Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201112975/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112975/1/A3.

Datum uitspraak: 29 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2011 in zaak nr. 11/4249 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door zijn [broer] en mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.D. van Milt en F.E.I.H. Muijtjens LLM, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.     Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2011 (Stcrt. 2011, 12842; hierna: de Beleidsregels 2011).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt de minister bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Indien de aanvrager ten tijde van het plegen van een strafbaar feit minderjarig was, betrekt de minister dit in de beoordeling van de aanvraag.

In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3.

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' staat onder meer vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs in (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante en girale waarden om. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen, zoals rijden onder invloed van alcohol of agressief rijgedrag. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen.

2.2.    De staatssecretaris heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat [appellant] op 6 maart 2009 is veroordeeld wegens openlijke geweldpleging tot een leerstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur subsidiair 10 dagen jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar. Deze uitspraak is op 6 maart 2009 onherroepelijk geworden. Verder is aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] op 4 februari 2011 is veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering en diefstal onder strafverzwarende omstandigheden tot een werkstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van hetgeen hem bij veroordeling van 6 maart 2009 voorwaardelijk is opgelegd. Deze uitspraak is op 4 februari 2011 onherroepelijk geworden. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het geweldsdelict dat op naam van [appellant] is geregistreerd in de justitiële documentatie, indien herhaald, een risico oplevert voor het welzijn en de veiligheid van passagiers. Verder heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vermogensdelicten die op naam van [appellant] zijn geregistreerd in de justitiële documentatie, indien herhaald, een risico opleveren voor de veiligheid van de eigendommen van passagiers. De mogelijkheid bestaat dat [appellant] deze eigendommen zal ontvreemden. De staatssecretaris is hierdoor van mening dat een risico bestaat voor de samenleving.

Gelet op het beperkte tijdsverloop sinds die overtredingen en de hoeveelheid antecedenten is de staatssecretaris van oordeel dat onvoldoende tijd is verstreken om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Het te beschermen belang van de samenleving dient volgens de staatssecretaris zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij de afgifte van een VOG.

2.3.    [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het besluit van 8 juli 2011 is genomen op grond van de Beleidsregels 2011 die op dat moment nog niet in werking waren getreden.

2.3.1. Dit betoog faalt. Aan het besluit van 8 juli 2011 zijn de Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2010 (hierna: de Beleidsregels 2010) ten grondslag gelegd. De Beleidsregels 2011 zijn door de staatssecretaris wel ten grondslag gelegd aan het besluit van 18 augustus 2011. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 maart 2010 in zaak nr. 200906261/1/H2), geldt bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt eveneens voor beleidsregels. Nu de Beleidsregels 2011 in werking zijn getreden op 1 augustus 2011 zijn deze terecht ten grondslag gelegd aan het besluit van 18 augustus 2011.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2009 in zaak nr. 200803868/1, heeft overwogen dat de Beleidsregels 2011 niet onredelijk zijn.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de Afdeling herhaaldelijk het beleid van de minister, zoals neergelegd in de beleidsregels van voorgaande jaren, als niet onredelijk aangemerkt. Ten aanzien van de Beleidsregels 2010, de versie van het beleid dat aan de Beleidsregels 2011 voorafging, heeft de Afdeling reeds eerder overwogen (uitspraak van 14 maart 2012 in zaak nr. 201105932/1/A3) dat deze beleidsregels de grenzen van de in artikel 35 van de Wjsg aan de minister gegeven bevoegdheid niet te buiten gaan, en dat de minister, in aanmerking genomen de in de beleidsregels vermelde belangen, in redelijkheid tot het vaststellen van dit beleid heeft kunnen komen. De belangen die zijn omschreven in de Beleidsregels 2010 zijn dezelfde als die omschreven in de Beleidsregels 2011, zodat de jurisprudentie van de Afdeling ook van toepassing is op de huidige beleidsregels en ook dit beleid niet onredelijk moet worden geoordeeld.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Daartoe voert hij aan dat de justitiële antecedenten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving niet in de weg staan aan de uitoefening van de functie van taxichauffeur. Volgens hem heeft hij in de uitoefening van deze functie geen geld en goederen van derden onder zich. Indien dit wel het geval is, is het verliezen van zijn VOG een goede stimulans om niet opnieuw met justitie in aanraking te komen. Ook voert [appellant] aan dat hij nimmer de veiligheid van personen in gevaar heeft gebracht.

2.5.1. [appellant] heeft een VOG aangevraagd voor de functie van taxichauffeur. De staatssecretaris heeft daarom terecht het screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' toegepast. Uit dit screeningsprofiel volgt onder meer dat een taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen en moet omgaan met contante en girale waarden. Daarbij bestaat onder meer een risico voor verduistering en diefstal. Omdat [appellant] is veroordeeld voor het medeplegen van verduistering en diefstal en voor openbare geweldpleging, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangetroffen strafbare feiten uit het JDS, gelet op het van toepassing zijnde screeningsprofiel, bij de beoordeling van de aanvraag mochten worden betrokken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de staatssecretaris zich voorts terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan zijn belang bij de afgifte van een VOG. Daartoe voert hij aan dat niet blijkt dat de staatssecretaris bij zijn belangenafweging rekening heeft gehouden met het tijdsverloop, het aantal justitiële antecedenten, de ernst van de strafbare feiten, zijn jeugdige leeftijd en zijn persoonlijke omstandigheden. Volgens hem is hij relatief licht gestraft voor het geweldsdelict dat hij heeft begaan toen hij nog minderjarig was en heeft hij hiermee aannemelijk gemaakt dat de kans op recidive gering moet worden geacht. Voorts heeft hij kassawerkzaamheden verricht bij twee bedrijven waarbij niet is gebleken van diefstal, hetgeen meegewogen dient te worden in de belangenafweging, aldus [appellant]. Dit geldt volgens hem temeer nu hij groot persoonlijk belang heeft bij het hebben van werk en het genereren van inkomsten.

2.6.1. De staatssecretaris heeft, gelet op het ontbreken van voldoende tijdsverloop en de hoeveelheid relevante antecedenten, in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu op naam van [appellant] meer relevante justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn zijn aangetroffen, de kans op recidive en het risico voor de samenleving niet voldoende zijn afgenomen. Dit geldt temeer nu [appellant] binnen een lopende proeftijd opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Gelet hierop, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het feit dat hij sinds de veroordelingen zonder problemen kassawerkzaamheden heeft verricht bij een bakkerij en een pizzeria onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen. Dat de strafbare feiten [appellant] licht zijn aangerekend is door de staatssecretaris in zijn belangenafweging meegewogen. De staatssecretaris heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de strafbare feiten licht zijn afgedaan van onvoldoende gewicht is nu er meer relevante antecedenten op naam van [appellant] staan geregistreerd en voldoende tijdsverloop ontbreekt. Het voorgaande geldt evenzeer voor de door [appellant] gestelde persoonlijke omstandigheden. Voorts heeft de staatssecretaris de jeugdige leeftijd van [appellant] in de belangafweging meegewogen. Zoals de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld betreft dit slechts het geweldsdelict. Hij heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat meer gewicht toekomt aan het gegeven dat [appellant] recent meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201108483/1/A3 is de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG zijn functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering, en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de staatssecretaris niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een VOG had moeten worden afgegeven.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012

176-721.