Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX7094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
201204983/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204983/2/R2.

Datum uitspraak: 3 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, wonend te Oudewater,

en

de raad van de gemeente Oudewater,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 augustus 2012, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en de raad, vertegenwoordigd door A.B. den Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door R. van Duinkerken en ing. J.G. Kentie, beiden werkzaam bij de provincie, en Artica Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door J. de Wit, bijgestaan door mr. P.A. Kok, advocaat te Woerden, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om op de hoek van de Lijnbaan en de J.J. Vierbergenweg te Oudewater een supermarkt te vestigen en hiertoe bedrijfsgebouwen op te richten.

3. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat een supermarkt in de nabijheid van hun woning ten koste gaat van hun woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij onder andere aan dat door het plan het groen voor hun deur verdwijnt en hun uitzicht wordt aangetast. Ook zullen zij te lijden hebben van verkeershinder en geluidshinder, zo stellen zij.

Voorts stellen zij dat door het college van gedeputeerde staten ten onrechte een ontheffing is verleend van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Utrecht (hierna: PRV) ten behoeve van het aanpassen van het gebied dat is aangeduid als 'Stedelijk gebied'. Volgens hen had de provincie eerst naar alternatieven binnen het stedelijk gebied moeten zoeken, alvorens een besluit tot ontheffing te kunnen nemen ter aanpassing van het stedelijk gebied. Hierom had de raad geen gebruik mogen maken van de ontheffing.

Verder stellen [verzoeker] en anderen dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor deze locatie nu uit de rapporten "distributie planologisch onderzoek inzake verplaatsing C1000" van 20 augustus 2010 (hierna: DPO) en "Locatiekeuze inzake verplaatsing C1000" van 13 januari 2011 (hierna: Rapport locatiekeuze), beide opgesteld door MKB Adviseurs B.V. in opdracht van Artica Vastgoedontwikkeling B.V., niet blijkt dat andere locaties binnen de bebouwingscontour van Oudewater ongeschikt zouden zijn voor een supermarkt.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat voldaan is aan de voorwaarden die de PRV stelt aan een wijziging van het stedelijk gebied, zodat hij gebruik kon maken van de ontheffing door het college. Verder stelt de raad onderzoek te hebben laten uitvoeren naar mogelijke locaties voor de verplaatsing van de supermarkt welke voorzien wordt binnen het plangebied. Uit dit onderzoek is gebleken dat enige alternatieve locaties binnen de bebouwingscontour niet of minder geschikt zijn als uitbreidingslocatie van de supermarkt.

5. De voorzitter overweegt dat de bij besluit van 22 september 2011 door het college verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.1, lid 5, onder d, van de PRV, uitsluitend met het oog op het bestreden besluit van 15 maart 2012 is verleend. Tegen het besluit tot het verlenen van ontheffing kunnen met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft. Voor zover het beroep betrekking heeft op het besluit van 22 september 2011 tot verlening van de ontheffing, maakt het derhalve deel uit van dit geding.

6. Ingevolge artikel 4.1, derde lid van de PRV bevat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als 'Landelijk gebied' geen bestemming en regels die verstedelijking toestaan.

Ingevolge het vijfde lid, kunnen gedeputeerde staten in afwijking van het bepaalde van het derde lid een ontheffing verlenen voor een gebied dat is aangeduid als ‘Landelijk gebied’ ten behoeve van verstedelijking onder de volgende voorwaarden:

[…]

c. de beoogde verstedelijking naar aard en omvang niet door herstructurering of intensivering van bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd en alternatieven ontbreken;

d. indien de oppervlakte aan nieuwe verstedelijking wordt gecompenseerd door het schrappen van een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied, is de voorwaarde genoemd in het vijfde lid, onder sub c, niet van toepassing.

7. Op grond van de kaarten behorende bij de PRV is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'Landelijk gebied' en gelegen in aansluiting op een gebied dat is aangeduid als 'Stedelijk gebied'. In het ontheffingsbesluit is gebruik gemaakt van de voorwaarde als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder d, waarbij een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied is geschrapt. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college eerst naar alternatieven binnen het stedelijk gebied van Oudewater had moeten zoeken. Derhalve is geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat in de bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat de raad geen gebruik had mogen maken van de ontheffing door het college, waardoor het plan niet in stand zou kunnen blijven.

8. Het door [verzoeker] en anderen gestelde omtrent het DPO en het Rapport locatiekeuze geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het plan in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat [verzoeker] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze rapporten zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad bij het vaststellen van het plan niet in redelijkheid van de resultaten van deze onderzoeken heeft mogen uitgaan.

9. Ten slotte acht de voorzitter het woon- en leefklimaat van [verzoeker] en anderen niet zodanig aangetast dat op voorhand moet worden aangenomen dat de raad niet in redelijkheid het plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kon achten. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het plangebied op ongeveer 50 meter afstand van hun woningen is gelegen en de gronden rondom de supermarkt gedeeltelijk door een groenzone worden afgeschermd. Daarbij komt de supermarkt op ongeveer 100 meter van hun woning af te liggen.

10. Gelet op het vorenstaande dienen de verzoeken te worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2012

59-723.