Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
201206770/1/V4.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit (…) [het] rapport [van professor William Maley van 7 december 2011] volgt dat zowel in 2010 als 2011 verschillende aanslagen op Hazara's zijn gepleegd waarbij slachtoffers zijn gevallen, dat Hazara's het doelwit waren van deze aanslagen en dat sinds 2010 de situatie voor Hazara's in de provincie Ghazni, waar zij in bepaalde districten een meerderheid vormen, is verslechterd. Uit het rapport blijkt evenwel niet dat de situatie van Hazara's in Afghanistan in het algemeen en in de provincie Ghazni in het bijzonder ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 13 juni 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 4 augustus 2011.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/436

Uitspraak

201206770/1/V4.

Datum uitspraak: 30 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 juli 2012 in zaak nrs. 12/19124 en 12/19125 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juli 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

2.4. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.4.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.4.2. De vreemdeling heeft eerder, te weten 18 maart 2009, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft de minister die aanvraag afgewezen. Het besluit van 13 juni 2012 is van gelijke strekking als dat van 4 augustus 2011, zodat op het door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft, voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.5. De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende aanvraag van 5 juni 2012 ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie voor personen van Hazara afkomst (hierna: Hazara's) in Afghanistan in het algemeen en in de provincie Ghazni in het bijzonder, sinds het eerdere besluit van 4 augustus 2011 ernstig is verslechterd. Hiertoe heeft hij verwezen naar het rapport van professor William Maley van 7 december 2011 (hierna: het rapport).

2.5.1. Het rapport beschrijft de positie van Hazara's in Afghanistan en de ontwikkelingen die in de afgelopen jaren in Afghanistan hebben plaatsgevonden die voor Hazara's van belang zijn. Professor Maley geeft in zijn rapport voorbeelden van geweldsincidenten, gericht tegen Hazara's, die hebben plaatsgevonden in de periode vanaf 1998 tot en met december 2011.

In paragraaf 6 staat vermeld:

"Hazaras have been subject to discrimination and persecution at least since the ‘Hazara Wars’ of 1891-1893, and there is no reason to believe that the underlying factors (both ethnic and sectarian) fuelling hostility towards Hazaras have dissipated. Under the Taliban, however, discrimination against Hazaras took a murderous form. When the Taliban occupied Mazar-e Sharif on 8 August 1998, they embarked on a three-day massacre which Ahmed Rashid described as ‘genocidal in its ferocity’ (Ahmed Rashid, Taliban: Militant Islam, Oil and Fundamentalism in Central Asia (New Haven: Yale University Press, 2010, p.73). The most conservative estimate of the number killed was 2000 and others went much higher (….)."

In paragraaf 10 staat vermeld:

"(….) In June 2011, the International Crisis Group reported that the province of Ghazni ‘has slipped from being one of the most stable to the third most volatile after Kandahar and Helmand’ (The Insurgency in Afghanistan’s Heartland (Kabul and Brussels; asia Report no.207, International Crisis Group, 27 June 2011, p.17). No part of Ghazni can realistically be considered safe for Hazaras, even in districts where they might seem numerically predominant. Most disturbingly, a June 2010 study by the highly regarded Afghanistan Analysts Network warns of a risk to these areas: ‘The Taleban successfully have infiltrated Northern and Northeastern Afghanistan and destabilised certain areas, mainly in Kunduz province. Now, there are signs that they might attempt to push forward into mainly Hazara-settled areas [in] the central region. The main road into Jaghori, an important Hazara area, has been blocked raising fears of a new economic blockade or even[.] an attack’ (Thomas Ruttig, A New Taliban Front? (Kabul: Afghanistan Analysts Network, 18 June 2010)) (….)."

In paragraaf 11 staat vermeld:

"It is also a mistake to conclude that Kabul is safe for Hazaras. This was tragically

demonstrated on 6 December 2011, when a suicide bomber attacked Shiite Afghans, most of them Hazaras, at a place of commemoration in downtown Kabul during the Ashura festival that marks the anniversary of the Battle of Karbala in 680 AD. Almost simultaneously, a bomb in Mazar-e Sharif also killed Afghan Shia. The Kabul bomb killed at least 55 people, and the Mazar bomb four more (see Hashmat Baktash and Alex Rodrigues, ‘Two Afghanistan bombings aimed at Shiites kill at least 59 people’, Los Angeles Times, 7 December 2011). A claim of responsibility was made by the Pakistani Sunni extremist group Lashkar-e Jhangvi, which has a long history of sectarian violence against Shia (see Muhammad Qasim Zaman, ‘Sectarianism in Pakistan: The Radicalization of Shi’i and Sunni Identities’, Modern Asian Studies, vol.32, no.3, 1998, pp.689-716). The key point to note, however, is that no one with any knowledge of Afghanistan could seriously doubt that Hazara Shia were specifically targeted (….)."

In paragraaf 12 staat vermeld:

"The spectacularly gruesome nature of this event should not distract attention from

a number of largely-unreported attacks in the past that many observers and decisionmakers have overlooked. I visited Kabul in late September 2010, to undertake a field assessment of the post-election political environment, and to gather additional information about the position of ethnic Hazaras in Afghanistan and about attacks on Hazaras (…). I interviewed a wide range of sources from diverse ethnic groups (…). One of the main topics about which these interlocutors were concerned was the violence that had broken out in Kabul on 13 August 2010, in which a number of ethnic Hazaras had been killed (…)."

2.5.2. Uit dit rapport volgt dat zowel in 2010 als 2011 verschillende aanslagen op Hazara's zijn gepleegd waarbij slachtoffers zijn gevallen, dat Hazara's het doelwit waren van deze aanslagen en dat sinds 2010 de situatie voor Hazara's in de provincie Ghazni, waar zij in bepaalde districten een meerderheid vormen, is verslechterd. Uit het rapport blijkt evenwel niet dat de situatie van Hazara's in Afghanistan in het algemeen en in de provincie Ghazni in het bijzonder ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 13 juni 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 4 augustus 2011.

Derhalve is op voorhand uitgesloten dat het aldus aangevoerde kan afdoen aan het besluit van 4 augustus 2011, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

2.5.3. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangetoond dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 13 juni 2012, voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft, geen plaats. Dit heeft de voorzieningenrechter niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 juni 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.7. De vreemdeling heeft in beroep, ter betwisting van het door de minister ten aanzien van hem uitgevaardigde inreisverbod, volstaan met een verwijzing naar zijn zienswijze. Hiermee heeft de vreemdeling het besluit van 13 juni 2012, waarin de minister op de zienswijze is ingegaan, niet gemotiveerd betwist. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, biedt derhalve geen grond voor vernietiging van het besluit in zoverre.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 juli 2012 in zaak nr. 12/19124;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en

mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2012

418-643.

Verzonden: 30 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser