Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201113220/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113220/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2011 in zaak nr. 11/5748 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM en mr. D.D. van Milt, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2010 (Stcrt. 2010, 14312; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt de minister bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

2.2. De staatssecretaris heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat [appellant] op 14 september 2009 is veroordeeld wegens beschadiging van goederen tot een geldboete van € 100,00 subsidiair 2 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarde. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Deze zaak was ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet inhoudelijk behandeld. Voorts is aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] op 2 maart 2009 is veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling tot 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 17 maart 2009 onherroepelijk geworden. Daarnaast is met [appellant] op 6 november 2008 een transactie overeengekomen van € 180,00 wegens het vervoeren van meer personen in een auto dan volgens het kentekenbewijs is toegestaan. Verder is met [appellant] op 17 augustus 2006 een transactie overeengekomen van € 110,00 wegens het als bestuurder niet in het bezit hebben en zichtbaar tonen van de chauffeurspas in de taxi. [appellant] is buiten de terugkijktermijn in 2003 met justitie in aanraking gekomen vanwege diefstal. Hiervoor is met hem een transactie overeengekomen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat beschadiging van goederen, indien herhaald in de beoogde functie, een risico oplevert voor de veiligheid van de eigendommen van passagiers. Daarnaast levert een geweldsdelict, indien herhaald, volgens de staatssecretaris een risico op voor het welzijn en de veiligheid van personen. Ten slotte is [appellant] in aanraking gekomen met justitie wegens branchegerelateerde feiten waardoor, indien herhaald in de beoogde functie, een risico voor de samenleving bestaat, aldus de staatssecretaris.

Gelet op het beperkte tijdsverloop sinds die overtredingen en de hoeveelheid antecedenten is de staatssecretaris van oordeel dat onvoldoende tijd is verstreken om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Het te beschermen belang van de samenleving dient volgens de staatssecretaris zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij de afgifte van de VOG.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangen van de samenleving zwaarder wegen dan zijn belangen. Daartoe voert hij aan dat hij weliswaar is veroordeeld, maar dat hem slechts zeer lichte straffen zijn opgelegd. Verder is de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat hij bij het niet verkrijgen van een VOG zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet kan uitoefenen, waardoor zijn gezin niet over inkomen zal beschikken. Zij zullen dan een beroep op de samenleving moeten doen. De maatschappij heeft daarom volgens hem geen enkel belang bij de weigering van een VOG. Gezien de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, is niet aannemelijk dat er een kans bestaat op herhaling, aldus [appellant]. De rechtbank heeft deze omstandigheden volgens hem ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken.

2.3.1. Dit betoog faalt. De staatssecretaris heeft in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris in aanmerking mogen nemen dat op naam van [appellant] verscheidene relevante justitiële gegevens, zowel binnen als buiten de terugkijktermijn zijn aangetroffen en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling te beperkt is om te kunnen aannemen dat de kans op recidive en het risico voor de samenleving voldoende zijn afgenomen. De omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan zijn op grond van paragraaf 3.3.1. van de Beleidsregels slechts van belang voor de beoordeling indien de staatssecretaris niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De staatssecretaris heeft in redelijkheid kunnen stellen dat dit geval zich hier niet voordoet. Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de strafbare feiten hem licht zijn aangerekend, kan dit gelet op het voorgaande niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van een VOG de functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering is, en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Dat [appellant] en zijn gezin door de weigering van een VOG niet over inkomen zullen beschikken, waardoor een beroep op de samenleving zou moeten worden gedaan, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, reeds omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slechts als taxichauffeur inkomsten kan verwerven.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

176-721.