Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
201109379/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door De Taalstudio op te stellen reactie op de algemene bevindingen kan niet worden aangemerkt als een contra expertise taalanalyse derde fase. De derde fase van de contra-expertise taalanalyse betreft immers een weerwoord op een reactie van het BLT op het ten behoeve van de vreemdeling opgestelde rapport contra expertise. Het COa kan dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat de door De Taalstudio op te stellen reactie op de algemene bevindingen geen individuele op deze vreemdeling betrekking hebbende reactie betreft. Het COa heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kosten verbonden aan het opstellen van een reactie op de algemene bevindingen niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005. De Rb. heeft ten onrechte overwogen dat het COa dit in het besluit van 13 juli 2010 onvoldoende heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109379/1/V1.

Datum uitspraak: 4 september 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 29 juli 2011 in zaak nr. 10/28052 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het COa een verzoek van de vreemdeling om vergoeding van buitengewone kosten krachtens artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005), afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juli 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op het verzoek neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel; hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge het derde lid kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.

De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Wet COa.

In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COa opvang wordt geboden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Ingevolge het derde lid worden buitengewone kosten slechts betaald voor zover vooraf door het COa aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

In de toelichting op artikel 17, eerste en tweede lid, van de

Rva 2005 (Stcrt. 2005, 24, p. 17) is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het orgaan zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken. Voorwaarde hierbij is dat de kosten in enige mate (direct of indirect) gerelateerd zijn aan het verblijf in de voorziening of aan de (medische en mentale) situatie van betrokkene. Dat betekent dat het mogelijk is dat ook kosten vergoed kunnen worden die niet opgehangen zijn aan, of verbonden zijn met de asielprocedure."

2. Het COa klaagt in wezen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kosten van de reactie van De Taalstudio op de algemene bevindingen van het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) van 9 februari 2010 ten aanzien van de als AC 1 geduide anonieme deskundige Somalisch (hierna: de algemene bevindingen) geen noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 zijn. Daartoe voert het COa aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn beleid ten aanzien van de vergoeding van een contra expertise taalanalyse derde fase hier niet van toepassing is en dat de algemene bevindingen niet zijn toegespitst op de procedure van de vreemdeling. Omdat het een algemeen stuk betreft kan De Taalstudio volstaan met het opstellen van een eenmalige reactie die, nu het vaststellen en verdedigen van de deskundigheid van een door De Taalstudio ingeschakelde deskundige voor rekening van De Taalstudio behoort te komen, niet uit schaarse publieke middelen hoeft te worden bekostigd, aldus het COa.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 maart 2010 in zaak nr. 200907879/1/V1; www.raadvanstate.nl), komt het COa bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 beoordelingsvrijheid toe, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Het is aan het COa om te beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn en naar aard en omvang in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald.

2.2. Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het COa het verzoek van de vreemdeling om vergoeding van kosten voor het geven van een reactie door De Taalstudio op de algemene bevindingen, afgewezen. Hieraan heeft het COa ten grondslag gelegd dat deze kosten niet als noodzakelijke kosten ten behoeve van de individuele asielprocedure van de vreemdeling kunnen worden aangemerkt. Het COa is er ambtshalve mee bekend dat de algemene bevindingen door de minister in meerdere procedures wordt gebruikt. Volgens het COa staat het De Taalstudio vrij te onderbouwen dat de door haar ingeschakelde expert deskundig is, maar is daarmee de noodzakelijkheid voor het geven van een reactie op de algemene bevindingen in de individuele asielprocedure van de vreemdeling niet gegeven. Het COa heeft erop gewezen dat De Taalstudio kan volstaan met het eenmalig opstellen van een reactie, welke reactie ook kan worden ingebracht in andere asielprocedures waarin de minister zich beroept op de algemene bevindingen.

2.3. De door De Taalstudio op te stellen reactie op de algemene bevindingen kan niet worden aangemerkt als een contra expertise taalanalyse derde fase. De derde fase van de contra-expertise taalanalyse betreft immers een weerwoord op een reactie van het BLT op het ten behoeve van de vreemdeling opgestelde rapport contra expertise. Het COa kan dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat de door De Taalstudio op te stellen reactie op de algemene bevindingen geen individuele op deze vreemdeling betrekking hebbende reactie betreft. Het COa heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kosten verbonden aan het opstellen van een reactie op de algemene bevindingen niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het COa dit in het besluit van 13 juli 2010 onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 juli 2010 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 29 juli 2011 in zaak nr. 10/28052;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Lustberg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Lustberg

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012

587.

Verzonden: 4 september 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser