Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201008802/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3111
JBO 2012/140 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2012-0168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008802/1/R4.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond,

2. [appellant sub 2], wonend te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond,

3. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid IJsclub Warffum (hierna: de ijsclub), gevestigd te Warffum, gemeente Eemsmond,

4. [appellant sub 4], wonend te Winsum, en anderen,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 5]), wonend te Usquert, gemeente Eemsmond,

6. [appellant sub 6], wonend te Poortvliet, gemeente Tholen, en anderen,

7. [appellant sub 7], wonend te Kantens, gemeente Eemsmond,

8. [appellant sub 8], wonend te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Usquert, gemeente Eemsmond,

10. [appellante sub 10], gevestigd te Oosternieland, gemeente Eemsmond,

11. [appellant sub 11], wonend te Rottum, gemeente Eemsmond,

12. [appellant sub 12], wonend te Kantens, gemeente Eemsmond,

13. LTO Noord en LTO Noord afdeling het Hogeland (hierna: LTO Noord), gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,

14. het college van gedeputeerde staten van Groningen,

en

de raad van de gemeente Eemsmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De ijsclub, [appellante sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 11] en LTO Noord hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2012, waar de ijsclub, vertegenwoordigd door F.H. Over, [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [appellant sub 12], [appellant sub 8], bijgestaan door mr. L. Boer, [appellant sub 11], vertegenwoordigd door mr. L. Boer, [appellant sub 9], [appellant sub 12], LTO Noord, vertegenwoordigd door T. Wale, het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.K. Bijl, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.M.J. de Goede, H.J. Uilenberg, B. Moes en J. Mollenaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een planologisch-juridische regeling voor het landelijk gebied van de gemeente Eemsmond.

Terinzagelegging

2. [appellant sub 4] en anderen betogen in verband met de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" aan hun perceel dat de database Archis ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

2.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2. De raad heeft zich bij de toekenning van archeologische dubbelbestemmingen gebaseerd op het rapport nr. 1732, "Regio Noord-Groningen" uit 2008 van RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. (hierna: het RAAP-rapport) en de daarbij behorende kaarten. Het RAAP-rapport geeft de criteria weer die volgens het rapport moeten worden gebruikt voor de toekenning van de archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Het perceel van [appellant sub 4] en anderen is op de bij het rapport behorende archeologische verwachtingskaart aangeduid als "boerderijplaats" en is geregistreerd op de Archeologische Monumentenkaart. Volgens het RAAP-rapport rechtvaardigen deze omstandigheden toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Naar het oordeel van de Afdeling kan, gezien de in het RAAP-rapport en de archeologische verwachtingskaart opgenomen gegevens, de database Archis niet worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling ervan, zodat geen verplichting bestond de database met het ontwerp ter inzage te leggen. De enkele omstandigheid dat, zoals uit het RAAP-rapport kan worden afgeleid, bij het opstellen daarvan onder meer is gebruikgemaakt van gegevens uit de landelijke database Archis betekent niet dat om die reden ook die database ter inzage moest worden gelegd. Hierbij kan in het midden blijven in hoeverre een digitale database als Archis kan worden aangemerkt als "stuk" in de zin van artikel 3.11 van de Awb.

Archeologische dubbelbestemmingen

3. De beroepen van [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7], LTO Noord, [appellante sub 10], [appellant sub 5] en [appellant sub 9] richten zich tegen de toekenning van de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2", "Waarde-Archeologie 3" en "Waarde-Archeologie 4" aan verschillende gronden in het plangebied.

3.1. Ter zitting heeft [appellant sub 11] zijn beroepsgrond dat ten onrechte aan zijn agrarische percelen ten zuiden van de Jacobus Tilbusscherweg en ten noorden van de Koksmaar de archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" is toegekend ingetrokken.

3.2. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Ingevolge artikel 49, tweede lid, onder 1, mogen op of in deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij het betreft bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 15 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en). De gebouwen die bestaan ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn hiervan uitgezonderd.

Ingevolge artikel 49, derde lid, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 49, tweede lid, mits:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;

c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;

3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de ontheffing voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

Ingevolge artikel 49, vierde lid, onder 1, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een totaal aaneengesloten oppervlakte groter dan 5 m², waarbij in acht genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;

b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;

c. het graven, uitbaggeren of dempen van waterlopen;

d. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;

e. het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;

f. het permanent verlagen van het waterpeil.

Ingevolge artikel 49, vierde lid, onder 2, is het in het vierde lid, onder 1, vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;

d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 49, vierde lid, onder 3, kan de in het vierde lid, onder 1, genoemde vergunning slechts worden verleend indien:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of;

c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;

3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

3.3. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie 3" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Ingevolge artikel 50, vierde lid, onder 1, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 100 m², waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;

b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,4 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;

c. het graven, uitbaggeren of dempen van waterlopen;

d. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,40 m;

e. het graven van sleuven breder dan 0,50 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie, telecommicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;

f. het permanent verlagen van het waterpeil.

Ingevolge artikel 50, vierde lid, onder 2, is het in het vierde lid, onder 1 vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;

d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 50, vierde lid, onder 3, kan de in het vierde lid, onder 1, genoemde vergunning slechts worden verleend indien:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of:

c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waarddor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;

3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

3.4. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie 4" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 1, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200 m², waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;

b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,45 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;

c. het graven of dempen van waterlopen;

d. het graven van sleuven breder dan 0,50 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;

e. het permanent verlagen van het waterpeil.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 2, is het in het vierde lid, onder 1, vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud en het normaal agrarische gebruik, waaronder in ieder geval wordt verstaan drainage en het uitbaggeren van sloten en grachten, betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;

d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 51, vierde lid, onder 3, kan de in het vierde lid, onder 1, genoemde vergunning slechts worden verleend indien:

a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;

b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of:

c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden,

2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;

3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

3.5. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wro verplicht worden gesteld.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge artikel 39, derde lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen in ieder geval aan de vergunning in het eerste lid, de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen of,

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Algemene bezwaren betreffende archeologische dubbelbestemmingen

4. [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7], LTO Noord en [appellante sub 10] hebben bezwaren naar voren gebracht tegen de systematiek die is gehanteerd bij het leggen van archeologische dubbelbestemmingen in het plan. Volgens [appellant sub 7] en [appellante sub 10] is ten onrechte alleen historisch kaartmateriaal onderzocht en heeft ten onrechte geen grondonderzoek of breder onderzoek naar de feitelijke en actuele situatie plaatsgevonden. [appellant sub 7] betoogt dat hem ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden om nadere gebiedsinformatie in te brengen. Voorts voert hij aan dat er onvoldoende mogelijkheden geboden zijn te reageren op het RAAP-rapport. Volgens [appellant sub 4] en anderen is het RAAP-rapport eenzijdig nu alleen de archeologische waarden in beschouwing zijn genomen en niet de bedrijfsvoering van de agrarische ondernemers. [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7], LTO Noord en [appellante sub 10] betogen dat ten onrechte in het RAAP-rapport geen rekening is gehouden met bodemverstoringen zoals ruilverkaveling die in de afgelopen 60 jaar hebben plaatsgevonden. [appellant sub 4] en anderen voeren voorts aan dat de motivering voor de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan hun perceel, zoals die is opgenomen in de Reactienota Zienswijzen, gebrekkig is, omdat daaruit blijkt dat aan zogenoemde afgetichelde gronden een lage verwachtingswaarde is toegekend en aan gronden die in een ruilverkaveling betrokken zijn geweest een hoge verwachtingswaarde, terwijl in beide gevallen bewerking van de grond heeft plaatsgevonden. [appellant sub 12] en LTO Noord voeren in dit verband aan dat diverse gronden waaraan de archeologische dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2" en "Waarde-Archeologie 3" zijn toegekend al eerder gedraineerd zijn.

[appellant sub 4] en anderen betogen ten slotte dat de raad ten onrechte niet de resultaten van nader archeologisch onderzoek door Oranjewoud heeft betrokken bij de vaststelling van het plan, nu dit onderzoek een lage archeologische waarde rechtvaardigt voor het tracé van de hoofdgastransportleiding Rodewolt-Warffum.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1), rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.

Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011 in zaak nr. 201010190/1/R3, is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, maar wel dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen.

4.2. Niet gemotiveerd bestreden is dat het RAAP-rapport met het ontwerp van het plan ter inzage heeft gelegen, zodat bij het indienen van zienswijzen op het rapport kon worden gereageerd. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat daartoe onvoldoende mogelijkheden zijn geboden, zoals [appellant sub 7] betoogt. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat onvoldoende mogelijkheden zijn geboden om nadere gebiedsinformatie in te brengen, aangezien dergelijke informatie kon worden ingebracht bij het indienen van een zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan.

4.3. Het RAAP-rapport geeft de resultaten weer van een bureauonderzoek naar de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen en de verwachte archeologische waarden in de regio Noord-Groningen. Hiervoor zijn archeologische vindplaatsen en geologische en geomorfologische gegevens geïnventariseerd. De resultaten zijn neergelegd in een archeologische verwachtingskaart. Op basis hiervan is in het RAAP-rapport een beleidsadvieskaart opgesteld die aangeeft waar en in welke vorm archeologisch onderzoek nodig is. Deze beleidsadvieskaart is vervolgens vertaald in bestemmingsplanregels.

De archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" is in het plan toegekend aan gebieden die volgens het RAAP-rapport een hoge archeologische waarde hebben. Het gaat hierbij om terreinen die geregistreerd staan op de Archeologische Monumentenkaart, om wierden die staan aangegeven op bodemkaarten en veldkaarten, waarnemingen uit de database Archis, en de vindplaatsen zoals boerderijplaatsen, middeleeuwse pastorieën en borgen, geïnventariseerd uit literatuur, historische kaarten en kadastrale kaarten. De archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 3" is toegekend aan gebieden die volgens het RAAP-rapport een archeologisch belang hebben. Het gaat hierbij om bebouwde kernen van dorpen en steden gebaseerd op de kadastrale kaarten. De bestemming "Waarde-Archeologie 4" is toegekend aan archeologische onderzoeksgebieden. Dit zijn de gebieden waaraan in het RAAP-rapport een hoge verwachtingswaarde is toegekend en de beek- en rivierdalen.

4.4. Het RAAP-rapport is opgesteld om, vanuit de specifieke archeologische deskundigheid van het adviesbureau RAAP, een overzicht te geven van de aanwezigheid van bekende archeologische vindplaatsen en de te verwachten archeologische waarden in het plangebied. Het maken van een afweging tussen de belangen die met het agrarische gebruik van de betrokken gronden zijn gediend en het belang van bescherming van archeologische waarden behoort tot de verantwoordelijkheid van de raad bij het vaststellen van het plan. Die afweging hoeft in een rapport als hier aan de orde niet tot uitdrukking te komen. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in het RAAP-rapport ten onrechte is voorbijgegaan aan het belang van de bedrijfsvoering van agrarisch ondernemers, zoals [appellant sub 4] en anderen betogen.

4.5. Nu het hier gaat om een conserverend plan waarin de voorheen geldende bestemmingen en gebruiksmogelijkheden op hoofdlijnen worden voortgezet en waarin de bescherming van de archeologische waarden wordt ingepast, heeft de raad, mede gelet op de aard van die waarden, er in redelijkheid voor kunnen kiezen die waarden in beginsel te behouden. Verder heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen die waarden voorafgaand aan de vaststelling van het plan niet verder te onderzoeken dan in het RAAP-rapport is geschied op basis van kaartmateriaal, en nader onderzoek te laten plaatsvinden in het kader van de aanvragen om omgevingsvergunningen. Het laten onderzoeken van een geheel buitengebied heeft de raad, ook gelet op de omvang van het plangebied, te verstrekkend kunnen achten in relatie tot de daarvan te verwachten resultaten.

4.6. De raad stelt dat op de gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie 2" de uitgevoerde drainage slechts een gedeeltelijke verstoring van de archeologische waarden tot gevolg heeft gehad nu de verstoring zich beperkt tot de drainagesleuven. Tot de gebieden met de bestemming "Waarde-Archeologie 3" behoren volgens de raad in het algemeen geen landbouwgebieden die gedraineerd moeten worden nu het binnen deze archeologische dubbelbestemming gaat om historische bebouwde kernen van dorpen en steden. Met betrekking tot de eerder uitgevoerde ruilverkaveling erkent de raad in het verweerschrift dat daardoor de bodem van perceelsdelen kan zijn verstoord, maar volgens de raad hebben deze activiteiten niet tot het gevolg gehad dat de bodem van gehele percelen verstoord is geraakt. De raad wijst erop dat raadpleging van de database Archis duidelijk maakt dat ook in gebieden waarin ruilverkaveling heeft plaatsgevonden nog steeds sprake kan zijn van de aanwezigheid van waardevolle archeologische resten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke verstoring van de betrokken gronden door drainage en ruilverkaveling niet zodanig is dat toekenning van de onderscheiden archeologische dubbelbestemmingen niet gerechtvaardigd is.

4.7. Uit de Reactienota Zienswijzen blijkt dat een lage archeologische verwachtingswaarde is toegekend aan zogenoemde afgetichelde percelen omdat op die percelen een deel van de (klei)bodem, inclusief het bodemarchief, verwijderd is. Nu de situatie op deze percelen anders is dan op gronden die betrokken zijn geweest in een ruilverkaveling, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan de gronden van [appellant sub 4] en anderen op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

4.8. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] en anderen dat de resultaten van nader archeologisch onderzoek ten onrechte niet zijn betrokken bij de toekenning van een archeologische dubbelbestemming aan het tracé van de hoofdgastransportleiding Rodewolt-Warffum, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting is vermeld dat, op basis van nader archeologisch onderzoek verricht door Oranjewoud in 2008, de kans op intacte archeologische waarden op althans een deel van het tracé van de hoofdgastransportleiding Rodewolt-Warffum laag wordt ingeschat. Deze onderzoeksresultaten waren beschikbaar ten tijde van de vaststelling van het plan. Niettemin heeft veruit het grootste deel van de leiding, voor zover het tracé daarvan binnen het plangebied ligt, de dubbelbestemming "Waarde-archeologie 4" gekregen. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Baggeren gracht [locatie 1] te Usquert

5. [appellante sub 10] betoogt dat de raad bij de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" aan zijn perceel [locatie 1] te Usquert onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om de gracht te baggeren in het kader van onderhoud.

5.1. Uit artikel 49.4.1, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 49.4.2, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat voor het graven, uitbaggeren of dempen van waterlopen een aanlegvergunning is vereist, tenzij het gaat om werken die het normale onderhoud betreffen. Onder normaal onderhoud wordt ingevolge artikel 1 van de planregels in dit verband verstaan onderhoudswerkzaamheden die niet leiden tot verstoring van de ongeroerde bodem. Hieruit volgt dat, zoals de raad terecht stelt, het plan zich er niet tegen verzet dat baggerwerkzaamheden in het kader van periodiek onderhoud plaatsvinden, zolang daarbij alleen recente humus wordt verwijderd en de oorspronkelijke bodem van de gracht intact blijft. In andere gevallen is voor het uitbaggeren een aanlegvergunning vereist, die kan worden verleend onder de in artikel 49.4.3 van de planregels weergegeven voorwaarden. Mede gezien het feit dat het gaat om een historische boerderijplaats, en daarmee om een perceel met belangrijke archeologische waarden, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [appellante sub 10] met de in het plan opgenomen regeling niet onevenredig worden geschaad.

Geërodeerde gronden

6. [appellant sub 11] en [appellant sub 12] betogen dat ten onrechte aan hun gronden de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie-4" is toegekend, aangezien uit het RAAP-rapport en kaarten van het onderzoeks- en adviesbureau BAAC blijkt dat deze gronden zijn geërodeerd als gevolg waarvan ze geen hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Zij wijzen er hierbij op dat, als gevolg van een zee-inbraak in de vroege middeleeuwen, zich een relatief brede geul heeft ontwikkeld op de plaats waar hun percelen liggen. Volgens hen volgt uit het RAAP-rapport dat in dergelijke gebieden geen oude bewoningsresten zijn te verwachten.

6.1. De raad stelt dat de erosie van de betrokken gronden, waarnaar in het RAAP-rapport wordt verwezen, betrekking heeft op de pleistocene ondergrond. De zandondergrond werd in de steentijd bewoond waarna klei is aangezet op de gronden. Op de aangezette kleilaag heeft volgens de raad in latere tijden opnieuw bewoning plaatsgevonden. [appellant sub 11] en [appellant sub 12] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Er bestaat gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte is uitgegaan van een hoge archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken gronden.

Samenloop dubbelbestemmingen [locatie 2] te Warffum

7. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de toekenning van zowel de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" als de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan hun perceel [locatie 2] te Warffum leidt tot onduidelijkheid omtrent de op het perceel toepasselijke planregels.

7.1. De archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" is in het plan toegekend aan percelen ter bescherming van gebieden van hoge archeologische waarden voor onder meer archeologische monumenten, wierden, borgterreinen en oude boerderijen. De archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" is aan percelen toegekend ter bescherming van kansrijke vindplaatsen voor archeologische resten. Uit de archeologische verwachtingskaart van het RAAP-rapport volgt dat het betrokken gedeelte van het perceel [locatie 2] kan worden aangemerkt als archeologisch monument en boerderijplaats maar dat daarop ook een hoge archeologische verwachtingswaarde van toepassing is, zodat het perceel volgens de door de raad gehanteerde systematiek zowel voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" als voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" in aanmerking kwam. Aangezien de regels die van toepassing zijn op de bestemming "Waarde-Archeologie 4" minder verstrekkend zijn dan de regels die van toepassing zijn op de bestemming "Waarde-Archeologie 2", is strijdigheid tussen de beide regelingen uitgesloten. Er bestaat om die reden geen grond voor het oordeel dat de planregeling op dit punt aanleiding geeft tot onaanvaardbare onduidelijkheid.

Bekemaheerd

8. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de raad ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" aan het perceel Bekemaheerd heeft toegekend. In dit verband voeren zij aan dat aan het perceel Zijlemaheerd geen archeologische dubbelbestemming is toegekend, terwijl in het RAAP-rapport beide percelen staan aangegeven als archeologisch waardevol gebied.

8.1. Zoals hiervoor overwogen heeft de raad zich bij toekenning van de dubbelbestemmingen gebaseerd op het RAAP-rapport. Onbestreden is dat het perceel Bekemaheerd daarin als archeologisch waardevol staat aangegeven, zodat de raad daaraan in redelijkheid een archeologische dubbelbestemming heeft kunnen toekennen. Dat aan de Zijlemaheerd een dergelijke bestemming niet is toegekend - wat, zoals de raad ter zitting heeft verklaard, berust op een vergissing - brengt daarin geen verandering.

[locatie 3] te Usquert

9. [appellant sub 9] betoogt dat aan zijn perceel [locatie 3] ten onrechte een hoge archeologische verwachtingswaarde is toegekend. In dit verband voert hij aan dat de aanwezigheid van archeologische resten op dit perceel zeer onwaarschijnlijk is, omdat uit de paleogeografische kaart waarop de gegevens in het het RAAP-rapport zijn gebaseerd blijkt dat het relatief laaggelegen kweldergebied ten noorden van de Wadwerderweg niet geschikt was voor bewoning.

