Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
201105969/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister voert terecht aan dat de Rb. niet heeft onderkend dat de vreemdeling, door het opgeven van een onjuiste geboortedatum, onjuiste gegevens heeft verstrekt. De minister wijst er in dit verband terecht op dat de moeder tijdens haar eerste gehoor op 21 november 2007 heeft verklaard dat de vreemdeling is geboren uit haar eerste, in 1997 gesloten huwelijk en dat deze verklaring strijdig is met de verklaring over de gewijzigde geboortedatum van de vreemdeling.

Nu de vreemdeling een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven, mocht de vreemdeling er niet meer op vertrouwen dat hem de gevraagde verblijfsvergunning zou worden verleend. De minister heeft de aanvraag terecht beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/437

Uitspraak

201105969/1/V1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 2 mei 2011 in zaak nr. 10/19680 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 mei 2011, verzonden op 10 mei 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In zijn grieven, in onderlinge samenhang bezien, bestrijdt de minister het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling bij zijn aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de mvv) geen onjuiste gegevens heeft verstrekt. De minister voert aan dat na verlening van de mvv is gebleken dat de vreemdeling een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven. Gelet hierop en op de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2010 (in zaak nr. 200904213/1/V2; www.raadvanstate.nl) mocht de vreemdeling er daarom niet meer op vertrouwen dat hem een verblijfsvergunning zou worden afgegeven voor het doel waarvoor de mvv is verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte overwogen dat het aan hem was om aannemelijk te maken dat de vreemdeling identiteitsfraude heeft gepleegd, aldus de minister.

2.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de

Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd, dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze ten tijde van belang luidde en voor zover thans van belang, dienen de gezinsleden, om voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in aanmerking te kunnen komen, feitelijk te behoren tot het gezin van degene, bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan.

2.4. Op 28 januari 2008 heeft de moeder van de vreemdeling, [naam] (hierna: de moeder) ten behoeve van de vreemdeling een verzoek om advies voor afgifte van een mvv ingediend met als doel dat de vreemdeling bij haar en haar echtgenoot gaat verblijven op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Bij brief van 23 oktober 2008 is namens de minister van Buitenlandse Zaken aan de moeder bericht dat gelet op de op dat moment overgelegde gegevens en bescheiden wordt voldaan aan de toelatingsvereisten. De vreemdeling is op 26 maart 2009 Nederland binnengereisd en heeft op 6 mei 2009 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 6 mei 2010 heeft de minister deze aanvraag afgewezen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 augustus 2010 in zaak nr. 200904213/1/V2; www.raadvanstate.nl), moet, indien een vreemdeling Nederland met een mvv is ingereisd, en de minister van Buitenlandse Zaken heeft bericht als hiervoor weergegeven onder 2.4, worden aangenomen dat ten tijde van het verlenen daarvan is of had kunnen worden onderzocht en vastgesteld dat aan de ter zake van het beoogde verblijfsdoel gestelde vereisten is voldaan en dat er geen andere redenen waren die zich verzetten tegen verlening van de gevraagde mvv. In dat geval mag de desbetreffende vreemdeling er op vertrouwen dat hem bij gelijkblijvende omstandigheden de verblijfsvergunning wordt verleend. Dat is slechts anders, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv.

2.4.2. In het besluit van 6 mei 2010 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de moeder in het verzoek van 28 januari 2008 heeft verklaard dat de vreemdeling op [datum] 1997 is geboren maar dat de moeder na de verlening van de mvv heeft verklaard dat de vreemdeling op [datum] 1995 is geboren. De hiervoor door de moeder gegeven verklaring, dat zij in de war was en een klap op haar hoofd heeft gehad waaraan zij hersenproblemen heeft overgehouden, heeft de minister niet plausibel geacht, nu de moeder dan wel de vreemdeling dit op geen enkele wijze heeft aangetoond. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ongeloofwaardige verklaringen heeft verstrekt over zijn woon- en leefomgeving en gezinssituatie met de moeder. De vreemdeling heeft volgens de minister derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij in het land van herkomst feitelijk tot het gezin van de moeder behoorde.

2.4.3. In het verzoek om advies voor afgifte van een mvv is door de moeder als geboortedatum van de vreemdeling ingevuld "december 1997". Het verklaringsformulier ouderschapsonderzoek, dat op 27 juli 2008 op de Nederlandse ambassade te Sanaa in Jemen door de vreemdeling is ondertekend, vermeldt als geboortedatum [datum] 1997. Ook de door de vreemdeling ingevulde visumaanvraag vermeldt deze geboortedatum. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan de vreemdeling kan worden toegerekend dat een onjuiste geboortedatum is opgegeven.

De minister voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling, door het opgeven van een onjuiste geboortedatum, onjuiste gegevens heeft verstrekt. De minister wijst er in dit verband terecht op dat de moeder tijdens haar eerste gehoor op 21 november 2007 heeft verklaard dat de vreemdeling is geboren uit haar eerste, in 1997 gesloten huwelijk en dat deze verklaring strijdig is met de verklaring over de gewijzigde geboortedatum van de vreemdeling.

Nu de vreemdeling een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven, mocht de vreemdeling er niet meer op vertrouwen dat hem de gevraagde verblijfsvergunning zou worden verleend. De minister heeft de aanvraag terecht beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

De grieven slagen.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 mei 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat nu uit DNA onderzoek is gebleken dat vaststaat dat de vreemdeling de biologische zoon van de moeder is en de identiteit van de moeder vaststaat, daarmee ook de identiteit van de vreemdeling voldoende aannemelijk is gemaakt. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat indien de minister twijfelde aan zijn herkomst, het op zijn weg had gelegen hier, alvorens de mvv te verlenen, vragen over te stellen.

2.6.1. Doordat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt was de minister door de verlening van de mvv niet meer gebonden. De minister heeft zich in het besluit van 6 mei 2010 gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ongeloofwaardige verklaringen heeft verstrekt over zijn woon- en leefomgeving en gezinssituatie met de moeder en dat de vreemdeling daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de moeder. De vreemdeling heeft dit standpunt van de minister in beroep niet gemotiveerd betwist, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat de minister zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Gelet hierop en het bepaalde in paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000, kan hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd niet leiden tot het door hem daarmee beoogde doel.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 2 mei 2011 in zaak nr. 10/19680;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Idema

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012

512.

Verzonden: 31 augustus 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser