Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX6527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
201106204/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tot inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers en plaatsing op de zogenoemde Uitwijklijst.

In art. 3 van de Wbtv zijn de competenties neergelegd, die een tolk of vertaler dient te bezitten. De eisen waaraan een tolk of vertaler dient te voldoen bij die competenties zijn neergelegd in art. 8 van het Bbtv. Beschikt een tolk of vertaler niet over een getuigschrift als bedoeld in art. 8, lid 1, aanhef en onder a, dan kan hij op grond van art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv in aanmerking komen voor inschrijving in het register, indien hij anderszins kan aantonen aan de wettelijke competenties te voldoen. Het Besluit inschrijving is vastgesteld ter invulling van art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv. In het Besluit inschrijving is neergelegd dat een tolk of vertaler in het register kan worden ingeschreven na het overleggen van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd, die voldoet aan het door de raad voor rechtsbijstand vastgestelde kader voor toetsen. Is een dergelijke toets niet beschikbaar, dan kan een verzoek tot inschrijving worden voorgelegd aan de commissie, indien een tolk of vertaler voldoet aan de in art.3 van het Besluit inschrijving omschreven instapcriteria.

Zo al moet worden aangenomen dat met het bepaalde in art. 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met art. 8, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbtv en art. 3 van het Besluit inschrijving zwaardere eisen worden gesteld en dat daarmee een indirect onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit is de Afdeling van oordeel dat voor het maken van dat onderscheid in het licht van het doel van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan.

De Afdeling vindt steun voor dat oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 1 e.v.). Daarin is vermeld dat tolken en vertalers binnen het Nederlandse rechtsbestel een onmisbare rol spelen. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler is betrokken, zijn doorgaans gebaseerd op het werk van de tolk of vertaler. Indien de kwaliteit van de tolk of vertaler onvoldoende is gewaarborgd, kan dit ongewenste gevolgen hebben voor de beslissingen die op hun werk zijn gebaseerd, aldus de wetgever. De wetgever heeft met de Wbtv beoogd waarborgen voor de kwaliteit en integriteit van tolken en vertalers te geven. Met de Wbtv beoogt de wetgever ook uitvoering te geven aan zijn, uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voortvloeiende verantwoordelijkheid voor het opzetten en instandhouden van een systeem waarbinnen in strafzaken voor de verdachten kosteloze tolkenbijstand is gegarandeerd en waaruit ook de verantwoordelijkheden voor de kwaliteit voortvloeien (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 3). De wetgever heeft daarbij, zoals volgt uit de toelichting bij het Bbtv (Stb. 2008, 555, blz. 9), reeds in aanmerking genomen dat het huidige aanbod van tolk- en vertaalopleidingen aan hogescholen en universiteiten, nog niet volgroeid is.

Gelet hierop berusten de in art. 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met art. 8 van het Bbtv en het Besluit inschrijving, neergelegde eisen, in het licht van het doel van de Wbtv en het gegeven dat in bepaalde gevallen een afnameplicht uit het register bestaat, op redelijke en objectieve gronden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201011478/1/H3, LJN: BR6327), moet worden vooropgesteld dat uit art. 3 van de Wbtv, gelezen in verbinding met art. 8, lid 1, aanhef en onder a en b, van het Bbtv, en bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 8, blz. 8-9), voortvloeit dat een tolk slechts voor inschrijving in het register in aanmerking komt indien hij de taal waarvoor hij wenst te worden ingeschreven op hbo-niveau beheerst. In die uitspraak is voorts overwogen dat het op de weg van de tolk ligt om dit aan te tonen.

De minister heeft op goede gronden overwogen dat uit de bij de aanvraag tot inschrijving overgelegde diploma's en getuigschriften niet kan worden afgeleid dat betrokkene de taal waarvoor hij inschrijving wenst op het vereiste niveau beheerst. Verder heeft de minister op goede gronden overwogen dat uit de door betrokkene overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat hij beschikt over de vereiste tolk- en vertaalvaardigheden. Nu de minister zich op het standpunt mocht stellen dat betrokkene niet aan de in art. 3 van het Besluit inschrijving neergelegde instapcriteria voldeed, heeft hij de aanvraag terecht niet voorgelegd aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers.

De in beroep overgelegde overzichten van betalingen leiden niet tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd betrokkene op de Uitwijklijst te plaatsen als vertaler Nederlands <-> Somalisch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106204/1/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 april 2011 in zaak nr. 10/3558 in het geding tussen:

[verzoeker rechtbank], wonend te Den Haag,

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2010 heeft de minister een aanvraag van [verzoeker rechtbank] tot inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) en plaatsing op de zogenoemde Uitwijklijst als tolk Nederlands &lt;-&gt; Somalisch, tolk Nederlands &lt;-&gt; Frans en als vertaler Nederlands &lt;-&gt; Somalisch afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2010 heeft de minister het door [verzoeker rechtbank] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de weigering tot plaatsing op de Uitwijklijst als tolk Nederlands &lt;-&gt; Somalisch en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker rechtbank] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2010 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

[verzoeker rechtbank] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Schuurman, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, en [verzoeker rechtbank], bijgestaan door mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv), voor zover hier van belang, is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, kan de minister een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- of doeltaal. De minister kan een instelling aanwijzen die deze lijst bijhoudt.

Ingevolge artikel 3, voor zover hier van belang, dient de tolk dan wel de vertaler, om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

- attitude van een tolk voor de tolk;

- attitude van een vertaler voor de vertaler;

- integriteit;

- taalvaardigheid in de brontaal;

- taalvaardigheid in de doeltaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;

- tolkvaardigheid voor de tolk;

- vertaalvaardigheid voor de vertaler.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers (hierna: Bbtv), voor zover hier van belang, wordt een tolk in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:

a. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

1º een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;

2º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of

3º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;

b. hij kan anderszins aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.

Ingevolge het tweede lid kan de minister onafhankelijke deskundigen aanwijzen die taal- en cultuurtoetsen kunnen afnemen waarmee tolken en vertalers kunnen aantonen dat ze beschikken over de desbetreffende wettelijke competenties.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Regeling) van 24 december 2008 (Stcrt. 2008, 250) heeft de minister de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch aangewezen als de instelling die het register bewerkt, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wbtv.

Ingevolge het tweede lid wordt de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 2, derde lid, van de Wbtv aangewezen als de instelling die de lijst bijhoudt.

De raad voor rechtsbijstand heeft voor de beoordeling van aanvragen tot inschrijving in het register het Besluit inschrijving Rbtv van 26 maart 2009 (Stcrt. 2009, 68; hierna: Besluit inschrijving) vastgesteld.

Volgens artikel 2 kan, indien een tolk of vertaler niet beschikt over een diploma van een tolk- of vertaleropleiding op minimaal bachelorniveau, zij/hij worden ingeschreven in het Rbtv na overlegging van een getuigschrift waaruit blijkt dat de tolk of vertaler in de betreffende talencombinatie, c.q. vertaalrichting en vaardigheid een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd die voldoet aan het door de raad voor rechtsbijstand vast te stellen/vastgestelde kader voor toetsen.

Volgens artikel 3 kan, indien voor een vaardigheid en/of talencombinatie, c.q. vertaalrichting geen toets beschikbaar is, de raad voor rechtsbijstand in uitzonderlijke gevallen een verzoek tot inschrijving voorleggen aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers.

Daartoe moet de tolk of vertaler aantonen:

• te beschikken over hbo-werk- en denkniveau en

• te beschikken over taalvaardigheid in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) op het vereiste niveau en

• minimaal vijf jaar ervaring te hebben als beroepstolk of -vertaler in de betreffende vaardigheid en talencombinatie c.q vertaalrichting en

• scholing te hebben gevolgd om tolk- of vertaalvaardigheid en -attitude te ontwikkelen.

Volgens artikel 4 neemt de raad voor rechtsbijstand een besluit op het verzoek tot inschrijving nadat de Commissie beëdigde tolken en vertalers advies heeft uitgebracht.

De raad voor rechtsbijstand heeft voor de beoordeling van aanvragen tot plaatsing op de uitwijklijst het Besluit Uitwijklijst Wbtv (Stcrt. 2009, 102; hierna: het Besluit Uitwijklijst) vastgesteld.

Volgens artikel 1, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan de raad voor rechtsbijstand, indien hij een verzoek van een tolk of vertaler om te worden ingeschreven in het register afwijst, de tolk of vertaler voor de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) plaatsen op de uitwijklijst indien:

- in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) geen door de raad voor rechtsbijstand erkende toets kan worden afgelegd;

- en de tolk of vertaler aantoonbaar beschikt over:

o aantoonbaar mbo-denk/werkniveau;

o en taalcompetenties in bron- en doeltaal op niveau B2 van het Europese referentiekader voor talen;

o en relevante werkervaring als tolk, respectievelijk vertaler;

- en de tolk of vertaler minimaal 8 punten scoort op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Volgens de Bijlage criteria voor plaatsing op de uitwijklijst (Stcrt. 2009, 111), zoals die luidde ten tijde van belang, moet een tolk of vertaler aan alle van onderstaande eisen voldoen om op de uitwijklijst te kunnen worden geplaatst:

A. ten minste havo/mbo-diploma of een buitenlands diploma van vergelijkbaar niveau;

B. aantoonbare taalcompetentie op niveau B2 (ERK) in zowel bron- als doeltaal;

C. aantoonbare werkervaring als tolk respectievelijk vertaler;

D. ten minste 8 punten op grond van de onder 1 tot 5 genoemde claims.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Besluit inschrijving onbevoegd is vastgesteld. De minister had de aanvraag van [verzoeker rechtbank] dan ook niet mogen toetsen aan het Besluit inschrijving, maar slechts aan de Wbtv en het daarop gebaseerde Bbtv, meer specifiek aan artikel 8 van het Bbtv. De rechtbank heeft het beroep reeds om die reden gegrond verklaard en het bij haar bestreden besluit vernietigd.

3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag van [verzoeker rechtbank] niet had mogen worden getoetst aan het Besluit inschrijving.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 24 augustus 2011 in zaken nrs. 201100163/1/H3 en 201100969/1/H3), behelst het in paragraaf 3 van de Regeling aan de raad voor rechtsbijstand gegeven mandaat voor wat betreft de Wbtv slechts de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en niet tevens een mandaat voor de vaststelling van beleidsregels. Daarvoor is ingevolge afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelezen in verbinding met artikel 4:81 van die wet een afzonderlijk mandaat vereist. Nu de minister eerst bij regelingen van 13 januari 2011 (Scrt. 2011, 1029 en 1030) dit mandaat heeft bekrachtigd, bevatten het Besluit inschrijving en het Besluit Uitwijklijst ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen bevoegdelijk vastgestelde beleidsregels als bedoel in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201100969/1/H3 en 21 maart 2012 in zaak nr. 201104182/1/A3), betekent dit evenwel niet dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag de in het Besluit inschrijving en het Besluit Uitwijklijst opgenomen beleidsregels niet mocht betrekken. De minister heeft het Besluit inschrijving en het Besluit Uitwijklijst sinds de vaststelling op 26 maart 2009 respectievelijk 25 mei 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen toegepast, zodat deze dienen te worden geduid als vaste gedragslijnen die als zodanig bij de beoordeling mochten worden betrokken. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 7 april 2010 behandelen.

5. De minister heeft in het besluit op bezwaar van 7 april 2010 overwogen dat [verzoeker rechtbank] niet in aanmerking komt voor inschrijving in het register op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbtv, omdat hij geen diploma of getuigschrift heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een hbo-opleiding tolk of vertaler heeft gevolgd. Hij komt volgens de minister evenmin in aanmerking voor inschrijving in het register op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv. De minister heeft onder verwijzing naar het Besluit inschrijving overwogen dat [verzoeker rechtbank] niet objectief heeft aangetoond te beschikken over hbo werk- en denkniveau. [verzoeker rechtbank] heeft volgens de minister evenmin objectief aangetoond dat hij de talen waarop zijn verzoek betrekking heeft op minimaal hbo-niveau beheerst, dat hij scholing heeft gevolgd met betrekking tot het ontwikkelen van tolk- en vertaalvaardigheid en -attitude en dat hij minimaal vijf jaar intensieve ervaring heeft als beroepstolk dan wel beroepsvertaler. De minister heeft, nu [verzoeker rechtbank] volgens hem niet voldoet aan de criteria neergelegd in artikel 3 van het Besluit inschrijving, geen aanleiding gezien het dossier voor te leggen aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers en de afwijzing van de aanvraag in bezwaar gehandhaafd.

