de verkoop van brandstoffen aan dit plandeel was toegekend. Daarnaast wijst de raad erop dat uit de gemeentelijke structuurvisie "Integrale Visie Dorpsontwikkeling" volgt dat (nieuwe) tankstations uit woongebieden geweerd dienen te worden.

    Tenslotte stelt de raad het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid die woningbouw mogelijk maakt ter plaatse van het plandeel Rembrandstraat niet past bij het conserverende karakter van het plan.

2.2.    Onder het voorheen geldende plan "Langeweg I" (1e partiële herziening) was aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijven, met bijbehorende erven -B-" toegekend. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c., van de planvoorschriften was het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor de bouw van één dienstwoning. In het nu voorliggende plan is in artikel 4 van de planregels aan de voor "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel-1 (sdh-1)", aangewezen gronden, geen mogelijkheid voor het realiseren van een bedrijfswoning meer opgenomen.

2.3.    De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Ten aanzien van het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het niet opnemen van de ontheffingsmogelijkheid ten behoeve van een bedrijfswoning overweegt de Afdeling dat gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 1] concrete plannen voor het oprichten van een bedrijfswoning ter plaatse bij de raad bekend heeft gemaakt. Daarnaast heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat een bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het ter plaatse geëxploiteerde garagebedrijf, temeer omdat zich op het perceel ook een woning bevindt waarvoor in het plan ook een woonbestemming is toegekend. De raad kon, gelet op zijn terughoudende beleid met betrekking tot het toestaan van nieuwvestiging van bedrijfswoningen, in redelijkheid afzien van het opnieuw mogelijk maken van het oprichten van een bedrijfswoning, ook niet door middel van een daartoe in het plan op te nemen afwijkingsbevoegdheid.

2.4.    Niet in geschil is dat onder het voorheen geldende plan het verhandelen en repareren van vrachtwagens ter plaatse was toegestaan. Ook is niet in geschil dat deze bedrijvigheid behoort tot categorie 3.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Ten aanzien van het betoog van de raad dat de reparatie van vrachtwagens in het geval van [appellant sub 1] qua uitstraling overeenkomt met een categorie 2 bedrijf overweegt de Afdeling dat dit standpunt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet berust op deugdelijk onderzoek. Zo is niet duidelijk hoeveel vrachtwagenreparaties volgens de raad mogelijk zijn binnen de grenzen van milieucategorie 2. Ook is niet gebleken dat de raad heeft onderzocht hoeveel reparaties aan vrachtwagens in het bedrijf van [appellant sub 1] worden verricht.

    Ten aanzien van het betoog van de raad dat de reparatie van vrachtwagens onder het overgangsrecht valt overweegt de Afdeling dat het onder het overgangsrecht brengen van een activiteit, gelet op de rechtszekerheid, slechts aanvaardbaar is indien aannemelijk is dat deze activiteit binnen de planperiode zal worden beëindigd. De raad heeft geen voornemen kenbaar gemaakt om een einde te maken aan die reparatie-activiteit. [appellant sub 1] heeft niet te kennen gegeven uit eigen beweging deze activiteit te zullen beëindigen.

    In zoverre is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.

    Dit betoog slaagt.

2.5.    Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gewenste mogelijkheid voor het realiseren van een verkooppunt voor motorbrandstoffen overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat een concrete aanvraag is ingediend om een omgevingsvergunning voor het oprichten en exploiteren van een tankstation bij het bedrijf van [appellant sub 1], dat deze aanvraag is geweigerd wegens strijd met het voorgaande bestemmingsplan, en dat tegen deze weigering beroep is ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Daargelaten de vraag of een dergelijke activiteit in het voorgaande bestemmingsplan werd toegelaten, had het op de weg van de raad gelegen, nu er een concreet voornemen is, om te onderzoeken of het gewenste tankstation inpasbaar is in het nieuwe plan. De motivering dat een tankstation ook onder het vorige plan niet toegelaten zou zijn volstaat niet. Datzelfde geldt voor de verwijzing naar de gemeentelijke structuurvisie "Integrale Visie Dorpsontwikkeling", nu die door [appellant sub 1] gewenste planologische mogelijkheid niet in een woongebied maar op een bedrijventerrein wordt beoogd.

    Dit betoog slaagt.

2.6.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat de raad ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn verzoek om de bedrijfsbestemming op zijn perceel te wijzigen in een woonbestemming overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] dit aspect als een bespreekpunt heeft aangestipt, maar dat niet is gebleken dat hij terzake in het kader van de totstandkoming van het plan reeds concrete plannen naar voren heeft gebracht om zijn bedrijf ter plaatse te beëindigen. Voor het oordeel dat de raad deze mogelijkheid in zijn afwegingen had moeten betrekken is gelet daarop dan ook geen aanleiding. Dit betoog faalt.