9.1. Op de betrokken kaart is het kustgebied van Noord-Groningen rond 800 na Christus weergegeven, waarbij onder meer hoger gelegen kwelderwallen en lager gelegen kweldervlakten in respectievelijk donker- en lichtgroen zijn aangegeven. Door middel van rode stippen zijn op de kaart archeologische vindplaatsen vermeld. Uit de kaart blijkt dat deze vindplaatsen niet alleen zijn aangetroffen op de hoger gelegen gronden maar ook op de lager gelegen kweldervlakten. Op grond hiervan komt het de Afdeling aannemelijk voor dat, anders dan [appellant sub 9] stelt, niet alleen op de hogere kwelderwallen bewoning mogelijk was maar ook op relatief lage kweldervlakten, zoals het gebied waarbinnen het perceel [locatie 3] is gelegen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Waarde-Archeologie 4" aan het perceel heeft kunnen toekennen.

[locatie 4] te Usquert

10. [appellant sub 9] betoogt dat hij door de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" aan zijn perceel [locatie 4] onevenredig in zijn bedrijfsbelangen wordt geschaad omdat het vervangen van de bedrijfsgebouwen daardoor wordt bemoeilijkt. In dit verband heeft hij ter zitting toegelicht dat bij vervanging van de gebouwen op grond van het plan archeologisch onderzoek zal moeten plaatsvinden, wat pas kan op het moment dat de gebouwen geheel zijn verwijderd. Dat betekent dat in een dergelijk geval de bedrijfsvoering voor langere tijd moet worden stilgelegd.

10.1. In aanmerking genomen dat het gaat om een historische boerderijplaats en daarmee om een perceel met belangrijke archeologische waarden, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met de bescherming van deze waarden dan aan het belang van [appellant sub 9] bij het ongehinderd kunnen vervangen van zijn bedrijfsgebouwen.

Bouwvlakken

11. LTO Noord betoogt dat ten onrechte agrarische dubbelbestemmingen zijn toegekend aan bouwvlakken. Aangezien binnen de bouwvlakken sprake is van bestaande bebouwing is de ondergrond daar al verstoord geraakt. Voorts is het voor LTO Noord met betrekking tot de agrarische bouwvlakken onduidelijk op welke wijze de omvang van een boerderijplaats is bepaald voor de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2", wat volgens LTO Noord leidt tot onzekerheid voor de agrarische ondernemers bij het oprichten of vervangen van bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak.

11.1. De raad gaat ervan uit dat ook onder reeds bestaande bebouwing sprake kan zijn van archeologische waarden. Volgens de raad waren in het verleden huizen en boerderijen veelal minder diep gefundeerd en werd gebruik gemaakt van in verhouding smalle funderingssleuven, waardoor archeologische waarden bij de bouw van oudere boerderijen grotendeels intact kunnen zijn gebleven. Dit is door LTO Noord niet gemotiveerd bestreden. Voorts stelt de Afdeling vast dat in het RAAP-rapport is vermeld dat de begrenzing van de boerderijplaatsen is bepaald aan de hand van kadastrale kaarten uit het begin van de negentiende eeuw. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" heeft kunnen toekennen aan gronden waarvoor een bouwvlak is opgenomen, en evenmin voor het oordeel dat de wijze waarop de begrenzing en omvang van boerderijplaatsen zijn bepaald onvoldoende duidelijk zou zijn.

Aanlegvergunningplicht

12. [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 12], [appellant sub 11], [appellant sub 7], LTO Noord, [appellante sub 10] en [appellant sub 5] richten zich met hun beroepen tegen het aan de archeologische dubbelbestemmingen gekoppelde aanlegvergunningstelsel. [appellant sub 4] en anderen betogen dat bij het opnemen van de aanlegvergunningplicht ten onrechte geen rekening is gehouden met het normale agrarisch gebruik van de gronden. Volgens LTO Noord is ten onrechte niet onderzocht welke werkzaamheden bij het normale onderhoud behoren. [appellante sub 10] betoogt dat ten onrechte op werkzaamheden die behoren tot normaal agrarisch grondgebruik, zoals egaliseren en woelen, een aanlegvergunningplicht van toepassing is.

[appellant sub 12] en [appellant sub 11] betogen dat ten onrechte op gronden waaraan de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2" is toegekend een aanlegvergunningplicht voor draineren geldt.

[appellant sub 7] betoogt dat bovengrondse afwatering en egalisatie ten onrechte onder de aanlegvergunningplicht voor de dubbelbestemming "Waarde-archeologie 4" zijn gebracht, nu deze werkzaamheden essentieel zijn voor een goed agrarisch gebruik.

[appellant sub 5] betoogt dat op zijn gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie 4" ten onrechte een zogenoemde niet-kerende grondbewerking niet is vrijgesteld van de aanlegvergunningplicht, nu een niet-kerende grondbewerking vergelijkbaar is met moldrainage dat wel is vrijgesteld van de aanlegvergunningplicht.

Ten slotte betoogt LTO Noord dat de aanlegvergunningplicht bij gronden die zijn aangewezen voor de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2" en "Waarde-Archeologie 3" pas zou moeten gelden vanaf een diepte van 50 cm nu deze diepte aansluit bij de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (hierna: de WION), het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik. LTO Noord stelt in dit verband dat onderzoekers van de Stichting Proefboerderij Noordelijke Akkerbouw (SPNA) bevestigd hebben dat voor diverse reguliere agrarische werkzaamheden een diepte van 50 cm wordt toegepast.

12.1. Uit de bij de archeologische dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2" en "Waarde-Archeologie 3" behorende planregelingen volgt dat het normale onderhoud van de gronden is uitgezonderd van de aanlegvergunningplicht. Uit de bij de archeologische dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" behorende planregeling volgt dat het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik, waaronder in ieder geval wordt verstaan drainage en het uitbaggeren van sloten en grachten, zijn uitgezonderd van de aanlegvergunningplicht.

Ingevolge artikel 1, 65ste lid, wordt onder normaal agrarisch gebruik verstaan het regulier gebruik, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke bedrijfsvoering en het agrarisch gebruik van de gronden. Ingevolge artikel 1, 66ste lid, van de planregels behoren tot het normaal onderhoud in het kader van de archeologie de onderhoudswerkzaamheden, als het vervangen van bestrating en dergelijke, die niet leiden tot verstoring van de ongeroerde bodem.

12.2. De raad stelt dat de door [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 12], [appellant sub 11], [appellant sub 7], LTO Noord, [appellante sub 10] en [appellant sub 5] bedoelde grondwerkzaamheden, waaronder diepwoelen, egaliseren en kilveren, graven van waterlopen, woeldrainage en moldrainage niet tot het normaal onderhoud of het normaal agrarisch gebruik behoren. Deze ingrepen zijn volgens de raad in vergelijking met normale onderhoudswerkzaamheden zwaarder van aard en vinden minder frequent plaats. Doordat de bedoelde werkzaamheden - anders dan normale onderhoudswerkzaamheden, zoals maaien, beweiden, scheuren van de grasmat en ploegen - erop gericht zijn de cultuurtechnische bodemomstandigheden te wijzigen, kunnen ze aanzienlijke gevolgen hebben voor de verwachte archeologische waarden. Met betrekking tot sleufloos draineren en kettingdrainage stelt de raad zich op het standpunt dat deze vormen van bewerking niet tot het normaal onderhoud behoren, maar wel tot het normaal agrarisch gebruik. De raad heeft deze werkzaamheden niet onder de aanlegvergunningplicht willen brengen op gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie 4", vanwege de geringe verstorende werking die deze werkzaamheden teweegbrengen en het gegeven dat in deze gebieden slechts sprake is van een mogelijke aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. [appellant sub 4] en anderen,

[appellant sub 12], [appellant sub 11], [appellant sub 7], LTO Noord, [appellante sub 10] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad de hiervoor genoemde grondwerkzaamheden ten onrechte niet als normaal onderhoud danwel als normaal agrarisch gebruik heeft aangemerkt. De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het hiervoor weergegeven aanlegvergunningstelsel in het plan diende te worden opgenomen ter bescherming van het archeologisch bodemarchief. Mede gelet op de van de aanlegvergunningplicht uitgezonderde werkzaamheden acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het aanlegvergunningstelsel onevenredig belemmerend is voor een rendabele agrarische bedrijfsvoering.

Dat in de WION een aanlegvergunningplicht pas geldt vanaf een diepte van 50 cm onder maaiveld, zoals LTO Noord betoogt, brengt in het voorgaande geen verandering, omdat de WION geen betrekking heeft op de bescherming van archeologische waarden.

Onevenredige kosten onderzoek

13. LTO Noord betoogt dat de aan de archeologische dubbelbestemmingen verbonden onderzoeksplicht ten onrechte ten laste van de grondgebruiker komt nu het om waarden van algemeen belang gaat.

[appellant sub 11], [appellant sub 12] en [appellante sub 10] betogen dat de toekenning van de archeologische dubbelbestemmingen en de daaraan verbonden aanlegvergunningenstelsels leiden tot onevenredig hoge kosten.