6. [verzoeker rechtbank] heeft betoogd dat in het geval een tolk of vertaler niet ten minste een opleiding tot tolk/vertaler op bachelorniveau heeft afgerond, hij dient te voldoen aan meer en strengere vereisten. Als een dergelijke opleiding niet is voltooid, dient hetzij een toets te worden afgelegd, hetzij aan andere vereisten te worden voldaan. Niet voor elke taal bestaat een erkende hbo-opleiding tot tolk/vertaler. Personen afkomstig uit bepaalde landen, die als tolk/vertaler in het Nederlands en in hun moedertaal willen blijven optreden, worden volgens [verzoeker rechtbank] benadeeld in vergelijking met personen afkomstig uit landen waarvoor een dergelijke opleiding wel beschikbaar is. Onder die omstandigheden wordt in de regelgeving een indirect onderscheid gemaakt naar nationaliteit, hetgeen in strijd is met het verbod op discriminatie, neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten.

De zwaardere eisen, neergelegd in artikel 3 van het Besluit inschrijving, die gelden in het geval geen toets beschikbaar is als bedoeld in artikel 2 van het Besluit inschrijving, leveren eveneens strijd op met het verbod op discriminatie. Die toetsen zijn volgens [verzoeker rechtbank] immers over het algemeen niet beschikbaar voor talencombinaties, waarvoor geldt dat de aanvrager afkomstig is uit het land waar de betreffende vreemde taal wordt gesproken. Het is, bij het ontbreken van zo'n toets, lastig om objectief aan te tonen dat een betrokkene voldoet aan de in artikel 3 van het Besluit inschrijving neergelegde instapcriteria. In het geval een toets beschikbaar is, behoeft een aanvrager niet aan te tonen dat hij scholing heeft gevolgd om zijn tolk-/vertaalvaardigheid en -attitude te ontwikkelen, terwijl dit vereiste wel wordt gesteld indien een toets niet beschikbaar is, hetgeen strijd oplevert met het discriminatieverbod, aldus [verzoeker rechtbank].

6.1. In artikel 3 van de Wbtv zijn de competenties neergelegd, die een tolk of vertaler dient te bezitten. De eisen waaraan een tolk of vertaler dient te voldoen bij die competenties zijn neergelegd in artikel 8 van het Bbtv. Beschikt een tolk of vertaler niet over een getuigschrift als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, dan kan hij op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv in aanmerking komen voor inschrijving in het register, indien hij anderszins kan aantonen aan de wettelijke competenties te voldoen. Het Besluit inschrijving is vastgesteld ter invulling van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv. In het Besluit inschrijving is neergelegd dat een tolk of vertaler in het register kan worden ingeschreven na het overleggen van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd, die voldoet aan het door de raad voor rechtsbijstand vastgestelde kader voor toetsen. Is een dergelijke toets niet beschikbaar, dan kan een verzoek tot inschrijving worden voorgelegd aan de commissie, indien een tolk of vertaler voldoet aan de in artikel 3 van het Besluit inschrijving omschreven instapcriteria.

Zo al moet worden aangenomen dat met het bepaalde in artikel 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv en artikel 3 van het Besluit inschrijving zwaardere eisen worden gesteld en dat daarmee een indirect onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit, zoals [verzoeker rechtbank] betoogt, is de Afdeling van oordeel dat voor het maken van dat onderscheid in het licht van het doel van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan.