3.        In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dit ziet op het plandeel Rembrandstraat niet berust op een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel-1 (sdh-1)", wat betreft het perceel [locatie 1].

Het beroep van [appellant sub 2]

4.        [appellant sub 2] richt zich tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Wonen", wat betreft de percelen [locatie 2] en [locatie 3] te Oud-Beijerland. [appellant sub 2] betoogt dat de bouwvlakken die zijn toegekend aan die percelen ten onrechte ten opzichte van het ontwerpplan niet zijn verruimd teneinde vergroting van de ter plaatse aanwezige woningen mogelijk te maken. Volgens [appellant sub 2] waren in het voorheen geldende bestemmingsplan "Oost" grotere bouwvlakken en ruimere bouwmogelijkheden aan de percelen toegekend waardoor de door hem gewenste uitbreidingen van de woningen onder dat plan wel mogelijk waren. Daarnaast wijst [appellant sub 2] erop dat de woningen aan de Boezemsingel 13 t/m 21, anders dan onder de voorheen geldende bestemming was toegestaan, zijn gebouwd als grote vrijstaande woningen, waarvan de meeste hoog genoeg zijn voor drie bruikbare woonlagen. Hij betoogt dat tengevolge van het conserverend karakter van het plan geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, omdat het plan slechts de hoofdlijnen van de bestaande hoofdgebouwen vastlegt, en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn belang bij het verkrijgen van uitbreidingsmogelijkheden teneinde het hoofdgebouw aan te passen aan de in de tijd plaatsgevonden hebbende ontwikkelingen. Volgens [appellant sub 2] zijn zijn wensen ten aanzien van de bouwvlakken niet strijdig met een normale invulling van een woonbestemming en leiden zij niet tot aantasting van het woongenot in de directe omgeving.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, gelet op het conserverend karakter, niet kan voorzien in de door [appellant sub 2] gewenste uitbreidingen van de bouwvlakken. Volgens de raad waren de door [appellant sub 2] gewenste woninguitbreidingen onder het voorheen geldende herziene bestemmingsplan "Oost" uit 1974 ook niet mogelijk. De raad stelt dat de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3], gelet op de verleende bouwvergunningen, geheel overeenstemmen met het voorheen geldende plan. Onder het voorliggende plan heeft [appellant sub 2] volgens de raad de mogelijkheid om de hoofdgebouwen tot negen meter hoogte uit te breiden en tot 100 m² aan te bouwen, ook buiten het bouwvlak en zijn daarmee de bouwmogelijkheden verruimd vergeleken met de mogelijkheden die het voorheen geldende plan bood.

4.2.    Op grond van het bestreden plan mag ter plaatse van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] tot een hoogte van 9 meter worden gebouwd met een goothoogte van 5 meter. Hierdoor kunnen maximaal 3 woonlagen worden gebouwd. Onder het voorheen geldende plan mochten ingevolge artikel 3 van de voorschriften ervan ter plaatse slechts woningen van maximaal één laag worden gebouwd. Daarnaast geeft artikel 22, tweede lid, onder 5, van de planregels op de voor "Wonen" bestemde gronden de mogelijkheid om op de betreffende percelen buiten het bouwvlak (nu de percelen groter zijn dan 1000 m²) tot 100 m² aan te bouwen (eenlaags, 3 meter hoogte) maar op niet meer dan 50% van het erf. Ingevolge artikel 3, onder b, van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan mocht alleen binnen de daartoe op de plankaart aangegeven bebouwingsstrook worden gebouwd. Het betoog van [appellant sub 2] dat hij op grond van het voorgaande plan meer bouwmogelijkheden had dan op grond van het bestreden plan, volgt de Afdeling gelet daarop niet.

    De Afdeling ziet voorts in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om bij het bestemmen van de bouwvlakken aan te sluiten bij de bestaande bebouwing. De Afdeling overweegt in dit verband ook dat niet is gebleken dat [appellant sub 2] een aanvraag heeft ingediend of een concreet bouwvoornemen heeft kenbaar gemaakt waarmee de raad in het kaer van de vaststelling van het plan rekening had kunnen houden.

    Het betoog faalt.

4.3.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Opdracht

5.        De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4, 2.5 en 3 is overwogen, aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

6.        De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oud-Beijerland van 19 april 2011 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel-1 (sdh-1)", op het perceel [locatie 1].

III.    draagt de raad op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het plandeel genoemd onder II en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Oud-Beijerland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 887,32 (zegge: achthonderdzevenentachtig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Oud-Beijerland aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012

539-678.