13.1. Zoals de Afdeling in onder meer haar uitspraak van 29 september 2010, zaak nr. 200809200/1 heeft overwogen, ligt aan de Monumentenwet 1988 het beginsel ten grondslag dat de verstoorder van het bodemarchief dient bij te dragen aan de kosten voor het archeologische onderzoek ter bescherming van het bodemarchief, maar dat die kosten in een redelijke verhouding dienen te staan tot de met de beoogde investering gemoeide kosten. De Afdeling ziet geen grond voor de verwachting dat de kosten die de aanvrager van een aanlegvergunning in voorkomend geval zal moeten maken voor het doen verrichten van archeologisch onderzoek niet in redelijke verhouding zullen staan tot de investering die is gemoeid met de activiteit waarvoor die vergunning nodig is. De Afdeling acht hierbij van belang dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de kosten voor het bureauonderzoek voor rekening van de gemeente Eemsmond komen. Daarnaast is van belang dat artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een schadevergoedingsregeling bevat voor het geval dat in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een vergunning als hier aan de orde voorschriften zijn verbonden en de aanvrager van die vergunning ten gevolge daarvan kosten maakt of schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen.

Waardevermindering

14. Voor zover [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7] en [appellante sub 10] vrezen dat de archeologische dubbelbestemmingen die aan hun agrarische percelen zijn toegekend een nadelige invloed hebben op de waarde van hun gronden en gebouwen, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan op dit punt aan de orde zijn.

Planschade

15. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7] en [appellante sub 10] betogen dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met planschadeclaims ten gevolge van de toekenning van archeologische dubbelbestemmingen aan gronden in het plangebied.

15.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan verzekerd is, aangezien mogelijke planschadeclaims opgevangen kunnen worden binnen de gemeentebegroting. [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7] en [appellante sub 10] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

Conclusie

16. Gezien hetgeen hiervoor onder 4.8. is overwogen geeft hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Waarde - Archeologie 4" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 2] te Warffum, is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met de genoemde bepalingen dient te worden vernietigd.

16.1. Hetgeen voor het overige is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover op dit punt bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

16.2. De beroepen van [appellant sub 9] en LTO Noord zijn, voor zover het dit punt betreft, ongegrond.

16.3. De beroepen van [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7], [appellante sub 10] en [appellant sub 5] zijn ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 9] en LTO Noord ten aanzien van de omvang van de agrarische bouwpercelen

17. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat voorziet in agrarische bouwpercelen met een maximale omvang van één hectare op zijn percelen. Naar zijn mening stelt het plan op dit punt ten onrechte verdergaande beperkingen dan de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: de omgevingsverordening), die in artikel 4.22, derde lid, voor de gemeente Eemsmond in de mogelijkheid voorziet krachtens een bestemmingsplan bouwblokken van twee hectare bij recht toe te staan. Verder heeft de raad volgens [appellant sub 9] ten onrechte voorwaarden verbonden aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in de artikelen 3.7.1 en 4.7.1 van de planregels, waarmee vergroting van een bouwperceel tot maximaal 1,5 hectare mogelijk wordt gemaakt. Anders dan de raad heeft aangenomen is volgens [appellant sub 9] artikel 4.22, achtste lid van de omgevingsverordening, waaraan deze voorwaarden zijn ontleend, voor de gemeente Eemsmond niet van toepassing op het mogelijk maken van bouwpercelen van twee hectare of minder.

17.1. LTO Noord kan zich niet verenigen met het plan voor zover de omvang van de daarin gesitueerde agrarische bouwpercelen is beperkt tot één hectare en niet bij recht wordt voorzien in bouwpercelen met een omvang van 1,5 hectare. LTO Noord voert hiertoe aan dat een bouwperceel van één hectare in veel gevallen, gelet op de gewenste uitbreidingsmogelijkheden, onvoldoende is voor de in het plangebied aanwezige grootschalige landbouw. In plaats van de mogelijkheid het bouwperceel uit te breiden via een wijzigingsbevoegdheid, had volgens LTO Noord voor veel bedrijven op voorhand bij recht een groter bouwperceel moeten worden toegekend. De raad heeft bij het toekennen van bouwpercelen dan ook geen goede inventarisatie gemaakt, aldus LTO Noord.

17.2. De raad stelt dat in het bestemmingsplan is aangesloten bij zijn beleid, inhoudende dat in beginsel een bouwperceel met een omvang van één hectare wordt toegekend. Slechts wanneer één hectare nagenoeg geen uitbreidingsmogelijkheden biedt, wordt een groter bouwperceel toegekend. Dit is volgens de raad in overeenstemming met de omgevingsverordening, waaruit volgt dat een bestemmingsplan in principe niet voorziet in de nieuwvestiging van bouwpercelen of uitbreiding van bouwpercelen tot meer dan één hectare. De voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen omdat artikel 4.22, achtste lid, van de omgevingsverordening van toepassing is op alle uitbreidingen boven één hectare, aldus de raad.

17.3. Ingevolge artikel 4.22, eerste lid, van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voorziet een bestemmingsplan, voor zover thans van belang, niet:

a. in nieuwe agrarische bouwpercelen;

b. in uitbreiding van bouwpercelen tot een omvang groter dan één hectare.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, is in de gemeente Eemsmond een maximale omvang van twee hectare voor een bouwperceel toegestaan.

Ingevolge het achtste lid bevat de toelichting op het bestemmingsplan, indien dit voorziet in de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan één hectare, een beschrijving van de wijze waarop bij de situering, omvang en vormgeving van het agrarisch bouwperceel alsmede in de bij het plan behorende regels rekening is gehouden met een aantal voorwaarden.

17.4. Ingevolge de artikelen 3.7.1 en 4.7.1 van de planregels, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders het plan onder de in die artikelen weergegeven voorwaarden wijzigen in die zin dat de aan een bouwperceel grenzende gronden worden voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf" of de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf met ondergeschikte intensieve tak", met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak. De genoemde voorwaarden stemmen grotendeels inhoudelijk overeen met de voorwaarden genoemd in artikel 4.22, achtste lid, van de omgevingsverordening.

17.5. Het beleid van de raad is erop gericht dat in beginsel een maximale oppervlakte voor agrarische bouwpercelen van één hectare wordt toegekend en dat in gevallen waarin uitbreiding binnen één hectare niet mogelijk is een groter bouwperceel wordt toegekend. De raad heeft met dit beleid beoogd aan te sluiten bij de omgevingsverordening, die het uitgangspunt hanteert dat in beginsel uitbreidingen van bouwpercelen tot een omvang van meer dan één hectare niet zijn toegestaan. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval, met toepassing van zijn hiervoor weergegeven beleid op dit punt, niet in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien in het plan in algemene zin bouwpercelen groter dan één hectare bij recht mogelijk te maken. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad aan toepassing van de bedoelde wijzigingsbevoegdheden niet in redelijkheid de voorwaarden, vastgelegd in de artikelen 3.7.1 en 4.7.1 van de planregels en ontleend aan artikel 4.22, achtste lid, van de omgevingsverordening, heeft kunnen verbinden. Daarbij betrekt de Afdeling dat noch uit de tekst van artikel 4.22 noch uit het systeem van de verordening volgt dat het achtste lid van dat artikel met betrekking tot de gemeente Eemsmond slechts van toepassing zou zijn op bestemmingsplannen die voorzien in uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot een omvang groter dan twee hectare.

17.6. De raad heeft toegelicht dat een inventarisatie van agrarische bouwpercelen heeft plaatsgevonden om te bezien binnen welke bouwpercelen nog voldoende uitbreidingmogelijkheden worden geboden en welke bedrijven met een bouwperceel van één hectare onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden hebben. Volgens de plantoelichting heeft de raad de inventarisatie aan de hand van recente luchtfoto's gemaakt. In hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen deugdelijke inventarisatie heeft gemaakt, alvorens de omvang van de bouwpercelen vast te stellen. Dat niet tevens in detail voor elk bouwperceel in het plangebied zou zijn gekeken naar de uitbreidingsmogelijkheden binnen de door de omgevingsverordening gestelde criteria brengt niet met zich dat het plan reeds daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

17.7. In hetgeen [appellant sub 9] en LTO Noord hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover op dit punt bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 9] en LTO Noord zijn in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9] voor het overige

18. [appellant sub 9] richt zich in zijn beroep tegen de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-beschermd dorpsgezicht" aan zijn percelen [locatie 3] en [locatie 4] te Usquert. Hij acht deze bestemming te beperkend voor zijn agrarische bedrijfsvoering. In dit verband wijst hij in het bijzonder op het aanlegvergunningenstelsel dat hem belemmert bij het aanbrengen van en verwijderen van bomen, struiken en overige opgaande beplanting. Daarnaast voert hij aan dat ten onrechte geen doeleindenrangorde is opgenomen waarin de agrarische functie bovengeschikt is verklaard aan de overige doeleinden. Voorts ontbreekt volgens hem ten onrechte een afwegingskader. [appellant sub 9] betoogt voorts dat een grondslag in het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 ontbreekt voor de toekenning van de bestemming "Waarde-beschermd dorpsgezicht" aan de gronden aan de zuidzijde van de Wadwerderweg. Ten slotte betoogt hij dat ten onrechte aan de landerijen ten noorden van Wadwerderweg de dubbelbestemming "Waarde-beschermd dorpsgezicht" is toegekend.

18.1. De raad stelt dat aan de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde-beschermd dorpsgezicht" aan de percelen van [appellant sub 9] het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 5 december 2007 tot aanwijzing van het gebied Wadwerderweg als beschermd dorpsgezicht ten grondslag ligt. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. De raad stelt dat de afweging om al dan niet een aanlegvergunning te verlenen wordt gemaakt aan de hand van de beschrijving van het beschermd dorpsgezicht.

18.2. Ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988, zoals deze bepaling luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, stelt de raad ter bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wro.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de voor "Waarde-Beschermd dorpsgezicht" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: het behoud, het herstel en de uitbouw van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling, samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied Wadwerderweg en de bebouwing, zoals beschreven in bijlage I van de toelichting.