De Afdeling vindt steun voor dat oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 1 e.v.). Daarin is vermeld dat tolken en vertalers binnen het Nederlandse rechtsbestel een onmisbare rol spelen. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler is betrokken, zijn doorgaans gebaseerd op het werk van de tolk of vertaler. Indien de kwaliteit van de tolk of vertaler onvoldoende is gewaarborgd, kan dit ongewenste gevolgen hebben voor de beslissingen die op hun werk zijn gebaseerd, aldus de wetgever. De wetgever heeft met de Wbtv beoogd waarborgen voor de kwaliteit en integriteit van tolken en vertalers te geven. Met de Wbtv beoogt de wetgever ook uitvoering te geven aan zijn, uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voortvloeiende verantwoordelijkheid voor het opzetten en instandhouden van een systeem waarbinnen in strafzaken voor de verdachten kosteloze tolkenbijstand is gegarandeerd en waaruit ook de verantwoordelijkheden voor de kwaliteit voortvloeien (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 3, blz. 3). De wetgever heeft daarbij, zoals volgt uit de toelichting bij het Bbtv (Stb. 2008, 555, blz. 9), reeds in aanmerking genomen dat het huidige aanbod van tolk- en vertaalopleidingen aan hogescholen en universiteiten, nog niet volgroeid is.

Gelet hierop berusten de in artikel 3 van de Wbtv, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Bbtv en het Besluit inschrijving, neergelegde eisen, in het licht van het doel van de Wbtv en het gegeven dat in bepaalde gevallen een afnameplicht uit het register bestaat, op redelijke en objectieve gronden.

Het betoog faalt.

7. [verzoeker rechtbank] heeft voorts betoogd dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat hij niet objectief heeft aangetoond over een hbo-werk- en denkniveau te beschikken. Hij is in Somalië geboren en hij heeft, nadat hij de middelbare school heeft afgerond, een aanvang gemaakt met een universitaire studie aan de Mogadishu University. Het eerste jaar heeft hij volledig afgerond, hetgeen volgens [verzoeker rechtbank] vergelijkbaar is met het behalen van de propedeuse aan een Nederlandse universiteit. Vervolgens heeft hij in Nederland een opleiding elektrotechniek aan de MTS afgerond en volgt hij thans een zelfstudie economie aan Amoud University in Somaliland. De minister heeft volgens [verzoeker rechtbank] bovendien ten onrechte overwogen dat hij de betreffende talen niet op hbo-niveau beheerst. De Somalische taal is zijn moedertaal en hij heeft in deze taal vele jaren onderwijs gevolgd. Daar komt bij dat hij reeds achttien jaar als tolk/vertaler in de betreffende talen werkzaam is. In dat verband heeft de minister ook ten onrechte overwogen dat hij niet heeft aangetoond over minimaal vijf jaren intensieve ervaring als beroepstolk/vertaler te beschikken. Hij exploiteert sinds 1998 een tolk- en vertaalbureau en hij wordt regelmatig door zowel leden van de Somalische gemeenschap in Nederland als door rechtbanken, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) en voor politieonderzoeken ingeschakeld.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201011478/1/H3), moet worden vooropgesteld dat uit artikel 3 van de Wbtv, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Bbtv, en bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 8, blz. 8-9), voortvloeit dat een tolk slechts voor inschrijving in het register in aanmerking komt indien hij de taal waarvoor hij wenst te worden ingeschreven op hbo-niveau beheerst. In die uitspraak is voorts overwogen dat het op de weg van de tolk ligt om dit aan te tonen.

7.2. De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden overwogen dat uit de door [verzoeker rechtbank] bij zijn aanvraag tot inschrijving overgelegde diploma's en getuigschriften niet kan worden afgeleid dat hij de taal waarvoor hij inschrijving wenst op het vereiste niveau beheerst. De enkele stelling van [verzoeker rechtbank] dat hij het eerste jaar van een universitaire studie aan de Mogadishu University heeft afgerond en dat dit vergelijkbaar is met het behalen van de propedeuse aan een Nederlandse universiteit, leidt niet tot een ander oordeel. [verzoeker rechtbank] heeft ter staving van zijn standpunt geen getuigschrift van die universiteit overgelegd. Hij heeft het in beroep overgelegde diploma niet aan de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, de Nuffic, voorgelegd, zodat een waardering van dat diploma ontbreekt. Gelet op hetgeen onder 2.7.1 is overwogen, gaat de Afdeling voorbij aan het betoog van [verzoeker rechtbank] ter zitting van de Afdeling, dat het niet op zijn weg ligt om het door hem in beroep overgelegde diploma aan de Nuffic voor te leggen. De minister heeft zich tevens op het standpunt mogen stellen dat [verzoeker rechtbank] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. [verzoeker rechtbank] heeft immers een diploma op mbo-niveau overgelegd.