Ingevolge artikel 52, vierde lid, onder 1, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

a. het aanbrengen en verwijderen van bomen, struiken en overige opgaande beplanting;

b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 75 m²;

c. het ophogen en/of afgraven van gronden;

d. het geheel of gedeeltelijk dempen van sloten en watergangen.

Ingevolge artikel 52, vierde lid, onder 2, is het in het vierde lid, onder 1 vervatte verbod niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge artikel 52, vierde lid, onder 3, kan de in het vierde lid, onder 1, genoemde vergunning slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het structurele groen en het historisch ruimtelijk karakteristiek van het gebied. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden stellen aan de vergunning ter voorkoming van aantasting van het structurele groen en het historisch ruimtelijk karakteristiek van het gebied.

18.3. Bij het hiervoor bedoelde besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 5 december 2007 zijn onder meer de percelen van [appellant sub 9] aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Op grond van artikel 36 van de Monumentenwet 1988 was de raad dan ook verplicht in het plan te voorzien in de bescherming van het aangewezen beschermd dorpsgezicht. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen aan deze wettelijke verplichting te voldoen door het opnemen van de bestemming "Waarde-Beschermd dorpsgezicht" met daaraan verbonden het hiervoor weergegeven aanlegvergunningenstelsel. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte niet in een nader afwegingskader of doeleindenrangorde is voorzien. In aanmerking genomen dat het normale onderhoud van de bomen en beplanting is uitgezonderd van de aanlegvergunningplicht acht de Afdeling verder niet aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 9] door het aanlegvergunningenstelsel onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.

19. [appellant sub 9] richt zich met zijn beroep tegen het toekennen van de bestemming "Water" aan een gedeelte van zijn perceel [locatie 3]. Hij betoogt dat de gracht, waaraan deze bestemming is toegekend, ten onrechte een afzonderlijke bestemming heeft gekregen. In dit verband voert hij aan dat de gracht geen bijzondere waarde heeft die een afzonderlijke bestemming rechtvaardigt. Daarnaast voert hij aan dat hij ten gevolge van de toekenning van de bestemming "Water" aan de gracht wordt beperkt in de mogelijkheden om zijn bedrijfsgebouwen uit te breiden.

19.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de toekenning van de bestemming "Water" aan de gracht aansluit bij de feitelijke situatie. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ter bescherming en behoud van de feitelijke situatie aan de gracht niet in redelijkheid de bestemming "Water" heeft kunnen toekennen.

20. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de archeologische dubbelbestemmingen en de bestemming "Waarde-Beschermd dorpsgezicht" die aan zijn percelen [locatie 3] en [locatie 4] zijn toegekend. Hij voert aan dat deze mogelijkheid tot onevenredige aantasting van zijn bedrijfsbelangen leidt nu aan zijn gronden zowel archeologische dubbelbestemmingen zijn toegekend als de dubbelbestemming "Waarde-Beschermd dorpsgezicht". In dit verband wijst hij erop dat de agrarische bedrijfsgebouwen 200 jaar oud zijn en dienen te worden vervangen. Door de mogelijkheid nadere eisen te stellen wordt het vervangen van zijn bedrijfsgebouwen volgens [appellant sub 9] onmogelijk gemaakt.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid nadere eisen te stellen niet onevenredig bezwarend is voor [appellant sub 9]. De raad wijst erop dat voor het stellen van nadere eisen een apart besluit moet worden genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

20.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de natuurlijke waarden, de geomorfologische waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangenzende gronden nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, zodanig dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de genoemde criteria.

20.3. Uit de in de planregels opgenomen voorwaarden blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk in welke gevallen en met het oog op welke belangen het college van burgemeester en wethouders tot het stellen van nadere eisen kan overgaan. Daaruit blijkt ook dat de bevoegdheid nadere eisen te stellen is beperkt tot plaats en afmetingen van de bebouwing, en zodoende op zichzelf niet in de weg staat aan het vervangen van de bedrijfsgebouwen. In dit licht bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 9] door de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

21. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover op deze punten bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] is ook in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen ten aanzien van de bestemming "Leiding-Buisleiding"

22. [appellant sub 4] en anderen richten zich tegen het plan voor zover dat voorziet in de dubbelbestemming "Leiding-Buisleiding" voor hun perceel [locatie 2] te Warffum. Zij betogen dat de raad ten onrechte ervan uit gaat dat de aanleg van de hoofdgastransportleiding Rodewolt-Warffum, ten behoeve waarvan de dubbelbestemming is opgenomen, binnen vijf jaar zal worden gerealiseerd. Daarnaast betogen zij dat de raad ten onrechte mogelijke alternatieve locaties niet in zijn afweging heeft betrokken. [appellant sub 4] en anderen betogen daarnaast dat de raad, anders dan toegezegd in de Antwoordnota overleg en inspraak, niet in het plan heeft voorgeschreven dat buisleidingen op landbouwgrond dieper dan twee meter onder het maaiveld moeten worden aangelegd. Ten slotte betogen zij dat de raad ten onrechte een aanlegvergunningplicht voor grondwerkzaamheden vanaf een diepte van 0,30 m onder het maaiveld in het plan heeft opgenomen voor de betrokken gronden. In dit verband wijzen zij erop dat in het kader van de WION een diepte vanaf 0,50 m onder het maaiveld wordt gehanteerd.

22.1. De raad stelt dat de aanleg van de hoofdgastransportleiding is uitgesteld door de economische recessie maar dat de Nederlandse Aardoliemaatschappij (hierna: de NAM) verwacht deze binnen vijf jaar aan te leggen. De raad wijst erop dat [appellant sub 4] en anderen met de NAM een zakenrechtelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben afgesloten waarin de diepte van de aanleg van de hoofdgastransportleiding en de breedte van de leidingstrook zijn geregeld. Volgens de raad heeft de Gasunie verzocht om een aanlegvergunningplicht voor grondwerkzaamheden vanaf een diepte van 0,30 m onder het maaiveld. De raad is van mening dat [appellant sub 4] en anderen niet worden belemmerd door de aanlegvergunningplicht bij het uitvoeren van hun normale agrarische werkzaamheden.

22.2. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de planregels, zijn de voor "Leiding-Buisleiding" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. ondergrondse buisleidingen;

met de daarbijbehorende:

b. veiligheidszones;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 46, tweede lid, onder 1, mogen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, anders dan ten behoeve van een ondergrondse buisleiding.

Ingevolge artikel 46, vijfde lid, onder 1, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;

b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm;

c. het in de grond brengen van voorwerpen dieper dan 30 cm;

d. het aanleggen of verharden van andere oppervlakteverhardingen;

e. het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm.

Ingevolge artikel 46, vijfde lid, onder 2, is het onder 1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:

a. het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge artikel 46, vijfde lid, onder 3, kan de onder 1 genoemde vergunning slecht worden verleend indien vooraf advies wordt ingewonnen van de desbetreffende leidingbeheerder en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding.

22.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op basis van de door de NAM geuite verwachtingen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat de aanleg van de hoofdgastransportleiding binnen de planperiode van tien jaar zal worden gerealiseerd.

22.4. Het plan voorziet niet in een planregeling met betrekking tot de diepte die bij de aanleg van nieuwe buisleidingen in acht dient te worden genomen. In zoverre is het plan niet in overeenstemming met hetgeen daarover in de Antwoordnota overleg en inspraak is gesteld. Ter zitting heeft de raad meegedeeld dat niet bekend is of de NAM en de provincie Groningen een regeling gewenst achten en, zo ja, welke diepte in dat geval zal moeten worden aangehouden. Tevens heeft de raad verklaard op zich geen bezwaar te hebben tegen het opnemen van een regeling zoals door [appellant sub 4] en anderen gewenst. Tegen deze achtergrond is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

22.5. Hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Leiding-Buisleiding" voor het perceel [locatie 2] te Warffum, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de genoemde bepaling dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant sub 4] en anderen op dit punt overigens hebben aangevoerd geen bespreking.

Het beroep van de ijsclub

23. De raad stelt dat het beroep van de ijsclub niet-ontvankelijk is, voor zover het betrekking heeft op de maximaal toegestane hoogte van de lichtmasten op het perceel Onderdendamsterweg 1a te Warffum. Hiertoe voert hij aan dat dit een beroepsgrond betreft die nieuw is ten opzichte van de door de ijsclub ingediende zienswijze.

23.1. Aan het betrokken perceel is de bestemming "Agrarisch - Wierdenlandschap" en zowel de aanduiding "ijsbaan" als de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenactiviteitenplek" toegekend. Ingevolge artikel 4.2.4, aanhef en onder e, van de planregels, mag de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter hoogte van de aanduiding "ijsbaan" ten hoogste 10,00 meter bedragen.

23.2. Het beroep van de ijsclub, voor zover gericht tegen artikel 4.2.4, aanhef en onder e, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

23.3. De ijsclub voert aan dat zij ten onrechte geen persoonlijke kennisgeving heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, hoewel zij volgens haar als beperkt gerechtigde op het betrokken perceel moet worden aangemerkt.

23.4. Ingevolge artikel 3.4 van de Wro kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen ten aanzien waarvan de verwezenlijking in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat indien in het ontwerp gronden zijn aangewezen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, kennisgeving tevens geschiedt aan diegenen die in de basisregistratie kadaster staan vermeld als eigenaar van die gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden.

23.5. De Afdeling overweegt dat van een aanwijzing in de zin van artikel 3.4 van de Wro geen sprake is. Dit betekent dat een kennisgeving in de zin van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro niet vereist was.

Onbestreden is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. Conform artikel 3:12 van de Awb heeft de kennisgeving plaatsgevonden via publicatie op de website van de gemeente Eemsmond en in een lokaal huis-aan-huisblad. In de Wro noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan. In het aangevoerde wordt ook voor het overige geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat een persoonlijke kennisgeving in dit geval vereist was.

23.6. De ijsclub kan zich niet vinden in de aanduiding van het perceel, gelegen aan de Onderdendamsterweg 1a te Warffum, als jongerenactiviteitenplek. De ijsclub betoogt dat deze aanduiding onvoldoende duidelijk is. Volgens de gemeentelijke plannen is er op het terrein een skatebaan beoogd; de aanduiding jongerenactiviteitenplek laat echter ruimte open voor vele andere activiteiten. De ijsclub vreest overlast van de jongerenactiviteitenplek in de vorm van lawaai, vandalisme en afval. Zij acht een jongerenactiviteitenplek ruimtelijk gezien niet wenselijk nu deze op korte afstand van woningen wordt gesitueerd en zij het gebied waar de jongerenactiviteitenplek zou moeten komen in de winter nodig heeft als parkeerplaats. Tot slot betoogt de ijsclub dat er onvoldoende overleg tussen haar en de gemeente heeft plaatsgevonden en dat ten onrechte voorbij is gegaan aan de door haar aangedragen alternatieve locaties voor de jongerenactiviteitenplek.

23.7. De raad stelt dat in overleg voor de desbetreffende locatie is gekozen en dat een zo ruim mogelijke afstand van de jongerenactiviteitenplek tot woningen zal worden aangehouden. Met betrekking tot de gestelde overlast stelt de raad dat hij verwacht dat de overlast juist zal afnemen omdat het aanbieden van sportactiviteiten vandalisme en verveling bij jongeren voorkomt. Voorts stelt de raad dat over het parkeren afspraken gemaakt kunnen worden en dat geen activiteiten plaats zullen vinden als de ijsbaan geopend is.

23.8. Artikel 4.1, aanhef en onder g, van de planregels bepaalt het volgende: "De voor "Agrarisch - Wierdenlandschap" aangewezen gronden zijn bestemd voor: een ijsbaan, ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan", waarbij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenactiviteitenplek"".

Direct grenzend aan het perceel liggen gronden waaraan een woonbestemming is toegekend.

23.9. Hoewel de raad ter zitting heeft toegelicht dat is beoogd alleen in de noordelijke punt van het perceel een skatebaan, een trapveldje en bijbehorende voorzieningen te realiseren en daarbij een afstand van ten minste 40 meter aan te houden tot de in de omgeving aanwezige woningen, volgt dit niet uit het plan. De betrokken planregels verduidelijken niet wat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenactiviteitenplek" en de term jongerenacitiveitenplek is in het plan niet gedefinieerd. Verder is de aanduiding "jongerenactiviteitenplek" blijkens de verbeelding toegekend aan de gehele noordelijke helft van het perceel en daarmee ook aan gronden die thans zijn ingericht ten behoeve van de aanwezige ijsbaan, alsmede aan gronden op korte afstand van de aanwezige woningen. Gelet hierop acht de Afdeling onvoldoende duidelijk welke vormen van gebruik het plan op het perceel mogelijk maakt. Daarnaast acht de Afdeling het plan wat betreft de kennelijk beoogde locatieaanduiding niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

23.10. Hetgeen is aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de zinsnede ", waarbij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenactiviteitenplek"" in artikel 4.1, onder g, van de planregels, en voor zover de bedoelde aanduiding is toegekend aan het perceel Onderdendamsterweg 1a te Warffum. Het beroep van de ijsclub is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

Het beroep van [appellant sub 8]

24. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover het voorziet in een fietspad op gronden langs de Oosternielandsweg en de Maarvlietweg tussen Uithuizermeeden en Zijldijk, waaraan de bestemming "Verkeer - Fiets- en Voetpaden" is toegekend. [appellant sub 8] is eigenaar van een drietal percelen waarover het fietspad zal worden aangelegd.

[appellant sub 8] betoogt dat het nut en de noodzaak van de komst van het fietspad niet zijn aangetoond. Hiertoe voert hij aan dat geen onderzoek is gedaan naar de verkeers- en fietsveiligheid van het fietspad. Bovendien is het fietspad volgens [appellant sub 8] niet functioneel omdat er alternatieve en veiliger fietsroutes zijn. Verder betoogt [appellant sub 8] dat onvoldoende is onderzocht of het plan in zoverre financieel uitvoerbaar is. Hiertoe voert hij aan dat nog geen overeenstemming met de desbetreffende grondeigenaren is bereikt. Tot slot betoogt [appellant sub 8] dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen, aangezien het pad over zijn grond wordt geprojecteerd en hij daardoor deze grond opnieuw zal moeten draineren. De stukken grond die overblijven zijn volgens hem lastiger te bewerken met zijn machines.

24.1. De raad stelt dat de komst van het fietspad voortvloeit uit het fietspadenplan van de gemeente Eemsmond van juni 2003 (hierna: het fietspadenplan). Het fietspad is van groot belang voor de verkeersveiligheid van onder anderen schoolgaande fietsers die, ondanks het verbod, dagelijks fietsen over de gebiedsontsluitingsweg waar 80 km/uur de maximumsnelheid is. De raad stelt verder dat er krediet beschikbaar is gesteld in het kader van het in 2008 geactualiseerde fietspadenplan en dat als het plan onherroepelijk is geworden overleg zal worden gevoerd met de grondeigenaren. Wat betreft het verlies van grond stelt de raad dat [appellant sub 8] daar een financiële compensatie voor krijgt.

24.2. De Maarvlietweg is onweersproken aan te merken als een gebiedsontsluitingsweg. Op dergelijke wegen, gelegen buiten de bebouwde kom, moeten volgens de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, waarbij de raad heeft willen aansluiten, vanwege het grote snelheidsverschil en het grote verschil in massa, fietsers en bromfietsers gescheiden worden van het autoverkeer. Onbestreden is dat ondanks een verbod daartoe en ondanks het bestaan van alternatieve routes onder anderen schoolgaande kinderen met regelmaat gebruik maken van de Maarvlietweg als fietsroute. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het nut en de noodzaak van het fietspad voldoende zijn aangetoond.

24.3. Met betrekking tot het betoog betreffende de financiële uitvoerbaarheid van het plan in zoverre heeft de raad ter zitting medegedeeld dat in 2008 besluitvorming heeft plaatsgevonden over de aanleg van het fietspad. In dit besluit is een kostenraming gemaakt en is financiering beschikbaar gesteld op basis van het fietspadenplan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 8] naar voren heeft gebracht geen aanleiding daaraan te twijfelen. Ter zitting heeft de raad voorts medegedeeld dat overleg met de grondeigenaren zal worden opgestart en dat zo nodig overgegaan zal worden tot onteigening van de desbetreffende gronden.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan heeft plaatsgevonden en evenmin voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

24.4. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de met het fietspad te dienen verkeersveiligheid dan aan het belang van [appellant sub 8] bij het behoud van een agrarische bestemming op zijn gronden. In aanmerking genomen dat het fietspad is voorzien op een relatief klein gedeelte van de gronden van [appellant sub 8], bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat de schade voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 8] zodanig zal zijn dat de raad met het oog daarop het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

24.5. Hetgeen door [appellant sub 8] is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van het college

25. Het college betoogt dat het bestemmingsplan op verschillende punten in strijd is met de omgevingsverordening.

Nieuwe woningen (wijziging bouwperceel naar wonen)

26. Het college betoogt dat de wijzigingsbevoegdheden naar wonen, zoals weergegeven in de artikelen 3.7.7, 3.7.8, 3.7.9, 3.7.10, 4.7.7, 4.7.8, 4.7.9, 4.7.10 en 45.6.1 van de planregels, in strijd zijn met artikel 4.27 van de omgevingsverordening. Hiertoe voert het college aan dat het bestemmingsplan met voornoemde artikelen voorziet in de vestiging van nieuwe woningen, terwijl dit ingevolge artikel 4.27 van de verordening niet is toegestaan. Weliswaar is het ingevolge het vijfde lid van artikel 4.27 mogelijk een ontheffing te verlenen van de omgevingsverordening, maar het plan voldoet niet aan de criteria die het provinciaal beleid stelt aan woningbouw in het buitengebied ten behoeve van ruimtelijke kwaliteit en bovendien is een dergelijke ontheffing niet verleend, aldus het college.

26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat regulering van nieuwbouwmogelijkheden op perceelsniveau, waarin artikel 4.27 van de omgevingsverordening voorziet, niet kan worden aangemerkt als een provinciaal belang. Het betreft hier volgens de raad een gemeentelijk belang dat niet door de omgevingsverordening mag worden gereguleerd.

26.2. Ingevolge het eerste lid van artikel 4.27 van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voor zover thans van belang, voorziet een bestemmingsplan niet in de vestiging van nieuwe woningen.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing in geval van hergebruik of verbouw van bestaande vrijkomende gebouwen.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, is ontheffing van het eerste lid in ieder geval mogelijk voor incidentele woningbouw ter verbetering van ruimtelijke kwaliteit.