7.3. Verder heeft de minister op goede gronden overwogen dat uit de door [verzoeker rechtbank] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat hij beschikt over de vereiste tolk- en vertaalvaardigheden. Dat [verzoeker rechtbank] ruime werkervaring heeft op het gebied van tolken en dat zijn werk nimmer aanleiding heeft gegeven tot klachten, leidt evenmin tot het oordeel dat de minister de aanvraag van [verzoeker rechtbank] tot inschrijving in het register ten onrechte heeft afgewezen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om aan te tonen dat aan de wettelijke eisen is voldaan, omdat afnemers niet voldoende in staat zijn een oordeel te geven over het niveau waarop de tolk functioneert.

7.4. Nu de minister zich op het standpunt mocht stellen dat [verzoeker rechtbank] niet aan de in artikel 3 van het Besluit inschrijving neergelegde instapcriteria voldeed, heeft hij de aanvraag van [verzoeker rechtbank] terecht niet voorgelegd aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers. Het besluit op bezwaar van 7 april 2010 komt gelet op het voorgaande in zoverre niet voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog faalt.

8. De minister heeft in het besluit van 7 april 2010 over de plaatsing op de Uitwijklijst overwogen dat [verzoeker rechtbank] heeft aangetoond over minimaal mbo-werk- en denkniveau te beschikken en dat hij de talen waarvoor hij inschrijving wenst op B2 niveau beheerst. Verder heeft hij minimaal 8 punten behaald op grond van de competentiematrix. Nu hij tevens heeft aangetoond ten minste 20 professionele opdrachten als tolk te hebben verricht, komt hij in aanmerking voor plaatsing op de Uitwijklijst als tolk Nederlands &lt;-&gt; Somalisch. [verzoeker rechtbank] heeft evenwel niet objectief aangetoond 20 professionele opdrachten als vertaler te hebben uitgevoerd, zodat hij niet in aanmerking komt voor plaatsing op de Uitwijklijst als vertaler Nederlands &lt;-&gt; Somalisch, aldus de minister.

9. [verzoeker rechtbank] betoogt dat de minister wat betreft de weigering tot plaatsing op de Uitwijklijst als vertaler Nederlands &lt;-&gt; Somalisch ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft aangetoond 20 professionele opdrachten als vertaler te hebben uitgevoerd. Hij heeft in dit verband in beroep stukken overgelegd waaruit volgens hem volgt dat hij 20 professionele opdrachten als vertaler heeft uitgevoerd.

9.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat [verzoeker rechtbank] niet aannemelijk heeft gemaakt 20 professionele opdrachten als vertaler te hebben uitgevoerd en dat daarom niet aan criterium C van de Bijlage criteria voor plaatsing op de uitwijklijst wordt voldaan. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister verklaard dat het volledige en op zichzelf staande vertaalopdrachten moeten betreffen en niet vertalingen van stukken als onderdeel van de werkzaamheden als tolk. Eerst in beroep heeft [verzoeker rechtbank] overzichten van betalingen overgelegd die in de periode 1998 - 2008 door opdrachtgevers aan hem zijn gedaan. Uit deze overzichten valt evenwel niet, zoals de minister ter zitting van de Afdeling gemotiveerd heeft betoogd, eenduidig af te leiden of het betalingen ten behoeve van vertaalopdrachten of betalingen ten behoeve van tolkopdrachten betreffen. De stukken zijn in zoverre, zoals de minister terecht betoogt, onvoldoende gespecificeerd.

Gelet hierop leiden de door [verzoeker rechtbank] in beroep overgelegde overzichten van betalingen niet tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd [verzoeker rechtbank] op de Uitwijklijst te plaatsen als vertaler Nederlands &lt;-&gt; Somalisch.

Het betoog faalt.

10. Het beroep tegen het besluit van 7 april 2010 van de minister is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 april 2011 in zaak nr. 10/3558;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012

581.