26.3. Het verweer van de raad strekt tot onverbindendverklaring van artikel 4.27 van de omgevingsverordening. De Afdeling overweegt dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier aan de orde, slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

26.4. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro - voor zover hier van belang - kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

26.5. De Afdeling acht de niet nader onderbouwde stelling van de raad dat artikel 4.27 van de omgevingsverordening voorziet in regulering van nieuwbouwmogelijkheden op perceelsniveau en daarmee geen provinciaal belang betreft ontoereikend voor het oordeel dat het provinciebestuur in zoverre is getreden buiten de hem in artikel 4.1 van de Wro gegeven regelgevende bevoegdheid. Niet valt in te zien dat het provinciebestuur zich niet in redelijkheid het belang van volkshuisvesting en de concentratie, bundeling en contingentering van woningbouw in de regio als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. De Afdeling wijst er in dit verband op dat in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (EK 2005-2006, 28 916, C, blz. 3 en 4) wat betreft het begrip "provinciaal belang" onder meer het volgende is aangegeven:

"De vele streekplannen van de afgelopen decennia laten zien dat de provinciale besturen naar regio en tijd heel goed in staat zijn geweest om vanuit het algemene begrip «provinciaal belang» aan te geven voor welke vraagstukken de afzonderlijke provincies zich verantwoordelijk achtten en, afhankelijk van «de gewichten» in de planteksten, aan te geven welke beleidsinstrumenten zij inzetten ter behartiging of ter borging van de daarbij betrokken belangen. […] Overigens is het van belang te onderkennen, dat we in formele zin in Nederland één overheid kennen, in weerwil van het spraakgebruik waarbij termen als «andere overheden» worden gehanteerd. Die ene overheid is territoriaal gelaagd. Voor veel vraagstukken is het ook volstrekt onmogelijk om verantwoordelijkheden exclusief toe te delen naar één overheidsniveau."

De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsverordening op dit punt onverbindend zou moeten worden verklaard wegens strijd met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro.

26.6. De raad betwist verder dat het bestemmingsplan voorziet in nieuwe woningen, nu de desbetreffende woningen niet rechtstreeks, maar pas na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. De raad stelt dat bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gevraagd kan worden om een ontheffing van de omgevingsverordening en de planregels daarom niet in strijd zijn met de omgevingsverordening. De raad stelt voorts dat de inhoud van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het doel van de omgevingsverordening omdat de wijzigingsbevoegdheden in overeenstemming zijn met de uitgangspunten zoals weergegeven in ruimte voor ruimte-regelingen en de gemeentelijke discussienota "Eemsmond Vitaal". De wijzigingsbevoegdheden zullen volgens de raad alleen in specifieke situaties worden toegepast, zodat het om incidentele gevallen zal gaan. Verder stelt de raad dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een herziening van de omgevingsverordening in voorbereiding was, waarbij de verordening op dit punt zou worden aangepast. De raad heeft niet op deze herziening willen wachten en daarom het plan vastgesteld.

26.7. De artikelen 3.7.7 tot en met 3.7.10 en 4.7.7 tot en met 4.7.10 van de planregels voorzien, voor zover thans van belang, in de toekenning van wijzigingsbevoegdheden aan het college van burgemeester en wethouders, waarbij onder voorwaarden mogelijk kan worden gemaakt dat nieuwvestiging van woningen plaatsvindt, zonder dat er sprake is van hergebruik of verbouw van vrijkomende agrarische bebouwing.

26.8. Artikel 4.27, eerste lid, van de omgevingsverordening verbiedt de planwetgever vestiging van nieuwe woningen in bestemmingsplannen toe te staan. Een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid van artikel 4.27 van de omgevingsverordening is niet verleend. Gelet op het voorgaande zijn de betrokken wijzigingsbevoegdheden in strijd met artikel 4.27 van de omgevingsverordening. Daaraan doet niet af dat de raad heeft willen anticiperen op de destijds op komst zijnde wijziging van de verordening, evenmin als de omstandigheid dat de bestemmingsplanbepalingen, naar de raad meent, niet in strijd zijn met het doel van de verordening, noch dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid slechts in specifieke, incidentele situaties zal plaatsvinden.

Het betoog van de raad dat het bestemmingsplan niet rechtstreeks voorziet in nieuwe woningen leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de Afdeling dat met het bestaan van de vastgestelde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Gelet hierop leidt ook het betoog van de raad dat bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid nog om ontheffing van de omgevingsverordening kan worden verzocht niet tot een ander oordeel.

Voormalige boerderijen

27. Het college betoogt dat artikel 45.5.1 van de planregels in strijd is met artikel 4.7, tweede, derde en vierde lid, van de omgevingsverordening. Hiertoe voert het college aan dat artikel 45.5.1 mogelijk maakt een woonhuis met de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijen" te splitsen in twee woningen en dat het bestemmingsplan aldus mogelijk maakt een nieuwe woning te realiseren. Er wordt in het plan echter niet voldaan aan de in artikel 4.7 van de omgevingsverordening gestelde eis dat inzicht moet worden geboden in het aantal nieuwe woningen dat op grond van het bestemmingsplan kan worden gebouwd.

27.1. De raad stelt zich ten aanzien van artikel 4.7 van de omgevingsverordening eveneens op het standpunt dat geen sprake is van een provinciaal belang maar dat het een gemeentelijk belang betreft dat niet door de omgevingsverordening kan worden gereguleerd.

27.2. Ingevolge het eerste lid van artikel 4.7 van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, stelt het college van gedeputeerde staten de nieuwbouwruimte voor elke gemeente vast voor een periode van maximaal tien jaar.

Ingevolge het tweede lid stelt een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen op expliciete wijze regels over het maximum aantal te bouwen nieuwe woningen. Deze verplichting geldt tevens indien een bestemmingsplan in nieuwe woningbouw voorziet in de vorm van bepalingen, bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub a, b en c, van de Wro.

Ingevolge het derde lid en vierde lid, voor zover thans van belang, biedt de toelichting eveneens inzicht in het aantal nieuw te bouwen woningen krachtens andere bestemmingsplannen in de gemeente en mag het totaal aantal aan nieuw te bouwen woningen de beschikbare nieuwbouwruimte niet overschrijden.

27.3. Ook op dit punt slaagt het verweer van de raad, dat strekt tot onverbindendverklaring van artikel 4.7 van de omgevingsverordening, niet. Mede onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 26.5 werd overwogen oordeelt de Afdeling dat de in dit verband naar voren gebrachte stelling niet noopt tot de conclusie dat het provinciaal bestuur met het aan zich trekken van het belang van contingentering van nieuwbouwmogelijkheden op regionaal niveau de aan hem toegekende regelgevende bevoegdheid van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro te buiten is gegaan. De Afdeling ziet dan ook evenmin aanleiding voor het oordeel de omgevingsverordening op dit punt onverbindend dient te worden verklaard wegens strijd met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro.

27.4. De raad stelt verder dat een regeling om een woonhuis in de vorm van een voormalige boerderij te splitsen, zoals weergegeven in het bestemmingsplan, reeds jaren wordt gehanteerd. Een voorwaarde voor het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid uit artikel 45.5.1 is dat deze passend moet zijn binnen het Pact regio Eemsdelta. In dit pact is weergegeven dat in de periode 2009-2018 in Eemsmond een uitbreiding is toegestaan van 166 woningen. Gelet daarop wordt volgens de raad voldoende inzicht geboden in het maximaal aantal te bouwen woningen in het plangebied.

27.5. Ingevolge artikel 45.4, onder a, van de planregels wordt tot het met de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijen" strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning.

Ingevolge artikel 45.5.1, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 45.4, onder a, en toestaan dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één woning onder de voorwaarde dat dit passend is binnen de afspraken die zijn gemaakt in het Pact regio Eemsdelta voor de periode 2009-2018.

27.6. Artikel 4.7 van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, stelt de eis dat het bestemmingsplan op expliciete wijze regels stelt over het maximum aantal te bouwen nieuwe woningen. Nu artikel 45.5.1 van de planregels dergelijke regels niet stelt, is het plan op dit punt in strijd met artikel 4.7, tweede lid, van de omgevingsverordening. Dat het maximaal aantal te bouwen woningen is weergegeven in het Pact regio Eemsdelta doet hier niet aan af, nu een bestuursakkoord als voornoemd pact niet dezelfde mate van rechtszekerheid biedt als een bestemmingsplan. Ook aan de omstandigheid dat het splitsen van woonhuizen in de vorm van voormalige boerderijen reeds jaren gebruikelijk is, komt geen doorslaggevende betekenis toe.

Buiten het bouwvlak op te richten bouwwerken

28. Het college betoogt dat de artikelen 4.3.9 en 4.3.10 van de planregels in strijd zijn met de omgevingsverordening. Hiertoe voert het college aan dat het ingevolge deze artikelen mogelijk is via een ontheffing bouwwerken buiten het bouwvlak op te richten. Dit is in strijd met het zesde lid van artikel 4.22 van de omgevingsverordening, aldus het college.

28.1. De raad stelt dat het gaat om een ontheffing die uitsluitend kan worden toegepast ten behoeve van opslag. Bovendien moet er sprake zijn van landschappelijke inpassing. De raad wil met de regeling voorkomen dat bouwvlakken onnodig worden vergroot.

28.2. Ingevolge het zesde lid van artikel 4.22 van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voorziet een bestemmingsplan niet in de mogelijkheid tot oprichting van nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing en bouwwerken buiten de aangewezen agrarische bouwpercelen.

Ingevolge artikel 4.2.4, onder a, van de planregels zijn silo's, platen en bassins niet toegestaan buiten het bouwvlak, met uitzondering van bestaande platen ten behoeve van opslagdoeleinden.

Ingevolge artikel 4.3.9,kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van artikel 4.2.4, onder a, en toestaan dat sleufsilo's, kuilvoerplaten en naar de aard daarmee gelijk te stellen platen ten behoeve van opslagdoeleinden tot ten hoogste 50 meter buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4.3.10 kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.4, onder a, en toestaan dat mestsilo's, -zakken, -platen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken ten behoeve van de opslag voor mest buiten het bouwvlak worden gebouwd.

28.3. Het zesde lid van artikel 4.22 van de omgevingsverordening staat niet toe dat een bestemmingsplan voorziet in het oprichten van bouwwerken buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag. Dat de raad voorwaarden heeft gesteld aan het verlenen van de ontheffing doet hieraan niet af, nu ook het onder voorwaarden toestaan van het oprichten van bouwwerken buiten het bouwvlak ingevolge het zesde lid van artikel 4.22 van de omgevingsverordening niet is toegestaan. Het bepaalde in de hiervoor bedoelde artikelen is aldus in strijd met artikel 4.22 van de omgevingsverordening. Dat met de desbetreffende regeling beoogd is te voorkomen dat het bouwperceel onnodig moet worden vergroot, maakt dit niet anders.

29. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de artikelen 3.7.7, 3.7.8, 3.7.9, 3.7.10, 4.3.9, 4.3.10, 4.7.7, 4.7.8, 4.7.9, 4.7.10, 45.5.1 en 45.6.1. van de planregels is vastgesteld in strijd met respectievelijk artikel 4.7, tweede lid, artikel 4.22, zesde lid, en artikel 4.27 van de omgevingsverordening. Het beroep van het college is gegrond, zodat het plan in zoverre wegens strijd met de genoemde bepalingen dient te worden vernietigd.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

30. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen belang meer hebben bij hun beroepen, voor zover die betrekking hebben op de uitbreiding van de camping Lentemaheerd. Hiertoe voert hij aan dat dit plan, voor zover het de uitbreiding van de camping betreft, een planologische verwerking is van een onherroepelijke vrijstelling die voor deze uitbreiding is verleend ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

30.1. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat de bedoelde vrijstelling door het niet verder aanwenden van rechtsmiddelen in rechte onaantastbaar is geworden, geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] thans in zoverre geen belang meer hebben bij een uitspraak omtrent het door hen ingestelde beroep tegen het plan. Het bestemmingsplan leent zich, in tegenstelling tot een vrijstelling, immers voor herhaalde toepassing.

30.2. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich tegen het bestemmingsplan voor zover het een uitbreiding van de camping Lentemaheerd mogelijk maakt. Zij betogen dat het campingterrein ten onrechte is uitgebreid en de afstand van het terrein tot de omringende bebouwing ten onrechte is teruggebracht van 100 meter naar 50 meter. Zij vrezen door de uitbreiding aangetast te worden in hun woongenot en voeren aan dat in een buitengebied zoals dat van Eemsmond een ruimere afstand wenselijk is dan de richtafstand van 50 meter die volgt uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

30.3. Aan het perceel aan de Schapeweg 21 te Uithuizermeeden is de bestemming "Recreatie 1" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - beperking kampeerseizoen 2", toegekend. Met het plan is beoogd hetgeen met het eerder genoemde vrijstellingsbesluit ter plaatse aan gebruik mogelijk is gemaakt planologisch vast te leggen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat het plan op dit punt in aard en omvang geen gebruiksmogelijkheden biedt die afwijken van het gebruik dat werd mogelijk gemaakt op grond van het in rechte onaantastbare, vrijstellingsbesluit. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verleende vrijstelling. De verandering van gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. Nu het plan niet verschilt van hetgeen de vrijstelling mogelijk maakt en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet hebben gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van de beslissing op bezwaar omtrent de vrijstelling die daartoe noopte, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken.

31. [appellant sub 1] kan zich voorts niet vinden in de bestemming "Agrarisch - Dijkenlandschap" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf", voor zover die is toegekend aan zijn perceel aan de [locatie 5] te Uithuizermeeden. Hij betoogt dat de woonbestemming voor het perceel, waar het voorontwerp van het plan in voorzag, ten onrechte is verwijderd en vreest een waardedaling van zijn onroerend goed.

31.1. Aan het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Agrarisch - Dijkenlandschap" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf" toegekend. Ter plaatse van de schuur is een bouwvlak opgenomen. In het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998 was aan het perceel de bestemming "Landelijk gebied II" en de aanduiding "agrarisch bedrijf" toegekend.

31.2. Onbestreden is dat [appellant sub 1] het perceel in gebruik heeft voor het houden van dieren en dat het geen woonfunctie heeft. Gelet op de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, stelt de Afdeling vast dat het bestaande gebruik als zodanig is bestemd. De raad heeft toegelicht dat de toekenning in het voorontwerp van een woonbestemming aan het perceel van [appellant sub 1] een vergissing betrof. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het perceel van [appellant sub 1] geen woonbestemming behoefde te worden toegekend.

32. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6] en anderen

33. [appellant sub 6] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid een intensieve veehouderij op te richten op percelen aan de Emmaweg en de Lauwersdwarsweg in Uithuizen. Zij betogen dat het plan op dit punt in strijd is met het provinciale beleid, waaronder het provinciaal omgevingsplan. Daarnaast heeft de raad naar hun mening onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat op 15 januari 2009 van rechtswege bouwvergunningen zijn verleend en dat deze ten onrechte zijn herroepen. Verder volgt naar hun mening uit de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2006 in zaak nr. 200409470/1 dat de aanvragen om bouwvergunning moesten worden gehonoreerd.

33.1. De raad stelt dat de provinciale omgevingsverordening nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en het opnemen van nieuwe agrarische bouwpercelen verbiedt. Ten tijde van de vaststelling van het plan waren volgens de raad geen bouwvergunningen van kracht, omdat het college van burgemeester en wethouders inmiddels de van rechtswege verleende vergunningen had herroepen en had besloten de aanvragen buiten behandeling te stellen. Voorts meent de raad dat de huidige situatie verschilt van de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de Afdeling waarnaar [appellant sub 6] en anderen verwijzen.

33.2. Ingevolge artikel 4.18, eerste lid, van de omgevingsverordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwvestiging van een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 4.22, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe agrarische bouwpercelen.

33.3. Bij besluiten van 28 september 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond de van rechtswege verleende bouwvergunningen voor de bouw van de betrokken stallen aan de Emmaweg en de Lauwersdwarsweg herroepen. Bij - inmiddels onherroepelijke - uitspraken van 6 december 2010, nrs. AWB 09/1073 WRO en AWB 09/1074 WRO, heeft de rechtbank Groningen de besluiten op bezwaar van het college vernietigd, zodat deze besluiten in juridische zin moeten worden geacht nooit te hebben bestaan. Het voorgaande betekent dat de raad, bij de vaststelling van het plan, ten onrechte heeft aangenomen dat voor de oprichting van de bebouwing ten behoeve van de desbetreffende veehouderijen geen bouwvergunning was verleend. Daaruit volgt ook dat de raad de weigering een regeling in het plan op te nemen die de vestiging van intensieve veehouderijen op de betrokken percelen aan de Emmaweg en de Lauwersdwarsweg mogelijk zou maken niet op die aanname heeft mogen baseren. Het bestreden besluit is op dit punt niet voorzien van een draagkrachtige motivering.

33.4. Aangezien de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2009 door de rechtbank zijn vernietigd waren ten tijde van de vaststelling van het plan bouwvergunningen van kracht voor de betrokken veehouderijen. Daaruit volgt dat de raad ten onrechte bij het nemen van het bestreden besluit als uitgangspunt heeft genomen dat in het onderhavige geval sprake was van nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, dan wel van nieuwe agrarische bouwpercelen. Anders dan de raad betoogt stond de omgevingsverordening er in dit geval dan ook niet aan in de weg dat het plan zou voorzien in de vestiging van de betrokken veehouderijen.

33.5. Hetgeen is aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover daarin de vestiging van intensieve veehouderijen op de percelen van [appellant sub 6] aan de Emmaweg en de Lauwersdwarsweg te Uithuizen is uitgesloten, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] en anderen is gegrond, zodat het plan op dit punt dient te worden vernietigd. Om deze reden behoeft hetgeen zij verder hebben aangevoerd geen bespreking.

Proceskosten

34. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 6] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4] en anderen, de ijsclub en het college is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 7], LTO Noord, [appellant sub 8], [appellante sub 10], [appellant sub 5] en [appellant sub 9] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging IJsclub Warffum, voor zover gericht tegen artikel 4.2.4, onderdeel e, van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de vereniging IJsclub Warffum, voor zover ontvankelijk, het beroep van [appellant sub 4] en anderen gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 6] en anderen en het college van gedeputeerde staten van Groningen geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemsmond van 28 juni 2010, kenmerk 04-12.2010, voor zover het betreft

- het plandeel met de bestemming "Leiding - Buisleiding" en het plandeel met de bestemming "Waarde - Archeologie 4", voor zover deze plandelen betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 4] en anderen gelegen aan de [locatie 2] te Warffum;

- de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenopvangplek" die betrekking heeft op het perceel Onderdendamsterweg 1a te Warffum;

- de zinsnede ", waarbij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - jongerenactiviteitenplek"" in artikel 4.1, onder g, van de planregels;

- de artikelen 3.7.7, 3.7.8, 3.7.9, 3.7.10, 4.3.9, 4.3.10, 4.7.7, 4.7.8, 4.7.9, 4.7.10, 45.5.1 en 45.6.1 van de planregels; alsmede

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Dijkenlandschap" voor zover dit betrekking heeft op de percelen van [appellant sub 6] en anderen aan de Emmaweg en de Lauwersdwarsweg te Uithuizen;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en anderen voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], en LTO Noord en LTO Noord afdeling het Hogeland geheel ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Eemsmond tot vergoeding van de bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Eemsmond aan appellanten het door hen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan het college van gedeputeerde staten van Groningen een bedrag van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro);

- aan de vereniging IJsclub Warffum een bedrag van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro);

- aan [appellant sub 4] en anderen een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- aan [appellant sub 6] en anderen een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

568-678-731.